bovenfoto

Columns:

Sinds april 2006 is er elke week de natuurcolumn 'Ontdek de Flora en Fauna van de Haarlemmermeer' verschenen in de Hoofddorpse Courant.
Deze column heeft ten doel belangstelling voor de verrassende verscheidenheid van planten en dieren in onze leefomgeving te wekken.

 

Hieronder staat de column van deze week en daar onder kunnen alle tot dusver verschenen columns opgevraagd worden. U kunt deze selecteren en sorteren op categorie, onderwerp, het jaar en de tijd van het jaar. Combinaties zijn ook mogelijk. Ga naar de oudere columns

florafauna

Gewone Es, 10 okt 2020

 es

Es

De es is met de populier een van de karakteristieke bomen van deze polder. Overal langs wegen is hij aangeplant en ook zaait hij zich goed uit. De es heet in het latijn Fraxinus excelsior omdat hij als hij de kans krijgt heel hoog (wel 60m) kan worden. Maar een boom zijn gang laten gaan, is niet aan onze poldergenoten besteed. Ik ken er geen een, die ook maar in de buurt van deze hoogte komt. De meesten worden al lang daarvoor gekapt. Essen, net als esdoorns hebben nu zaden met vleugels eraan. De es maakt losse zaden met 1 vleugel, de esdoorn paren met 2 vleugels. Die worden lekker ver met de wind mee genomen.

Bijzonder

Er is vele bijzonders te vermelden over de es. Zo heeft deze boom de laatste 10 jaar te lijden van een nieuwe ziekte: De essentaksterfte. Dat is een nieuwe schimmel die bv in de Flevopolder halve bossen doet afsterven. Leuker

is dat de es heel mooi recht en sterk hout met grote trekkracht levert, waarmee gereedschapsstelen (hamer, spade en ook speren) werden en worden vervaardigd. Zo heeft elke houtsoort zijn eigen karakteristieken en toepassingsmogelijkheden. Ook leuk is dat een es de oudste boom van de polder is. Deze polder is in 1852 drooggelegd en de oudste essen die altijd in deze polder gestaan hebben, zijn minstens 330 jaar oud (van 1701).Ze staan rond de eendenkooi Stokman. Hoe het kan dat ze ouder zijn dan de polder is omdat (dijken van) de ringvaart niet in het water van het meer gebouwd konden worden. Er is dus overal een strook land en in dit geval een schiereiland in de polder meegenomen. En ze staan daar niet voor niets. Essen zijn net als wilgen nl heel goed te knotten. En als je ze om de 10 jaar knot heb je heel mooi haard hout of hout voor palen. Daarom werd er in het verleden al essenhakhout op dijkjes geplant die met hun wortels de dijken bij elkaar hielden .

Waar

Essen zijn oer Hollandse bomen. De gedijen goed in onze natte klei en veen. Ze staan vaak in moerassen of aan sloot kanten, maar ze zijn ook vaak langs wegen en in de bebouwde kom aangeplant.





Meldingen van bijzondere dieren en planten kunt u doorgeven aan info@stichtingmeergroen.nl .

Persoonlijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkdagen tussen 9:00 en 12.30
en op woensdag tot 17:00 uur op Meijerslaan 17 in Heemstede.


Oudere columns:

 

SELECTIEMENU; selecteer op:

categorie
en/of
titel zoekterm

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/of
maand
en/of
jaar
 
 

SORTEREN: klik op de kopjes in de titelbalk om de sortering te veranderen

 

Blz [ 3 ] Ga naar vorige1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 …>> volgende

thumb

categorie: titel: datum: maand:

open/dicht

 lepelaarnestinboomvogelsLepelaar13 aug 2011augustus

Lepelaar, 13 aug 2011

 lepelaarnestinboom

Het is niet gebruikelijk in deze column om een zelfde soort 2x te behandelen. Sinds juni 2006 toen de eerste lepelaars in de polder verschenen, die de aanleiding waren voor de 1e column, is er echter veel gebeurd. In die tijd bestond de indruk dat de in de polder foeragerende dieren uit het Naardermeer kwamen. De werkelijkheid bleek later veel opwindender te zijn. De afgelopen 2 jaar krijg ik in de zomer wekelijks meldingen van aantallen oplopend tot wel 20 stuks. Wat is er aan de hand: Lepelaars zijn overwegend grondbroeders, die slechts in een paar landen buiten Nederland voorkomen. Belangrijke kolonies leven er in het Naardermeer, de Wadden en de Oostvaardersplassen. Door o.a de toename van de vos worden veel lepelaarjongen niet volwassen. Mogelijk in reactie daarop, hebben sommige lepelaars zich aangepast door in bomen te gaan

broeden. Rond 2006 hebben zich een aantal lepelaars opgedrongen in een reigerkolonie net buiten de Haarlemmermeer bij Haarlem. In 2009 waren er 5 nesten, in 2010 8 en dit jaar zijn 14 reigerparen van hun nest verdreven. Bij een bezoek aan deze kolonie dit voorjaar konden we constateren dat alle nesten 2-4 bijna volwassen jongen telden. Bij gemiddeld 3 jongen zouden er dus wel 42 jongen grootgebracht zijn! Het zijn een deel van deze lepelaars (vooral als de jongen zelf kunnen vliegen) die hun voedsel gaan zoeken in de Haarlemmermeer. Daarbij hebben ze een voorkeur voor ondiepe sloten en vaarten. Vroeger waren deze er nauwelijks in de polder, maar tegenwoordig worden er steeds meer natuurvriendelijke oevers aangelegd, die voor lepelaars geschikt lijken.

Bijzonder

In het wandelbos in Hoofddorp is ook een reigerkolonie. In juli dit jaar is er geconstateerd dat er een lepelaar op een van deze reigernesten was neergestreken. Dat zou kunnen betekenen dat een of meer exemplaren de situatie daar aan het verkennen zijn en dat ze volgend jaar ook in de polder komen broeden! Laten we hopen dat deze ontwikkeling zich doorzet.

 draaihals2vogelsDraaihals21 mei 2011mei

Draaihals, 21 mei 2011

 draaihals2

Op 21 mei 2006 was de 1e Flora en Fauna column. Inmiddels hebben we ca. 300 soorten besproken en zijn er nog ca. 10.000 Haarlemmermeerse soorten te gaan. Vandaag een zeer bijzondere jubileum soort: de draaihals. Een dood exemplaar trof een Heimanshofvrijwilliger op 7 mei aan in haar tuin in Vijfhuizen. Of er een relatie is met rigoureus beheer van bosplantsoen in de buurt is niet duidelijk. De draaihals is een soort specht met een zeer teruggetrokken manier van leven. Hij heeft een uitstekende schutkleur die lijkt op boomschors (zie foto), zit vaak op de grond en wordt ook daarom vaak over het hoofd gezien. De draaihals dankt zijn naam aan zijn flexibele hals, die in vreemde kronkels gedraaid kan worden (zie filmpjes op youtube via zijn Latijnse naam: Jynx torquilla) Gebroed wordt in oude, meestal deels vermolmde loofbomen, omdat zijn snavel niet zo sterk is als bij andere spechten. Hij leeft vooral van mieren en hun poppen.

Bijzonder

De laatste decennia is de draaihals sterk in aantal afgenomen.

Begin jaren "90 waren er nog 80-180 paar in ons land en rond 2000 nog max. 65. De afname van de draaihals lijkt het gevolg van vochtiger zomers en het verdwijnen van zijn voorkeursbiotoop. Mogelijk spelen ook problemen in de overwinteringsgebieden een rol en verzuring van de grond en het gebruik van pesticiden, waardoor het aantal mierenkolonies afneemt. De draaihals is gebaat bij een zo natuurlijk mogelijk bosbeheer. Dat houdt o.a. in: het laten staan van dood (loof)hout, een mix van open en gesloten bos en kale open plekken. Zoals alle spechten heeft de draaihals een lange kleverige tong. De draaihals staat als ernstig bedreigd op de Nederlandse rode lijst. Internationaal is het geen bedreigde diersoort.

Waar

De draaihals is een zeer schaarse broedvogel vooral op de Veluwe. Hij broedt in een groot deel van Eurazië tot Japan en in NW-Afrika. Het is de enige trekvogel onder de spechten en overwintert ten zuiden van de Sahara. De voorjaarstrek is in april en mei. Mogelijk was onze vogel op trek

 draaihalskrommenek

 klapekster1vogelsKlapekster19 mrt 2011maart

Klapekster, 19 mrt 2011

 klapekster1

Deze week werd een heel bijzondere vogel gemeld uit Zwaanshoek en wel een klapekster. Bijna alles aan deze vogel is bijzonder. Het is b.v geen eksterachtige, maar een zangvogel. Waarom hij klapekster heet heb ik niet kunnen achterhalen. En verder is het een zangvogel die zich roofvogelmanier heeft eigen gemaakt. Hij heeft nl een haakvormige bek, waarmee hij zijn prooien vangt. Klapeksters zijn, als je hun gewoonten ken, al vanaf een afstand te ontdekken, omdat ze in de topjes van boompjes, struiken, hekken of telefoondraden zitten. Daarvandaan speuren ze de omgeving af naar prooi die meestal bestaat uit wat grotere insecten, hagedissen, kleine knaagdieren of zangvogeltjes tot wel de grootte van een zanglijster. In Nederland zijn het meestal muizen en kevers. En als hij een goede vangdag heeft, gebruikt hij doorns, takjes en prikkeldraad om zijn prooien tijdelijk ´op te slaan´ als voedselvoorraad, soms nog half levend.

Bijzonder

De klapekster was tot 1950

een vrij zeldzame broedvogel van ons land. In 1998 is het laatste broedpaar geconstateerd. Maar in de winter kan deze bijzondere soort als wintergast en doortrekker uit Scandinavië nog wel eens gezien worden. Maar ook dan is hij met 200- 400 exemplaren niet erg algemeen. De klapekster heeft in Nederland de status van zeer bedreigde rode lijst soort. De achteruitgang is begonnen door de ontginning van zijn voorkeursbiotoop. De overgebleven gebieden werden ongeschikt door recreatie en spontane opslag van bos. Dat komt omdat de klapekster jaagt vanuit uitzichtpunten.

Waar

Voor 1950 was de klapekster een schaarse broedvogel (mogelijk enkele honderden broedparen) van uitgestrekte heidevelden en hoogvenen met wat struikgewas en her en der een boompje. Dergelijke landschappen waren te vinden in Drenthe en het zuidoosten van Friesland en in Gelderland en Noord-Brabant en de duinstreek. De klapekster heeft een brede verspreiding over het hele noordelijk halfrond, en wereldwijd is de soort daarom niet bedreigd.

 klapekster2

 sijsgrootvogelsSijs5 mrt 2011maart

Sijs, 5 mrt 2011

 sijsgroot

De laatste weken is het een lust voor het oor om door De Heimanshof te lopen. Naast een elke minuut roepende groene specht en een miauwende buizerd telde ik vandaag maar liefst 10 soorten roepende en fluitende zangvogels met de lente in het hoofd. Het betrof de pimpel- en de koolmees, zanglijster, putter, vink, heggenmus, winterkoning, roodborst en groenling en 1 soort die ik maar niet thuis kon brengen. Het was een klein bewegelijk vogeltje dat in groepen hoog in de lariksen, berken en elzen zat en zich duidelijk te goed deed aan de eindeloze voorraad zaadjes die daar bij warm weer uit vrij komen. En daarbij stroomde een onafgebroken stroom van gezellige geluidjes naar beneden. Maar zien lieten ze zich niet- tot vandaag. Ik twijfelde tussen sijs, barmsijs en Europese

kanarie en het bleken sijsjes.

Bijzonder

De sijs behoort tot de vinkachtigen, net als de vink, de putter en de groenling en is een van de kleinste soorten. Net iets groter dan een pimpelmees. Als vinkachtige eet hij voornamelijk zaden en hangt daarbij vaak behendig aan het uiteinde van een dunne tak.

Waar

De sijs is vooral een vogel van naaldbossen. Enkele decennia geleden was de sijs als broedvogel nog zeldzaam in Nederland. Tegenwoordig broeden jaarlijks enkele duizenden sijzen in Nederland en dan vooral in het oosten van het land. Veel vogels uit Scandinavië en Rusland overwinteren in Nederland, waardoor de vogel ´s winters in veel grotere aantallen aanwezig is. In de winter komt de sijs ook meer buiten naaldbossen voor. En dat verklaart de sijsjes in De Heimanshof. Dat ze al ruim 2 maanden hier verblijven, geeft hoop dat ze hier misschien ook genoeg voedsel vinden om te blijven broeden. Gezien hun gezellige stemmingmakerij in het vroege voorjaar zou dat een aanwinst voor de flora en fauna van de Haarlemmermeer zijn. Graag hoor ik waar ze nog meer in onze polder zijn waargenomen

 heggenmusvogelsHeggenmus20 feb 2011februari

Heggenmus, 20 feb 2011

 heggenmus

In februari is het nog volop winter. Toch zijn er al veel signalen dat het voorjaar aan kracht wint. Vooral in het bosplantsoen ontstaat een hoopvolle groene gloed van jonge planten. Dit zijn vooral de bolgewassen die vanuit de opgeslagen energie in de bol omhoogschieten. Een tiental soorten daarvan bloeien zelfs al. Op een mooie winterdag kriebelt het ook bij de vogels. Eén van de vogels die elk jaar bij de eersten hoort, die gaat zingen, is de heggenmus. De eerste hoorde ik dit jaar op 8 februari. Dat was vroeger dan vorig jaar. Ondanks zijn vroege zang broedt hij pas half april, hij wil alvast zijn territorium zeker stellen. De heggenmus is een bescheiden vogeltje dat tussen de struiken en heggen scharrelt. Hij is ongeveer zo groot als een roodborst. Het is een egaal gekleurd vrij donker vogeltje met een grijze kop en roodbruine poten. Hij lijkt op een vrouwtje huismus,

maar de grijze kop en zijn dunne snaveltje maken een duidelijk verschil. Wat ook duidelijk verschillend is, is de zang. De zang van de heggenmus lijkt niet op het getjilp van mussen. Het is echt een liedje, maar wel één waar weinig melodie in zit.

Bijzonder

Heggenmussen zoeken hun voedsel op de grond, maar altijd in de buurt van dekking. Het is een echte insecteneter maar in de winter eten ze noodgedwongen ook wel brood van de voedertafel. De heggenmus nestelt in dicht struikgewas of onderin een conifeer. Het vrouwtje legt dan 4 a 5 blauwe eieren. Buiten het broedseizoen leeft hij alleen. De soort is zeer algemeen met een geschat aantal broedparen in Nederland van rond de 200.000.

Waar

De heggenmus heeft een voorkeur voor naaldbossen en gemengde bossen met veel ondergroei. Daarom is hij ook veel te vinden in parken en tuinen. De heggenmus is in Nederland een standvogel. Alleen als de bevolkingsdichtheid te groot is trekt hij naar aangrenzende gebieden. In noord en oost Europa is het een trekvogel, daar wordt het voor een insecteneter te koud in de winter.

 wide zwaangrootvogelsWilde Zwaan13 feb 2011februari

Wilde Zwaan, 13 feb 2011

 wide zwaangroot

Naar aanleiding van de column over de kleine wilde zwaan, kwamen er meer meldingen over zwanen. Zwarte zwanen zwommen in de Hoofdvaart bij Abbenes, in de Toolenburgse plas en bij Schiphol-Rijk en in de sneeuw bij de Boseilanden was een hele familiegroep wilde zwanen, bestaande uit een tiental volwassen en jonge exemplaren neergestreken (zie foto).En ook vloog er één zoekend over de Heimanshof. De kleine zwaan en de wilde zwaan hebben beide geel op de snavel. Bij de wilde zwaan is het geel veel prominenter en de soort is bijna zo goot als een knobbelzwaan. De wilde zwaan eet vrijwel uitsluitend waterplanten. In de winter eet hij ook knollen, gevallen en ontkiemend graan en ander plantaardig materiaal.

Bijzonder

Van de zwanen die in het wild voorkomen is dit de minst algemene soort in Nederland. 1500 exemplaren in een winter is al vrij veel. Een stuk minder talrijk dan de kleine zwaan dus. Ook de wilde zwaan is een echte wintergast die afwezig is van mei tot en met september.

In het Frans heet de wilde zwaan zingende zwaan om de luide trompetachtige geluiden die hij vooral tijdens de vlucht maakt. Naast het trompetgeluid kan de wilde zwaan ook vliegend van de knobbelzwaan worden onderscheiden. Zijn vleugelslag maakt itt die van de knobbelzwaan geen fluitend geluid en zijn nek blijft helemaal recht i.p.v. de sierlijke bocht waarin de knobbelzwaan hem houdt.

Waar

Wilde zwanen broeden langs poelen op toendra´s, in veenmoerassen en bij kleine meren in afgelegen gebieden in Scandinavië en het noorden van Rusland en Siberië. In het najaar trekken wilde zwanen naar het zuiden om te overwinteren op de weiden en in plassen. De broedgebieden van de wilde zwaan liggen dichterbij dan die van de kleine zwaan. In zuid Zweden broeden ze al. Maar de meeste broeden in Noord Rusland, Siberië en IJsland. Het lijkt erop dat de Wilde zwanen die op IJsland broeden niet in Nederland overwinteren. De vogels die in Nederland overwinteren komen dus van Scandinavië en Rusland.

 wildezwaanboseilanden

 kleinezwaanvogelsKleine Zwaan2 jan 2011januari

Kleine Zwaan, 2 jan 2011

 kleinezwaan

Een oplettende lezeres attendeerde mij op een aantal Kleine Zwanen, die langs de N205 zaten. Al jaren speur ik naar deze soort en zijn familielid de Grote Wilde Zwaan. Er zijn er namelijk elke winter vele duizenden van in Nederland, maar ook op waarneming.nl bleef onze polder een witte vlek. Nu hebben er een paar de weg gevonden en mogelijk worden het er meer. In hun broedgebied eten de kleine zwanen hoofdzakelijk wortels, bladeren en stengels van waterplanten. De jongen eten ook insecten en insectenlarven. In herfst en winter eten de kleine zwanen het liefst wortelknolletjes van fonteinkruid. Helaas is vanaf de jaren vijftig deze soort sterk afgenomen door vervuiling en knobbelzwanen. Hierdoor zijn de wilde zwanen overgestapt op ander voedsel zoals gras en overgebleven oogstresten van o.a. bieten en aardappels. En die vinden

ze ook elders, zoals in onze polder.

Bijzonder

De jongen worden door beide ouders verzorgd en kunnen na 9-10 weken vliegen. Dat is nodig, omdat de winter in Siberië al rond half september begint en dan moeten ze sterk genoeg zijn voor een vliegtocht van 4.000 kilometer. De jongen blijven het 1e jaar bij hun ouders. Pas als de ouders weer in Siberië terug zijn valt het familieverband uit elkaar. De ouders gaan naar hun broedterritorium terwijl de jaarlingen in grote groepen (hangjongeren of ´hangzwanen´) samenscholen in de mondingen van rivieren en beschutte poelen. Veel van deze jaarlingen sluiten zich op de herfsttrek weer bij hun ouders aan. Op hun 3e of 4e jaar gaan ze zelf een partner zoeken. Kleine zwanen behoren tot de meest partnertrouwe vogels ter wereld. De band is altijd voor het leven en uit ringonderzoek is gebleken dat echtscheidingen eigenlijk nooit voorkomen. Het langst bekende huwelijk was 19 jaar.

Waar

Kleine zwanen broeden in het toendragebied van Noord-Rusland en Siberië. De populatie van 20-25000 vogels ten westen van de Oeral overwintert in Noordwest-Europa. Het grootste deel daarvan overwintert in Nederland

 goudplevierwinterkleedvogelsGoudplevier19 dec 2010december

Goudplevier, 19 dec 2010

 goudplevierwinterkleed

Iedereen kent de kievit. Het is een steltloper, die gespecialiseerd is in jagen op het oog. Daarom leeft deze soort op kale akkerlanden en korte graslanden. Andere steltlopers zoals de grutto en de wulp jagen op het gevoel. Met hun lange gevoelige snavels prikken ze in de (zachte) grond. De kievit maakt deel uit van een veel grotere groep oogjagers: de plevieren. In de Nederlandse vogelgidsen staan wel 13 soorten plevieren. Eén van deze soorten, de goudplevier, is een regelmatige bezoeker van onze polder gedurende de trek. Je treft hem aan tussen de grote groepen kieviten die langs de A4 op de kale velden voedsel zoeken, gedurende de hele winter. Tenminste zolang het niet te hard vriest, want dan verhuist iedereen voor de vorstgrens uit, naar het zuiden. De goudplevier is in zijn zomerkleed een prachtige verschijning. Zie foto. In zijn winterkleed is hij heel wat minder deftig (zie inzet). In de herfst zijn er echter nog heel wat exemplaren die geheel of gedeeltelijk in ´prachtkleed´ zijn.

Bijzonder

Het verlies van biotoop

is de oorzaak dat de goudplevier in Nederland geen broedvogel meer is. Het laatste broedgeval werd in 1974 vastgesteld bij Budel en dat was de eerste keer na het voorlaatste broedgeval bij Fochteloo in 1937. Wellicht dat het Plan Goudplevier van Natuurmonumenten in Drenthe weer mogelijkheden biedt. Als trekvogel gaat het niet slecht met de goudplevier. Tussen 1980 en 2006 namen de aantallen toe, steeds met een maximum van enige honderduizenden in de maand november over heel Nederland. De goudplevier was het onderwerp van discussie tussen de directeuren van de Guinness Brouwerijen aan het begin van de jaren vijftig. Eén van de heren dacht dat deze vogel de snelste ter wereld was. Uiteindelijk is uit deze discussie het Guinness Book of Records ontstaan.

Waar

In Nederland zijn goudplevieren het meest in het voorjaar (maart-april) en in het najaar (september-december) te zien. Ze broeden ´s zomers in Scandinavië en Rusland.

 goudplevierzomerkleed

 kauwvogelsKauw24 nov 2010november

Kauw, 24 nov 2010

 kauw

Tegen de schemer in deze winterdagen kun je grote groepen kauwtjes tegenkomen. Zij verzamelen zich in deze periode voor de slaaptrek. Slaaptrek is een verschijnsel dat zich bij allerlei vogels voordoet, zoals bij spreeuwen, meeuwen en kraaiachtigen. Dit zijn sociale vogels die overdag alleen of in paren voedsel zoeken en ´s avonds veiligheid bij elkaar zoeken in grote aantallen op vaak vaste plaatsen. Bij kauwtjes en spreeuwen gaat dit vaak gepaard met spectaculaire en speelse sociale uitingen. Bij stormachtig weer worden vooral kauwtjes geïnspireerd tot spectaculaire toeren. Interessant is om te zien dat de band tussen stelletjes zo sterk is dat ze ook in de acrobatische acties prachtig in paren bij elkaar blijven vliegen.

Bijzonder

De kauw is de kleinste soort kraai. Het is een slimme alleseter, die

zowel in cultuur- als natuurgebieden voorkomt. Kauwen sluiten een band voor het leven en zijn onafscheidelijk. De kauw is een holenbroeder, die zich thuis voelt in boomholtes , schoorstenen en gebouwen. Zo komt hij aan de volksnaam torenkraai. Vroeger, toen een papagaai te duur was om aan te schaffen als huisdier, werd een kauwtje vaak als vervanger uit het nest gehaald. Als huisdier wordt een kauw snel tam (en brutaal) maar kwijnt weg in een kooi. Tegenwoordig mag een kauw daarom niet meer als huisdier gehouden worden. Voor een kauw is het eerste levensjaar het moeilijkst om door te komen. Als dat lukt kunnen ze wel 30-50 jaar oud worden.

Waar

De kauw komt in heel Europa en Noord-Afrika voor tot aan de Oeral. In Nederland is het met rond 200.000 paar een algemene vogel, die nog steeds in aantal toeneemt. In de winter komt er een veelvoud uit noordelijke streken bij ons overwinteren. Die aantallen nemen licht af. In de Haarlemmermeer is de kauw vooral een schoorsteenbroeder van wat oudere wijken. Ook in schuren van boerderijen broedt hij veel en in het wandelbos van Hoofddorp in oude bomen met holtes. In torenvalk- en uilennestkasten vormen kauwen soms een plaag.

 pestvogelvogelsPestvogel13 nov 2010november

Pestvogel, 13 nov 2010

 pestvogel

Hoewel het af en toe behoorlijk kan regenen, is het zeer de moeite waard om in deze tijd wandelend of fietsend over straat te gaan. Er is namelijk weer een invasie van pestvogels gaande. De meeste vogels worden in de duinstreek waargenomen maar er zijn (net als vorig jaar) ook groepen pestvogels die zich door de Haarlemmermeer bewegen. De grootste kans om deze bijzondere soort te zien, is waar bessen van de Gelderse Roos groeien. De pestvogel is trouwens de enige soort die gek is op deze bessen (die door andere vogels pas als er niets anders meer is, genuttigd worden).

Bijzonder

De naam van de pestvogel stamt van een bijgeloof in de Middeleeuwen. De pestvogel is een invasievogel die in sommige jaren massaal deze kant op komt. In de tijd van de pestepidemieën

is zo´n invasie blijkbaar samengevallen met een of meer uitbraken. Er is een trend dat de pestvogel tegenwoordig veel vaker deze kant op komt.

Bijzonder

aan de pestvogel is niet alleen zijn uiterlijk met een mooie kuif en kleuren, maar ook zijn rinkelend stemgeluid en het feit dat hij meestal in vrij grote groepen rondtrekt. Ze strijken dan op bessendragende struiken neer, tot die leeggegeten zijn. De pestvogel is zo groot als een spreeuw en meestal niet schuw.

Waar

Pestvogels zijn vogels van de noordelijke bossen. Ze houden zich bij voorkeur op in dichte naaldbossen met hoge bomen en een onderbegroeiing van besdragende struiken. Daarnaast worden ze ook regelmatig gesignaleerd aan de randen van moerassen en aan de oevers van rivieren, mits daar voldoende insecten aanwezig zijn. Pestvogels zijn in staat om buitengewoon strenge en lange winters rond en boven de poolcirkel te overleven. Doordat het beschikbaar zijn van voldoende voedsel van jaar tot jaar sterk kan verschillen, worden de pestvogels in bepaalde landen zeer onregelmatig waargenomen. Bij voedseltekorten ondernemen ze trektochten tot in Nederland, België en de Britse eilanden.

 koekoekvogelsKoekoek (2)3 jul 2010juli

Koekoek (2), 3 jul 2010

 koekoek

Koekoeken eten insectenlarven, kevers, vliegen, waterjuffers, vlinders en motten, waaronder schadelijke soorten voor de landbouw, zoals meikevers en koolwitjes. Ze zijn speciaal bekend door het eten van harige en giftigde rupsen, die meestal door andere vogels met rust worden gelaten (zie foto) Koekoeken overwinteren in tropisch zuidelijk Afrika. Ze trekken hier weg en ook wel door van juli tot half september en keren terug van begin april tot diep in mei. Iedere vogel reist alleen. De koekoek staat nog als veilig op de internationale IUCN rode lijst, maar is in 2004 als kwetsbaar op de Nederlandse rode lijst gezet. Voornaamste oorzaak voor de teruggang van de koekoek is de uitdunning van het bestand van zijn waardvogels. Dit is het gevolg van verstoring en vernietiging van het leefgebied door landbouw. Ook het

afnemen van vlinders en kevers t.g.v. gifstoffen is een van de oorzaken. Ook klimaatverandering heeft een negatief effect: veel waardvogels passen hun broedgedrag aan de omgevingstemperatuur aan, maar de koekoek oriënteert zic op de lengte van dag en nacht. Bij aankomst in het broedgebied zijn er daarom steeds minder geschikte nesten, die aan het begin van de broedperiode staan. Volgens SOVON daalde het aantal Nederlandse broedparen in de periode 1990-2007. Het aantal broedparen schommelt nu rond de 7-8000.

Waar

Koekoeken komen vooral voor in relatief open gebieden met enkele hoge uitkijkposten, vanwaar ze speuren naar nesten van geschikte waardvogels. De koekoek komt in vrijwel geheel Europa voor met uitzondering van IJsland en verder van Noord-Afrika tot in China en Japan. Ook in steden met veel parken is de koekoek te vinden, maar niet in dichtbebouwde centra. De belangrijkste voorwaarde is dat de juiste waardvogel er voorkomt. In de Haarlemmermeer hoorde ik verschillende koekoeken in de Groene Weelde. Roepende koekoeken zijn mannetjes die hun territorium aangeven.

 koekoeksjongvogelsKoekoek (1)27 jun 2010juni

Koekoek (1), 27 jun 2010

 koekoeksjong

Bijna iedereen leert op school al over het parasitaire gedrag van de koekoek. Het komt niet prettig over, dat een vogel zijn eieren in de nesten van kleine zangvogels legt, wiens jongen er uitgegooid worden. Biologisch gezien is dit echter een principe, dat overal in de natuur wordt aangetroffen: van zoogdieren tot kleine insecten. Planten en schimmels doen het ook regelmatig. Zo ongewoon is het gedrag van de koekoek dus niet. Een vrouwtjeskoekoek specialiseert zich op een bepaalde vogelsoort of familie. Zo zijn er heggenmus-koekoeken, karekiet-koekoeken en kwikstaart-koekoeken. Hun eieren lijken zeer sterk op die van hun waardvogel en zijn vaak alleen door kenners te onderscheiden. Een koekoekvrouwtje legt per seizoen zo´n 15- 20 eieren in evenzoveel verschillende nesten. Vroeger dacht men dat

de koekoek haar ei op de grond legde en het daarna in de snavel naar het nest bracht. Maar het is nu bekend dat ze haar lichaam tegen het nest drukt en het ei door de nestopening heen werpt. Het ei komt uit na de 12e dag, wat meestal eerder is dan zijn nestgenoten. Het jong buit dit uit door alles wat zich in het nest bevindt naar buiten te gooien(zie foto). Na 3 weken verlaat de jonge koekoek het nest. De pleegouders voeren het nog steeds en moeten vaak op zijn rug gaan zitten om de insecten in de gapende bek te laten vallen. Heggenmussen, rietzangers, karekieten en kwikstaarten zijn favoriete soorten. Het zijn dan ook de leefgebieden van deze soorten waar koekoeken te vinden zijn. In Europa zijn meer dan 100 verschillende waardvogelsoorten bekend waarvan er maar zo´n 45 soorten succesvol zijn in het grootbrengen van een jonge koekoek. In 20 % van de gevallen wordt een geparasiteerd nest door de waardvogel opgegeven. De koekoek wordt in het tweede levensjaar geslachtsrijp. Het broedparasitisme als voortplantingsstrategie kan worden gezien als een aanpassing aan het korte verblijf in het broedgebied, met als voordeel dat er geen tijd nodig is om een nest te bouwen.