bovenfoto

Columns:

Sinds april 2006 is er elke week de natuurcolumn 'Ontdek de Flora en Fauna van de Haarlemmermeer' verschenen in de Hoofddorpse Courant.
Deze column heeft ten doel belangstelling voor de verrassende verscheidenheid van planten en dieren in onze leefomgeving te wekken.

 

Hieronder staat de column van deze week en daar onder kunnen alle tot dusver verschenen columns opgevraagd worden. U kunt deze selecteren en sorteren op categorie, onderwerp, het jaar en de tijd van het jaar. Combinaties zijn ook mogelijk. Ga naar de oudere columns

florafauna

Steenhommel, 29 mrt 2020

Het voorjaar vordert gestaag. Er zijn al weer talloze bloemen uitgebloeid zoals sneeuwklokjes, krokussen en narcissen en vele soort uien en de eerste planten zonder reservevoedsel uit bollen zoals longkruid en madeliefjes bloeien al. Dat lokt insecten uit hun winterslaap. In maart zijn de katjes van de wilgen de belangrijkste voedselbron. Die katjes leveren stuifmeel als eiwitbron voor jonge bijen. Dat stuifmeel wordt in april aangevuld met nectar van bv de sleedoorn, fruitbomen en daarna de meidoorn. Pas na de meidoorn komt de overvloed aan veldbloemen. Honingbijen zijn de enige insecten die niet in winterslaap gaan. Zij gebruiken hun honingvoorraad om warm de winter door te komen en kunnen op elke zonnige dag op jacht naar eten. De eerste insecten die wel een winterslaap houden zijn de hommels. Die zijn niet voor niets zo dik met een bontjasje. Zo kunnen ze zich eerder dan andere insecten buiten wagen. Het zijn altijd de grote koninginnen die we nu zien met als allereerste de aardhommel: zwart met een wit kontje en een gele streep. Een dag erna zag ik al een

steenhommel: zwart met een rood kontje (foto)

Bijzonder

Er leven ca 40 soorten hommels in Nederland, waarvan er een stuk of 6 algemeen zijn. De steenhommel is daar 1 van. Zoals de naam steenhommel aangeeft, maakt zij haar nest (meestal) in een muur. Een aardhommel maakt dat nest bv in een muizenhol in de grond. Zo gebruikt de boomhommel een boomholte of een nestkast en zijn er weide-, tuin-, akker- , heidehommels en ga zo maar door. Alle hommels hebben een duidelijke kleurcodering: een soort streepjes code van zwart, wit , rood en geel. Op internet zijn er hommelkaarten te vinden als hulp. De koninginnen zijn nu bezig de eerste werksters op te kweken. Over 1-2 maanden zie je alleen die, tot die uitsterven en er in augustus weer alleen koninginnen zijn die de winter moeten overleven. Hommels kunnen steken, maar doen dat alleen in uiterste nood.

Waar

Steenhommels komen bijna overal voor, ook in de bebouwde kom.





Meldingen van bijzondere dieren en planten kunt u doorgeven aan info@stichtingmeergroen.nl .

Persoonlijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkdagen tussen 9:00 en 12.30
en op woensdag tot 17:00 uur op Meijerslaan 17 in Heemstede.


Oudere columns:

 

SELECTIEMENU; selecteer op:

categorie
en/of
titel zoekterm

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/of
maand
en/of
jaar
 
 

SORTEREN: klik op de kopjes in de titelbalk om de sortering te veranderen

 

Blz [ 5 ] Ga naar vorige1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 …>> volgende

thumb

categorie: titel: datum: maand:

open/dicht

 Bokjevogelsbokje2 jan 2009januari

bokje, 2 jan 2009

 Bokje

Vorige week maakte de Geniedijk zich voor mij weer eens waar als ecologische verbindingsroute. Wat was het geval: met het invallen van de vorst waren de ondiepe kuilen, die ontstaan waren bij het slopen van het Hoofdvaartcollege op het toekomstige Jansoniusterrein als eerste dichtgevroren. Voor de jeugd van het Oude Buurtje, waaronder mijn zoon, trok dit ijs als een magneet. Bij het verkennen van de sterkte van het ijs, struinden zij door de dichte bosjes van elzen en wilgen, die de afgelopen 2 jaar waren opgeschoten. Uit die bosjes vlogen enige tientallen vogels op, waarvan hun beschrijving klonk als een kruising tussen een watersnip en een oeverloper. Daar moest ik het fijne van weten. Met 10-15 kinderen, al of niet op de schaats, in mijn kielzog verkende ik zelf de bosjes en tot mijn niet geringe enthousiasme vlogen er een aantal bokjes op. Bokjes zijn de kleinste en zeldzaamste van de snipachtigen. Net als de houtsnip vertrouwen ze sterk op hun schutkleur en blijven rustig zitten tot iemand vlak bij is. Watersnippen zijn veel schuwer en gaan al op grote afstand

op de wieken. Hoewel het bokje lijkt op de watersnip, is hij veel kleiner en heeft een korte snavel, wat de kinderen haarfijn hadden waargenomen. Er lopen twee roomkleurige strepen langs de kruin die overgaan in twee strepen op de rug (zie foto). Het bokje is een schuwe vogel, die vooral ′s nachts en in de schemering actief is.

Bijzonder

Bokjes zijn solitaire vogels, waarvan je er zelden meer dan 2-5 bij elkaar ziet. Dat er 20-30 bij elkaar zaten op het Jansoniusterrein is naast hun zeldzaamheid dus dubbel bijzonder. Het bokje is meestal zwijgzaam, in tegenstelling tot de watersnip, die luid krassend wegvliegt. In de baltsvlucht maakt hij echter een geluid als van ‘een galopperend paard in de verte’. Snippen zijn geliefde jachtvogels. Niet zozeer omdat ze zo lekker zijn, maar omdat ze bij het (onverwachts) opvliegen snelle haakse bewegingen maken. Dat maakt ze moeilijk te raken en daarmee voor jagers blijkbaar extra interessant om neer te leggen.

Waar

Het bokje maakt zijn nest in de uitgestrekte hoogveengebieden in het noorden van Scandinavië en Rusland. De soort overwintert in West-Europa en in het Middellandse-Zeegebied in vochtige gebieden met voldoende beschutting. Het (huidige) Jansonius-terrein past perfect in dat profiel.

 huismusvogelsHuismus14 dec 2008december

Huismus, 14 dec 2008

 huismus

Bijna dagelijks fiets ik langs een huis met een mooie vuurdoorn op het zuiden. Als het dezer dagen droog of mooi weer is, vergaat horen en zien je bij die struik. Het lijkt wel of alle huismussen uit de buurt zich daar hebben verzameld en elke dag ruim genoeg stof tot overleg hebben. De huismus eet zaden en insecten. Het lied van dit ‘zang’vogeltje beperkt zich tot getjilp. De mus is een standvogel: hij blijft jaarrond binnen een paar honderd meter van zijn nestplaats. Het mannetje is te onderscheiden van het vrouwtje, omdat hij uitgesprokener getekend is (zie illustratie). Een mussenpaar bouwt samen een nest, waarin het vrouwtje 4-7 eieren legt. Na ongeveer 12 dagen broeden, komen de eieren uit. De eerste dagen worden de kuikens door beide ouders met insecten gevoed, maar al snel wordt het dieet gevarieerder en plantaardiger. Na ongeveer 2 weken vliegen de jongen uit.

Bijzonder

In Nederland zijn de huismussen de laatste decennia sterk afgenomen van 1-2 naar 0.5 - 1 miljoen broedparen. Hoewel het nog een algemene vogel is, staat de soort daarom sinds 2004 als ′zorgelijk′ op de Rode Lijst voor bedreigde vogelsoorten. Deze dalende trend, die nog steeds doorgaat, heeft vele oorzaken, b.v. in de steden: huizen worden gebouwd zonder dakpannen, of zo goed geïsoleerd, dat er geen broedholletjes zijn. Het betegelen van tuinen neemt zijn tol evenals het in onbruik raken van het buiten uitkloppen van tafelkleden. Door het netheidsstreven in de wijken zijn er minder wilde hoekjes met zaden en insecten. Verder speelt de sterke toename van het aantal katten sinds

de 90-tiger jaren een rol. In de landbouw: het verbouwen van andere gewassen (mais) dan granen. Het afdekken van mest, waar voorheen veel insecten bij rondvlogen. Efficiënter oogsten waardoor er minder voor de mussen blijft liggen. Natuurlijke oorzaken: door afnemend pesticidegebruik neemt de roofvogelstand toe, waaronder de sperwer. Een nest jonge sperwers wordt met zo’n 700 vogels grootgebracht, waaronder veel mussen.

Waar

De huismus leeft bijna overal ter wereld, i.i.g. in bijna alle gematigde en subtropische streken, vaak dichtbij of in woongebieden van mensen. Voor een deel is de verspreiding op een natuurlijke wijze verlopen, voor een deel is de huismus door de mens verspreid en geldt als cultuurvolger. Speciale oproep: Actieplan huismus Om de huismus voor verdere teruggang te behoeden heeft Vogelbescherming Nederland en actieplan opgesteld, waaraan gemeentes, bouwbedrijven, hoveniers en burgers een bijdrage aan kunnen leveren. Huismussen zijn standvogels en groepsdieren, die niet ver vliegen. Herkolonisatie kan alleen vanuit bestaande kolonies. De belangrijkste aanbevelingen in het plan zijn: holtes (her)openen en/of nestkasten plaatsen in groepen, het planten van halfhoge inheemse struiken en het inrichten of laten bestaan van ruigtes. En natuurlijk helpt het ook als u uw tafelkleed weer dagelijks uitklopt of kruimels strooit. Graag krijgen we meldingen waar groepen mussen zich nog gehandhaafd hebben in de Haarlemmermeer en ook wie er belangstelling heeft om mee te werken aan het actieplan voor de huismus. Misschien een leuke kerstgedachte of voornemen voor het nieuwe jaar.

 huismusgrootman

 grauwegansgrootvogelsGrauwe Gans23 nov 2008november

Grauwe Gans, 23 nov 2008

 grauwegansgroot

‘s Winters trekken er overal ganzen in lange V-vormige slierten over de Haarlemmermeer, die soms op akkers en graslanden neerstrijken. De meest voorkomende soorten zijn kolgans, rietgans en grauwe gans. De grauwe gans is een van de (vele) goed nieuws natuurverhalen van de laatste tijd. In de 50-tiger jaren was de gans als broedvogel in Nederland praktisch uitgestorven (als wintergast bleef de soort wel algemeen). Jacht, gebrek aan geschikte gebieden en wellicht ook pesticiden hadden daaraan bijgedragen. De drooglegging van de Flevopolders en vooral de Oostvaardersplassen hebben er sterk aan bijgedragen dat ze weer bleven om te broeden. De toename ging daarna explosief. De 150 paar uit 1970 waren in 2005 toegenomen tot zo’n 25.000 paar en de aantallen nemen nog steeds toe. Grauwe ganzen broeden graag op de grond in bosjes met grasland en riet in de buurt. Die vinden ze zelfs, nu de Oostvaarderplassen vol zijn, op allerlei curieuze plaatsen, zoals kruisingen van snelwegen.

Bijzonder

De grauwe gans is de stamvader van de tamme gans en maakt hetzelfde geluid. Tijdens het broedseizoen

verliest een gans al zijn slagpennen tegelijkertijd en kan dan een tijd niet vliegen. In die tijd houdt hij zich het liefste schuil in rietvelden. Daar kan hij, door het eten van jong riet de (excessieve) verspreiding van deze soort tegengaan. Dat de Oostvaardersplassen niet zijn dichtgegroeid, is vooral hieraan te danken. Het broedsucces van de grauwe gans heeft in de Haarlemmermeer tot een speciaal probleem geleid. De vogel weegt wel 3-4 kg en kan aanzienlijk schade aan vliegtuigmotoren aanrichten als hij aangezogen wordt. Daarom worden ganzen tot in de wijde omtrek rond Schiphol zwaar vervolgd. Of dit veel zin heeft als de ganzen van half Europa naar Nederland komen, waar de ecologische omstandigheden verder ideaal zijn, is de vraag.

Waar

In Nederland broeden grauwe ganzen in moerassen en andere vochtige gebieden. In de winter overwinteren ganzen uit heel Noord- en Oost-Europa in Nederland. Broedende grauwe ganzen kunnen in de buurt van de Haarlemmermeer aangetroffen worden in de Kagerplassen, in de kruising van de A9 en de A2 en aan de Ouderkerkerplas. Voor meldingen van broedgevallen in de polder zelf, houden wij ons aanbevolen.

 grauwegans

 kuifeendmangrootvogelsKuifeend20 nov 2008november

Kuifeend, 20 nov 2008

 kuifeendmangroot

In alle brede vaarten, plassen en kanalen (b.v in de hoofdvaart) tref je in deze tijd kleine eendjes aan die bedrijvig aan het duiken zijn. De vrouwtjes zijn bescheiden bruin gekleurd, maar de mannetjes zijn opvallend zwart met een witte flank. Ook hebben de mannetjes een duidelijke zwarte kuif. Bij het vrouwtje is deze kuif kleiner. Beide seksen hebben een prachtig diep geel of oranje gekleurd oog. De kuifeend is een tamelijk talrijke broedvogel van onze streken, maar in de winter zijn ze massaal aanwezig. Het kuifeendje hoort bij de groep van duikeenden. Van deze groep komen in onze polder ook de tafeleend, de toppereend en de krooneend voor. Het voedsel van de kuifeend bestaat voornamelijk uit slakken, mossels en waterinsecten en soms ook waterplanten, die tijdens lange duiken op de waterbodem worden gezocht. Doordat de kuifeend langer onder water kan blijven dan de meeste andere duikeenden, komt hij vaker voor in dieper water. Hij maakt zijn nest bij of in het water en soms zoekt hij bescherming bij kolonies meeuwen of sterns. Hij

broedt i.t.t. de wilde eend laat en maar eenmaal op 6-14 eieren. De jongen kunnen na ca 6 weken vliegen.

Bijzonder

De kuifeend is de afgelopen 30 jaar enorm in aantal toegenomen. Broedden er in Nederland in 1950 nog maar enkele tientallen paren, op het ogenblik wordt het aantal op ruim 10.000 paar geschat. Een mogelijke oorzaak is de snelle verspreiding van het driehoeksmosseltje (een exoot uit Amerika). Maar de kuifeend neemt ook als broedvogel toe in gebieden waar dit mosseltje niet voorkomt.

Waar

De kuifeend is een trek- en zwerfvogel. Hij komt voor in Midden- en West-Europa. en in delen van Azië. Dit eendje houdt van wateren met een rijke oevervegetatie. Je ziet ze vaak op grote meren en diepe sloten. Vooral de Hollandse polders en duinen zijn geliefde broedgebieden. In de winter zoekt de kuifeend vaak open water op, waarbij de Nederlandse populatie aangevuld wordt met heel veel vogels uit het noorden.

 kuifeendpaar

 koperwiekvogelsKoperwiek26 okt 2008oktober

Koperwiek, 26 okt 2008

 koperwiek

Een week geleden is het weer volop begonnen: het ijle ‘tsieie’ geluid in de nacht en ook wel overdag. Dat betekent dat de koperwieken uit Scandinavië, Noord-Rusland en IJsland weer bij miljoenen door ons land trekken, omdat het daar te koud aan het worden is. Koperwieken zijn lijsterachtigen die op zanglijsters lijken. Ze zijn daarvan te onderscheiden door duidelijke witte strepen onder en boven hun oog en de grote koperkleurige vlek in hun vleugeloksel, die soms ook te zien is als ze hun vleugels opgevouwen hebben (zie foto). Vandaar hun naam. De vlucht van koperwieken is krachtig en rechttoe rechtaan en lijkt op die van de spreeuw en totaal niet op de vlucht van merels en zanglijsters, die echte bosvogels zijn, die het liefst in dekking blijven. Koperwieken trekken meestal in groepen van 50- 200 individuen en doen dat vaak in het gezelschap van kramsvogels, een andere lijsterachtige, die veel groter is en geen

bescheiden ‘tsieie’ geluid maakt maar een veel ‘zelfbewuster’ ‘tjak-tsjak’ laat horen.

Bijzonder

De koperwieken hebben een speciale reden om naar en door Nederland te trekken. Nederland staat namelijk vol met bessenstruiken: Lijsterbessen, vuurdoorns, zuurbessen, duindoorns, meidoorns en ga zo maar door. Deze bessen vormen een groot deel van het wintervoedsel voor deze vogels. Verder vullen zij hun dieet aan met wormen en slakken en andere kleine dieren uit gazons en weilanden.

Waar

De koperwiek zien we in Nederland alleen in de winter. In Noord-Europa is de Koperwiek een talrijke broedvogel van naaldbossen en berkenbossen. De populatie van Noord-Europa wordt geschat op 30-40 miljoen exemplaren. Dit aantal kent grote variaties door vooral strenge winters of in jaren met een nat voorjaar en daardoor een slecht broedresultaat. In de winter trekken ze, meestal ′s nachts, naar het zuidwesten. Veel koperwieken blijven in Nederland overwinteren. Alleen als de winter te koud wordt, verlaten ze ons land weer en trekken verder naar het zuiden, of verplaatsen ze zich naar de stad, waar het warmer is.

 patrijsvogelsPatrijs14 okt 2008oktober

Patrijs, 14 okt 2008

 patrijs

De velden zijn weer kaal en vaak is er nog veel eetbaars achtergebleven voor een schuwe en steeds zeldzamer vogel: De patrijs. Een patrijs wordt zo’n 30 cm groot. Zijn poten zijn grijs en kop en keel zijn bruin. Mannetjes hebben een donkerbruine buikvlek in de vorm van een hoefijzer. De vrouwtjes hebben een kleinere vlek en de jongen nog geen. Voor de rest is er weinig verschil tussen mannetjes en vrouwtjes (in tegenstelling tot zijn naaste familielid de fazant). Een patrijzenpaartje blijft i.t.t. kwartels, fazanten en kippen levenslang bij elkaar. De patrijs is moeilijk te houden in gevangenschap omdat hij zeer gevoelig is voor infecties. Patrijzen eten zowel plantaardig als dierlijk voedsel, maar de jongen leven de eerste weken alleen van insecten en ander klein gedierte.

Bijzonder

Tot ver in de 20e eeuw was de patrijs een algemene broedvogel, met enkele honderdduizenden broedparen. Vanaf de jaren vijftig namde stand sterk af. dit teruggang duurt nog steeds voort. Rond 1975 bedroeg het aantal broedparen minder dan 50.000 en begin jaren negentig was het verder geslonken tot 20.000-25.000 paar. De meest recente schattingen

gaan uit van 9000-13000 paar. De afname is het sterkst in het oosten en midden van het land. De patrijs staat daarom op de Rode Lijst van bedreigde en kwetsbare vogelsoorten in Nederland met als status ′kwetsbaar′. De reden voor de teruggang is o.a. dat ze een gebrek hebben aan insecten, wat weer komt doordat er nauwelijks kruidenrijke overhoekjes meer zijn. Bovendien zijn er onvoldoende stoppelakkers om te overwinteren. Verder sneuvelen er in het broedseizoen veel nesten door maaien. Op de patrijs mag daarom op dit moment in Nederland niet gejaagd worden.

Waar

In de Haarlemmermeer kun je op verschillende plaatsen nog patrijzenfamilies tegenkomen. SOVON schat dat er hier nog 4-10 paartjes per kilometerhok (5x 5 km) voorkomen, maar dat lijkt mij zeer aan de ruime kant. De patrijs is een standvogel die in het overgrote deel van Europa voorkomt met uitzondering van het uiterste zuiden en noorden. Oorspronkelijk waren het steppebewoners, maar de soort heeft zich aangepast aan het leven in kleinschalig agrarisch landschap. Akkerland is het meest in trek, vooral als dit wordt afgewisseld met ruige dijken, slootranden, wegbermen en houtwallen.

 patrijsgroot

 bruinekiekendiefvrouwvogelsBruine Kiekendief24 jun 2008juni

Bruine Kiekendief, 24 jun 2008

 bruinekiekendiefvrouw

De bruine kiekendief is een grote roofvogel, die meestal laag over moerassen en rietvelden zweeft, met de voor alle soorten kiekendieven kenmerkende houding : een golvende vliegbeweging, met de vleugels in een ondiepe V-vorm. Bruine kiekendieven nestelen op de grond in het riet of in graanvelden. De bruine kiekendief jaagt voornamelijk op prooien als kleine zoogdieren, vogels en amfibieën. Het vrouwtje is, net als de andere twee in Nederland voorkomende kiekendieven, groter dan het mannetje. Het vrouwtje heeft een donkerbruine kleur met een lichtere staart en een opvallend lichtgele kruin. Het broedseizoen voor de bruine kiekendief begint vanaf begin april maar loopt door tot ver in mei. Er worden meestal 4 - 6 eieren gelegd, afhankelijk van het voedselaanbod in dat seizoen.

Bijzonder

De kiekendief is het symbool van de provincie Flevoland, waar de soort een sterk in aantal toenam door de rietvelden in de net drooggelegde polders. Van Flevoland uit herkoloniseerde de soort

Nederland na de 60-tiger jaren toen ook het gebruik landbouwgif minder werd.

Waar

De bruine kiekendief heeft als broedgebied de voorkeur voor moerasgebieden met (oude) rietvelden. Door het verdwijnen van veel van deze gebieden is de vogel de laatste eeuw sterk in aantal achteruit gegaan. Het aantal broedvogels in Nederland wordt geschat op 1000-1500 paar . De laatste jaren is de soort vrij succesvol. Met het toenemen van het aantal broedparen is echter ook de kieskeurigheid ten aanzien van broedplaatsen afgenomen. Ze broeden nu ook in akkers, smalle rietslootjes e.d. In en om de Haarlemmermeer komt de soort ook voor b.v in de rietmoerassen van de Westeinder, bij Schalkwijk en ook broedt er in ieder geval 2-3 paar elk jaar in de graanvelden van de polder. Een bijzonder verschijnsel is dat aan het einde van het broedseizoen verschillende families uit de wijde omtrek zich verzamelen om gemeenschappelijk te overnachten. Bij Badhoevedorp was dat vorig jaar het geval met enige tientallen exemplaren.De soort overwintert voor een klein deel in Nederland, maar de meeste bruine kiekendieven trekken naar West Afrika, met name Senegal en Mali.

 bruinekiekendiefman

 braamsluipervogelsBraamsluiper1 jun 2008juni

Braamsluiper, 1 jun 2008

 braamsluiper

De braamsluiper is een onopvallende vogel die zich zelden buiten dicht struikgewas laat zien. De vogel verraadt zich eigenlijk alleen door zijn opvallende, ratelende zang, die vanaf een verborgen zangpost wordt voorgedragen. Vooral in de periode vanaf koninginnedag tot ongeveer half juni. Erg opvallend gekleurd is de braamsluiper ook niet. Zijn meest opvallende kenmerk is zijn hals: slechts weinig zangvogels hebben zo′n witte keel (zie foto). Van dit kenmerk is zijn Engelse naam afgeleid (Lesser whitethroat: kleine witkeel). Het nest van de braamsluiper wordt gemaakt in een dichte en bij voorkeur stekelige struik, zoals een meidoorn, vuurdoorn of braamstruik. Deze omgeving gebruikt de braamsluiper ook om naar insecten, rupsen en spinnetjes te zoeken. Het nest bestaat uit een met verdord gras en worteltjes opgebouwde kom. Het mannetje bouwt meerdere nesten op een goed verstopte plaats. Het vrouwtje kiest één van deze nesten

en bekleedt het met plantenmateriaal en spinrag.

Bijzonder

Onze braamsluipers overwinteren helemaal in Oost-Afrika. Andere verwante broedvogels, zoals de grasmus, overwinteren in de strook ten zuiden van de Sahara. Deze vogels hebben vallen vaak ten offer aan de regelmatig optredende droogtes in dat gebied. De braamsluiper heeft daar minder last van.

Waar

De braamsluiper is een vrij schaarse broedvogel. Hij verschijnt in de eerste helft van april en is voor 15 september weer vertrokken. De broedvogelstand van de braamsluiper neemt gestaag toe, ten opzichte van een paar decennia geleden. SOVON schat de stand op dit moment op 13.000 tot 20.000 paar in Nederland. Braamsluipers verblijven slechts zelden in boomloze gebieden. De soort geeft de voorkeur aan gebieden met een hogere begroeiing en mijdt terreinen met slechts hier en daar een struik. In heel Nederland lijkt de braamsluiper te profiteren van de typische nieuwbouwwijk-tuinen en beplantingen met meidoorn, berberis en ligustersoorten. Deze trend is ook in de Haarlemmermeer waarneembaar. Vooral in wat oudere wijken met hogere bomen en struiken is de ratelende zang elk jaar meer te horen. De laatste 5 jaar is de braamsluiperstand alleen al in de oude kern van Hoofddorp van 1-2 naar een paar of 10 toegenomen. Meldingen bijzo

 boerenzwaluwvogelsBoerenzwaluw20 apr 2008april

Boerenzwaluw, 20 apr 2008

 boerenzwaluw

Het voorjaar is wel koud geweest tot dusver, maar onafwendbaar komt de zomer dichterbij. Vorige week zag ik de 1e boerenzwaluwen, zoals meestal. Deze vogels hebben een reis uit Afrika achter de rug, vaak zelfs van beneden de Sahara. Zijn lange vleugels en zijn slanke lijf maken hem zeer geschikt om in de lucht achter insecten aan te jagen. De boerenzwaluw komt veel voor in de omgeving van water, waar ze rakelings overheen scheren om muggen te verzamelen. Zijn zang bestaat uit een druk gekwetter dat vaak tijdens de vlucht te horen is of vanaf een telefoondraad. De boerenzwaluw leeft vooral in de buurt van boerderijen, en aan de rand van steden waar hij al vliegend muggen, motten, vliegen en kevertjes vangt. Water drinken doet hij ook tijdens de vlucht door laag over het water te scheren . Hij bouwt nesten in boerenstallen, onder bruggen en afdaken. Er zijn 2-3 legsels per jaar. Meestal komen de zwaluwen weer terug op hun oude nest. Het nest is een halve cirkelvormige kom die van boven open is. Het wordt gemetseld met vochtige aarde

en speeksel en verstevigd met gras en haar. Het nest wordt altijd zo geplaatst dat er een dak, brug of dakgoot boven zit zodat het vanuit de lucht niet opvalt.

Bijzonder

De naam boerenzwaluw verraadt de band die deze vogel met de mens heeft. Van april tot oktober verblijven deze trekvogels in Nederland. De winter wordt in Afrika doorgebracht. Boerenzwaluwen zijn echte luchtacrobaten. Het is bekend dat een mannetje meer succes heeft bij de vrouwtjes naarmate zijn staartpunten langer zijn.

Waar

schijnlijk zijn mannetjes met lange staarten wendbaarder en daardoor in staat meer insecten te vangen.

Waar

De boerenzwaluw broedt in geheel Europa. Verder behoren ook grote delen van Rusland, West Siberië en van Turkije tot NW India tot zijn broedgebied. De voorkeur van boerenzwaluwen voor melkveestallen, manegegebouwen e.d. maken, dat de soort bij vogeltellingen nauwelijks wordt geteld. Door veranderingen in de bedrijfsvoering bij veel boerderijen is de boerenzwaluwstand in West-Europa teruggelopen. Sinds de jaren negentig lijkt de populatie in ons land echter redelijk stabiel. Volgens een ruwe schatting broeden er in Nederland zo′n 100.000 tot 200.000 paar.

 wintertalingvogelsWintertaling30 mrt 2008maart

Wintertaling, 30 mrt 2008

 wintertaling

Ook vanuit de trein kun je leuke dingen zien. Van Hoofddorp tot Nieuw-Vennep ligt langs de spoorlijn aan de westkant een ecologische oever (herkenbaar aan riet en glooiende en golvende oevers).
Zulke waterpartijen zijn een paradijs voor allerlei waterdieren, zoals wilde eenden, meerkoeten en waterhoentjes, maar ook voor bijzondere soorten zoals de krakeend, de slobeend, de smient en tot mijn verrassing ook 2 paartjes wintertalingen. Al die watervogels maken zich klaar voor, of zijn reeds aan het broeden.
Een wintertaling is het kleinste eendje van Nederland. Hij meet nog niet de helft van een wilde eend. Vooral het mannetje heeft een prachtig kleed (zie foto). Met de kop onder water zoeken ze kleine waterdieren en plantaardig materiaal. Waterrijke gebieden met een welige begroeiing van de oevers vormen zijn favoriete leefgebied, maar alleen op voorwaarde dat het er rustig is. Watersport en recreatie verjagen deze soort heel snel. Met het sterk groeiend aantal ecologische oevers zou de Haarlemmermeer

een nieuwe uitwijkplaats voor deze bijzondere soort kunnen worden.

Bijzonder

Sinds de jaren tachtig is het aantal broedende wintertalingen flink afgenomen. Hoewel deze soort, in tegenstelling tot de zomertaling, geen beschermde Rode Lijstsoort is, betekent dat niet dat de wintertaling heel algemeen zou zijn of niet wordt bedreigd. In veel kleinere moerasgebiedjes, vennen en in hoogveengebieden is deze soort inmiddels zeldzaam geworden. Dit effect is vooral merkbaar in het oosten en in het zuiden van Nederland. Vooral als het voorjaar erg droog is, heeft de wintertaling het moeilijk. Het aantal wintertalingen zit in de lift - omlaag, welteverstaan. In de periode 1998 - 2000 is vastgesteld dat er zo′n 2000 tot 2.500 paren in Nederland broeden, maar dat de soort sterk inlevert aan verspreidingsgebied.

Waar

In de winter komen vaak hoge aantallen voor. Bij wintertellingen in de jaren negentig zijn wel eens 25.000 exemplaren geteld. In koude jaren trekt de soort naar Zuidwest- Europa. In ons land mag hij niet bejaagd worden, maar in die regio vallen er tienduizenden slachtoffers per jaar. In onze regio komt de wintertaling het hele jaar voor, als broedvogel en wintergast. In het noordoosten van Europa komt het dier alleen in de zomer voor, terwijl in het Middellandse Zeegebied wintertalingen alleen ′s winters te vinden zijn. Meldingen bijzo

 aalscholvervogelsAalscholver10 feb 2008februari

Aalscholver, 10 feb 2008

 aalscholver

Jaarlijks komen er meer aalscholvers naar de Haarlemmermeer. Hun naam is misleidend, want paling vormt maar een zeer klein deel van zijn menu, dat vooral uit brasem en voorn bestaat. Commercieel is de brasem niet interessant en aalscholvers vormen dus niet of nauwelijks een concurrent van de binnenvisserij. Wel weten ze in de winter feilloos de plekken te vinden waar vissen overwinteren. Zo’n plek bezoeken ze tot alle vissen van de voor hun geschikte jaarklassen op zijn. Hun dagrantsoen van 0.5 - 1 kg bestaat uit zo’n 5-10 vissen. De ongeveer 250 vogels die onze polder bezoeken eten dus zo’n 125-250 kg vis per dag. Door de vermeende concurrentie om paling is de aalscholver erg vervolgd, waardoor er rond 1960 minder dan 1000 paar over waren. Door bescherming, maar ook door toename van hun prooidieren

(fosfaat), heeft de stand zich weten te herstellen tot zo’n 20.000 broedparen verdeeld over 25 kolonies.

Bijzonder

Aalscholvers broeden in kolonies, meestal in moerasbossen met elzen. Door de uitwerpselen van de aalscholvers, die rijk zijn aan salpeterzuur, sterven de bomen waarin de nesten worden gemaakt. Anders dan de meeste andere watervogels, bevat hun verenkleed slechts zeer weinig vet. Daardoor is het niet waterdicht en wordt een duikende aalscholver drijfnat. De vogels drogen zich door met kenmerkend half gespreide vleugels op een paal of in een boom te gaan zitten.

Waar

Aalscholvers komen wereldwijd voor. Onze vogels trekken alleen in heel koude winters weg naar Frankrijk en Spanje tot in Tunesië. In normale winters worden onze vogels aangevuld met dieren uit vooral Denemarken. Waar vossen leven, broedt de aalscholver in bomen. Op eilanden, zoals Vlieland, wordt ook op de grond gebroed. Het belangrijkste broedgebied is rond het IJsselmeer. De grootste kolonie is in de Oostvaardersplassen (8400 paar). Op het IJselmeer wordt meestal in grote groepen samen gejaagd. Daarbuiten, zoals in de Haarlemmermeer, wordt vooral solitair gevist.

 nijlgansvogelsNijlgans8 dec 2007december

Nijlgans, 8 dec 2007

 nijlgans

Deze week al weer een dier uit zuidelijker streken, die zich definitief gevestigd heeft als standvogel in ons land en in onze polder: de nijlgans. De Nijlgans is geen echte gans, maar eigenlijk een grote eend, verwant aan de Bergeend. Kenmerkend is de bruine “bril” en de witte bovenvleugels. Zijn geluid lijkt op twee stenen die langs elkaar schuren. De Nijlgans leeft voornamelijk op land, hoewel hij goed kan zwemmen. De soort eet vooral zaden, bladeren, grassen en stengels, maar hij is ook niet vies van insecten en wormen. Mogelijk omdat de nijlgans uit warme streken komt, heeft hij een afwijkend broedgedrag. Op dit moment al zoeken overal paartjes op de akkers een territorium om te gaan broeden. De eerste jongen zijn er soms al in januari en zeker in februari.

Bijzonder

Ondanks zijn afkomst uit zeer warme streken, gedijt de Nijlgans zeer goed in ons klimaat. Ze overleven zelfs de strengste winters. De voortplanting verloopt eveneens

voorspoedig. Het vrouwtje legt tussen de zes en acht eieren. De pullen worden bijna allemaal groot. De ouders beschermen hen met een aan fanatisme grenzende agressie. Agressie is trouwens toch het handelsmerk van de Nijlgans. Ze “kraken” nesten van andere vogels. Zelfs kraaien, haviken en torenvalken jagen ze uit hun nest of nestkast. Soms broeden ze wel 20 m hoog. De pullen laten zich gewoon omlaag vallen en overleven dit zonder verwondingen. Ook nesten van de Grauwe Gans worden gekraakt. Eenden en meerkoeten, toch ook geen lieverdjes, worden zonder pardon aangevallen.

Waar

Nijlgansen komen oorspronkelijk uit Egypte en Afrika ten zuiden van de Sahara. Enkele in 1967 ontsnapte of uitgezette dieren zijn de aanstichters van de enorm snel groeiende populatie. De aantallen nemen nog altijd sterk toe met 11- 16 % per jaar. Elk jaar produceert ieder paar gemiddeld 4,3 nieuwe exemplaren. In sommige gebieden is een nijlgansenverzadiging opgetreden; de soort wordt er niet talrijker meer. In die gebieden grootgebrachte jongen, wijken uit naar omliggende gebieden. De verwachting is dat de komende decennia de toename in Nederland langzaam tot staan zal komen en de nijlgans zich verder over West-Europa zal verspreiden (gegevens SOVON). In de Haarlemmermeer houden zich al minstens 100 paar op.