bovenfoto

Columns:

Sinds april 2006 is er elke week de natuurcolumn 'Ontdek de Flora en Fauna van de Haarlemmermeer' verschenen in de Hoofddorpse Courant.
Deze column heeft ten doel belangstelling voor de verrassende verscheidenheid van planten en dieren in onze leefomgeving te wekken.

 

Hieronder staat de column van deze week en daar onder kunnen alle tot dusver verschenen columns opgevraagd worden. U kunt deze selecteren en sorteren op categorie, onderwerp, het jaar en de tijd van het jaar. Combinaties zijn ook mogelijk. Ga naar de oudere columns

florafauna

hondskruid, 25 jul 2020

 hondskruid1

Hondskruid klinkt niet echt aantrekkelijk. Toch zit er achter deze naam een fascinerend verhaal. Hondskruid is nl een orchidee. En niet zo maar 1. Bij orchideeën denken veel mensen aan tropische orchideeën die je in de winkel kunt kopen. Maar ook in Nederland komen ca 70 soorten orchideeën voor. En daarbij denken de meest mensen dan aan Limburg, want op de kalk van Limburg komen zo’n 60 soorten voor. Wat meestal niet bekend is, is dat in onze ‘kale landbouwpolder’ die steeds meer met woningen en kantoren wordt gevuld misschien wel meer orchideeën voorkomen dan in Limburg. Nog pas 2 weken geleden heb ik een fietstocht langs een veld met ca 1 miljoen orchideeën gehouden. Tot op heden hebben we in de Haarlemmermeer 14 soorten gevonden. Dat komt omdat we een oude waddenbodem hebben, waar nog schelpen (kalk) inzit, de oude zandbanken zijn voedselarm en

beetje brakke kwel helpt ook. Van die 14 soorten is hondskruid een van de zeldzaamste.

Bijzonder

De eerste plant werd een jaar of 10-15 gelden ontdekt in Beukenhorst aan de kruisweg. Die werd geplukt. Een jaar of 8 gelden verscheen er 1 ook in Beukenhorst aan de Kagertocht, die na 2 jaar werd ook werd geplukt. Nu is er een heel veldje gevonden in het Groene Carre Zuid. De plek werd ontdekt en gefotografeerd door Ruud Luntz, Waarvoor dank.

Helaas is in 2017 aan de meeste orchideeën de status van beschermde soort ontnomen. Dat kwam project ontwikkelaars beter uit en onze overheid luistert ‘goed’ naar de samenleving.

Waar

Hondskruid houdt van zonnige plekken op zand-, leem- of kleibodem. Het komt voor rond de middellandse zee en in Europa tot Noord-Duitsland, Schotland, en Ierland. In Nederland is de plant zeer zeldzaam en komt voor in Zuid-Limburg, Zeeland, in de duinen bij Wijk aan Zee en Noordwijk aan Zee en in het westen van het land op opgespoten braakliggende industrieterreinen. Wellicht door de klimaatverandering is de soort aan een gestage opmars bezig. Dat is dus ook in onze polder te merken.





Meldingen van bijzondere dieren en planten kunt u doorgeven aan info@stichtingmeergroen.nl .

Persoonlijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkdagen tussen 9:00 en 12.30
en op woensdag tot 17:00 uur op Meijerslaan 17 in Heemstede.


Oudere columns:

 

SELECTIEMENU; selecteer op:

categorie
en/of
titel zoekterm

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/of
maand
en/of
jaar
 
 

SORTEREN: klik op de kopjes in de titelbalk om de sortering te veranderen

 

Blz [ 7 ] Ga naar vorige1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 …>> volgende

thumb

categorie: titel: datum: maand:

open/dicht

 hangendezeggeplantenHangende zegge30 nov 2008november

Hangende zegge, 30 nov 2008

 hangendezegge

Grassen en zeggen spreken meestal niet tot de verbeelding. Dat komt o.a. omdat hun kleine groene bloempjes niet erg opvallen. Toch steekt er achter een heleboel van deze soorten een interessant verhaal. Vandaag het verhaal van de hangende zegge: Zeggen zijn familie van de grassen. Ze worden gekenmerkt door het feit dat ze een driekantige stengel hebben en apart gegroepeerde mannelijk en vrouwelijke aartjes. Verder hebben de meeste zeggen een voorkeur voor natte of vochtige plaatsen. De hangende zegge is een forse meerjarige plant die groeit in pollen. Het is een trage groeier, maar over de jaren kan hij flinke afmetingen krijgen. Een pol kan wel een diameter van een meter krijgen, waar de decoratieve bloeistengels met hun sierlijke 1.5 m hoge hangende aren dan nog uitsteken. Deze zijn ook bruikbaar in droogboeketten. Om deze verschijningswijze wordt de hangende zegge ook als tuinplant gewaardeerd.. De groenbruine

bloemen bloeien in juni en juli, soms tot augustus.

Bijzonder

De plant staat op de Nederlandse Rode Lijst van planten als zeer zeldzaam en stabiel of toegenomen. Daarom is het des te opvallend dat deze plant het in de Haarlemmermeer bijzonder goed doet en zich op grote schaal uit zaad voortplant op allerlei plaatsen. In De Heimanshof is b.v. nodig gebleken om een groot aantal exemplaren uit te steken of elders uit te zetten. En ook elders is de plant op allerlei plaatsen te vinden. Zo kwam ik het afgelopen weekend 20 exemplaren ‘wild’ tegen in het plantsoen langs de Paxlaan in Hoofddorp. Interessant is verder dat de ‘nootjes’ van de hangende zegge voorzien zijn van mierenbroodjes. Dat is een zoet aangroeisel waar mieren dol op zijn, met als resultaat dat ze het zaad naar hun nest verslepen. En dat is precies de bedoeling, want zo kan hij zich verspreiden.

Waar

De plant komt van nature voor in Eurazië en Noord-Afrika en dan vooral op natte grond langs bronnen en beekjes in loofbossen en groeit het beste in halfschaduw. De hangende zegge is een kenmerkende soort voor het essenbronbos in Limburg. De bronnetjes vormen zich uit kwelwater uit de grond. Zelfs in zijn natuurlijke gebied in Limburg is de hangende zegge zeer zeldzaam.

 grauwegansgrootvogelsGrauwe Gans23 nov 2008november

Grauwe Gans, 23 nov 2008

 grauwegansgroot

‘s Winters trekken er overal ganzen in lange V-vormige slierten over de Haarlemmermeer, die soms op akkers en graslanden neerstrijken. De meest voorkomende soorten zijn kolgans, rietgans en grauwe gans. De grauwe gans is een van de (vele) goed nieuws natuurverhalen van de laatste tijd. In de 50-tiger jaren was de gans als broedvogel in Nederland praktisch uitgestorven (als wintergast bleef de soort wel algemeen). Jacht, gebrek aan geschikte gebieden en wellicht ook pesticiden hadden daaraan bijgedragen. De drooglegging van de Flevopolders en vooral de Oostvaardersplassen hebben er sterk aan bijgedragen dat ze weer bleven om te broeden. De toename ging daarna explosief. De 150 paar uit 1970 waren in 2005 toegenomen tot zo’n 25.000 paar en de aantallen nemen nog steeds toe. Grauwe ganzen broeden graag op de grond in bosjes met grasland en riet in de buurt. Die vinden ze zelfs, nu de Oostvaarderplassen vol zijn, op allerlei curieuze plaatsen, zoals kruisingen van snelwegen.

Bijzonder

De grauwe gans is de stamvader van de tamme gans en maakt hetzelfde geluid. Tijdens het broedseizoen

verliest een gans al zijn slagpennen tegelijkertijd en kan dan een tijd niet vliegen. In die tijd houdt hij zich het liefste schuil in rietvelden. Daar kan hij, door het eten van jong riet de (excessieve) verspreiding van deze soort tegengaan. Dat de Oostvaardersplassen niet zijn dichtgegroeid, is vooral hieraan te danken. Het broedsucces van de grauwe gans heeft in de Haarlemmermeer tot een speciaal probleem geleid. De vogel weegt wel 3-4 kg en kan aanzienlijk schade aan vliegtuigmotoren aanrichten als hij aangezogen wordt. Daarom worden ganzen tot in de wijde omtrek rond Schiphol zwaar vervolgd. Of dit veel zin heeft als de ganzen van half Europa naar Nederland komen, waar de ecologische omstandigheden verder ideaal zijn, is de vraag.

Waar

In Nederland broeden grauwe ganzen in moerassen en andere vochtige gebieden. In de winter overwinteren ganzen uit heel Noord- en Oost-Europa in Nederland. Broedende grauwe ganzen kunnen in de buurt van de Haarlemmermeer aangetroffen worden in de Kagerplassen, in de kruising van de A9 en de A2 en aan de Ouderkerkerplas. Voor meldingen van broedgevallen in de polder zelf, houden wij ons aanbevolen.

 grauwegans

 kuifeendmangrootvogelsKuifeend20 nov 2008november

Kuifeend, 20 nov 2008

 kuifeendmangroot

In alle brede vaarten, plassen en kanalen (b.v in de hoofdvaart) tref je in deze tijd kleine eendjes aan die bedrijvig aan het duiken zijn. De vrouwtjes zijn bescheiden bruin gekleurd, maar de mannetjes zijn opvallend zwart met een witte flank. Ook hebben de mannetjes een duidelijke zwarte kuif. Bij het vrouwtje is deze kuif kleiner. Beide seksen hebben een prachtig diep geel of oranje gekleurd oog. De kuifeend is een tamelijk talrijke broedvogel van onze streken, maar in de winter zijn ze massaal aanwezig. Het kuifeendje hoort bij de groep van duikeenden. Van deze groep komen in onze polder ook de tafeleend, de toppereend en de krooneend voor. Het voedsel van de kuifeend bestaat voornamelijk uit slakken, mossels en waterinsecten en soms ook waterplanten, die tijdens lange duiken op de waterbodem worden gezocht. Doordat de kuifeend langer onder water kan blijven dan de meeste andere duikeenden, komt hij vaker voor in dieper water. Hij maakt zijn nest bij of in het water en soms zoekt hij bescherming bij kolonies meeuwen of sterns. Hij

broedt i.t.t. de wilde eend laat en maar eenmaal op 6-14 eieren. De jongen kunnen na ca 6 weken vliegen.

Bijzonder

De kuifeend is de afgelopen 30 jaar enorm in aantal toegenomen. Broedden er in Nederland in 1950 nog maar enkele tientallen paren, op het ogenblik wordt het aantal op ruim 10.000 paar geschat. Een mogelijke oorzaak is de snelle verspreiding van het driehoeksmosseltje (een exoot uit Amerika). Maar de kuifeend neemt ook als broedvogel toe in gebieden waar dit mosseltje niet voorkomt.

Waar

De kuifeend is een trek- en zwerfvogel. Hij komt voor in Midden- en West-Europa. en in delen van Azië. Dit eendje houdt van wateren met een rijke oevervegetatie. Je ziet ze vaak op grote meren en diepe sloten. Vooral de Hollandse polders en duinen zijn geliefde broedgebieden. In de winter zoekt de kuifeend vaak open water op, waarbij de Nederlandse populatie aangevuld wordt met heel veel vogels uit het noorden.

 kuifeendpaar

 schorshorentje1kleine dierenSchorshoorntje (Balea perversa)9 nov 2008november

Schorshoorntje (Balea perversa), 9 nov 2008

 schorshorentje1

Als het kouder en donkerder wordt, wordt de natuur niet minder interessant. ‘s Winters wordt ons land b.v. overspoeld door trekvogels, die ons klimaat hier perfect vinden. En wat te denken van slakken. Het droge en warme deel van de zomer brengen slakken vaak in schuilplaatsen door, maar echt actief worden ze pas weer in de herfst. 80-90 % van de gevallen bladeren worden door miljoenen slakken opgepeuzeld. Sommige slakken doen dat zo netjes, b.v. bij populierenbladeren, dat ze het complete geraamte van nerven intact laten. Naast de bekende naakt- en huisjesslakken bestaan er honderden soorten minder bekende slakken, zowel op het land als in het water. Voor één van die onbekende slakjes wil ik vandaag uw aandacht vragen. Het is een minuscuul 6-8 mm lang huisjesslakje dat Schorshoorntje heet (zie foto met mm strepen). Van dit soort kleine hoorntjesvormende slakjes bestaan er tientallen soorten. Met een sterke loep kan een kenner de soort bepalen aan het aantal welvingen en tandjes en aan de vorm van de opening. Het schorshoorntje wordt gekenmerkt door een vrij mooie en gave ronde opening zonder welvingen of tandjes.

Bijzonder

Slakken

zijn hermafrodiet, d.w.z. elk dier kan zowel de rol van man als vrouw spelen. Verder planten slakken zich voort met eieren. Die eieren lijken op mini- pingpongballen en worden in groepjes van 50-100 in vochtige holtes gelegd. Het schorshoorntje doet dat helemaal anders. Het diertje is weliswaar ook hermafrodiet, maar het legt geen eieren. De soort is nl. ovovivipaar: de eieren blijven in het lichaam tot ze uitgekomen zijn. Bijzonder is ook nog dat er maar één jong per keer ′uitkomt′. Het schorshoorntje komt, zoal de naam al zegt, bij voorkeur voor op en onder schors van bomen en dan vooral van wilgen. Daar vindt het ook zijn voedsel: het schorshoorntje leeft van korstmossen.

Waar

Het schorshoorntje komt in heel Europa voor van het uiterste zuiden tot vrij noordelijk. In Nederland komt de soort vooral in de duinen voor en sporadisch in het binnenland. De soort werd recentelijk voor het eerst in de Haarlemmermeer waargenomen onder schors van dode wilgen in De Heimanshof

 schorshorentje2

 veldmuiskleine dierenVeldmuis22 nov 2007november

Veldmuis, 22 nov 2007

 veldmuis

In het braakliggende gebied langs de A4 tussen de Geniedijk en Schiphol-Rijk, verzamelden zich vorige week 5 ooievaars en tientallen reigers. De reden voor hun bezoek is de veldmuis. Deze muis is dit jaar bijzonder algemeen in de Haarlemmermeer en ook verantwoordelijk voor de al eerder gemelde exceptioneel goede broedresultaten van roofvogels. Het is dit jaar namelijk een ‘muizenjaar’. De staart van woelmuizen, zoals de veldmuis, is veel korter dan van ‘ware’ muizen (b.v de huismuis) hun oren zijn kleiner en hun snuit is stomper.De veldmuis eet vooral grassen, kruiden en granen en maakt zijn nest tot wel 50 cm diep. Nesten liggen meestal zo′n drie meter van elkaar af. In goede gebieden, zoals wegbermen, kunnen wel 750 -1400 muizen per ha leven. Een vrouwtje kan 2-4 worpen per jaar krijgen van 2-12 jongen. De jongen worden naakt, roze en blind geboren. Ze worden 20 dagen lang gezoogd en zijn 14 dagen na het zogen geslachtsrijp. In het wild leven veldmuizen 4-24 maanden. In gevangenschap

kunnen ze 3 jaar oud worden.

Bijzonder

Ongeveer elke 3 jaar is er een muizendaljaar, dan een jaar waarin de aantallen toenemen en dan een topjaar. Door de zachte en droge winter van 2006/2007 is 2007 een extreem goed topjaar. De veldmuis is het belangrijkste voedsel is voor veel dieren, zoals hermelijnen, wezels, vossen, roofvogels, uilen en reigers. Top- en daljaren bij de veldmuis hebben een rechtsreeks effect op de overlevingskans en de broedresultaten bij deze dieren. Menselijke activiteiten, zoals bouwen en maaien kosten ook veel veldmuizen het leven. Daarnaast sterven veel muizen in de winter door wateroverlast en koude. Veldmuizen zijn vooral in de avondschemer en ′s nachts actief, overdag minder. Om de kans te verkleinen door roofvogels te worden gepakt, hebben ze een speciaal leefpatroon ontwikkeld. Om de twee uur komen ze vrijwel allemaal tegelijk uit hun holletjes om te gaan eten. Hoewel er dan wel muizen gevangen worden, zijn het er minder dan dat er altijd muizen actief zijn.

Waar

Veldmuizen leven in drogere streken met kort gras en/of granen, zoals graanakkers, wegbermen en dijken. Het verspreidingsgebied loopt van West-Europa tot Centraal- Azië met als zuidgrens Noord-Spanje, de Alpen, de Balkan en de Kaukasus. De noordgrens loopt door Nederland en Denemarken en via de Baltische staten naar Zuid-Finland.

 turksetortelvogelsTurkse Tortelduif15 nov 2007november

Turkse Tortelduif, 15 nov 2007

 turksetortel

De aanleiding voor het onderwerp deze week is de melding van een curieus broedgeval van een Turkse Tortelduif dat rond 6 november begon. De Turkse tortel is een duif die tegenwoordig vrij algemeen in Nederland voorkomt. Het is een beige vogel van ongeveer 30 cm lang, met een donker streepje in de nek. Ze eten voornamelijk zaden, rupsen, kevers en kleine vruchten. Het is een vogel die redelijk veel in de buurt van mensen komt: een cultuurvolger.
De Turkse tortel bouwt een eenvoudig nest bestaande uit losse takjes die in elkaar gestoken een ′platje′ vormen. Op dat nest worden steeds twee eieren gelegd. De duif koert meestal langdurig en eentonig. De vogel komt ′s winters af op voertafels, maar blijft bijna altijd op de grond.
Tegenwoordig is de Turkse tortel na de stadsduif de meest algemene duif in dorpen en steden. Tijdens de broedtijd kunnen ze agressief zijn. Ze doen alles om hun jongen te beschermen. De ouders jagen Vlaamse gaaien, eksters en zelfs mensen

weg bij het nest.

Bijzonder

Door het gammele nest mislukt een broedsel regelmatig, maar door steeds weer opnieuw een nest te maken lukt het de meeste Turkse tortels toch regelmatig jongen vliegvlug te krijgen. De meeste paartjes hebben wel 5 broedsels per jaar. De jongen uit het eerste legsel doen een paar maanden later zelf al weer mee aan de voortplanting. Er zijn weinig vogels die zich zo snel kunnen vermenigvuldigen. Het curieuze broedgeval midden in november is misschien dus minder een uitzondering dan eerst gedacht. De Turkse Tortelduif heeft de inheemse (gewone) tortelduif vrijwel verdrongen.

Waar

De Turkse tortel is sinds 1900 vanuit de Balkan West-Europa binnengetrokken. Het eerste geregistreerde broedgeval in Nederland was in 1949. Door allerlei onbekende factoren, maar zeker ook door de hoge voortplantingssnelheid explodeerde tussen 1950 en 1980 het aantal broedgevallen tot ongeveer 250.000 paar. Daarna is de stand ingestort en heeft zich gestabiliseerd op aantallen tussen de 50.000 tot 100.000 paar. De neergang van de aantallen liep parallel met die van een andere cultuurvolger: de huismus. Van de factoren die de huismus raakten (het steeds minder uitkloppen van tafelkleden en een betere isolatie van huizen met minder dakpanholletjes) lijkt voor de Turkse tortel alleen het voedselaanbod mogelijk relevant.

 kramsvogelvogelsKramsvogel11 nov 2007november

Kramsvogel, 11 nov 2007

 kramsvogel

Aan het einde van de herfst trekt de natuur zich terug en vertrekken veel dieren naar het zuiden. In de winter komen er echter ook veel dieren hierheen, vooral vogels, om van de rijkdommen van onze zachte winters te genieten. Dat zijn vooral soorten uit het koude noorden en oosten van Europa. Een van deze wintergasten is de Kramsvogel. Dit is een grote lijsterachtige met een krachtige vlucht en een opvallende grijze stuit. De kramsvogel heeft een mooi verenkleed met een grijs en bruine rug en talrijke zwarte streepjes op de buik en borst. In najaar en winter is het karakteristieke ′tsjak-tsjak-tsjak′ van de kramsvogel zeer regelmatig te horen. Wie het geluid eenmaal kent, hoort het overal. .

Bijzonder

De Kramsvogels komen vooral af op bessendragende struiken en bomen: lijsterbes, vuurdoorn, duindoorn, sleedoorn, etc., maar ook appels versmaden ze niet. Omdat we in Nederland zeer veel bessen

in de stedelijk bebouwing hebben, zijn ze ook overal in de bebouwde kom aan te treffen. Daarnaast jagen ze net als merels op slakken en wormen in gazons en op velden. Daarbij maken ze karakteristieke sprongetjes, waardoor met het blote oog van zeer ver herkend kunnen worden.

Waar

Het voornaamste broedgebied bevindt zich in Oost-Europese landen zoals Duitsland, Polen en Rusland. De kramsvogel broedt vaak in kolonies waarbij de vogels verschillende grote nesten per boom bouwen in een aantal aangrenzende bomen. In het broedseizoen leven kramsvogels erg teruggetrokken. Ook in Oost-Nederland zijn enkele broedkolonies geweest. In de jaren 80 waren er bijna 1000 broedparen. De laatste jaren is het aantal broedparen gedaald tot minder dan 100 paar, vooral in Zuid Limburg en de Achterhoek. Het is nog onduidelijk waarom het aantal broedparen zo sterk wisselt. Uit de Haarlemmermeer zijn geen recente broedgevallen bekend, maar als wintergasten zijn ze op dit moment overal in de lucht, in bessenstruiken en op velden aan te treffen.

Terugmeldingen

: Vele meldingen van ijsvogels uit de hele Haarlemmermeer, tot in tuinen toe en een doortrekkende slechtvalk en veel haviken langs de Geniedijk.

 lieveheersb_2sttippeliginsectenLieveheersbeestjes4 nov 2007november

Lieveheersbeestjes, 4 nov 2007

 lieveheersb_2sttippelig

Iedereen kent de rood-zwart of geel-zwart gekleurde kevertjes. De larven lijken op kleine rupsjes, maar hebben zes kleine looppootjes aan de voorzijde. Larven van veel soorten zijn stekelachtig behaard en hebben felle gele en rode kleuren. Lieveheersbeestjes gaan maagdelijk de winter in. In het voorjaar als het warm wordt vindt de paring plaats. De eitjes worden afgezet op plekken waar bladluizen zitten. De larve eet voor zijn ontwikkeling wel zo′n 200-600 bladluizen. Een volwassen lieveheersbeestje lust per dag wel 100 bladluizen. Dat zijn er dus ruim 3.000 per maand.

Bijzonder

De naam lieveheersbeestje heeft te maken met de kerstening van de Germanen. De Germaanse naam voor het kevertje, Freyafugle, vogel van de vruchtbaarheidsgodin Freya, werd verchristelijkt tot onzelievevrouwebeestje of lieveheersbeestje. De Duitse naam Mariakever heeft hiermee een duidelijke relatie. Hoewel de meeste lieveheersbeestjes felle rovers zijn, is het een symbool van een aantal instellingen

en verenigingen met een goed doel, o.a. de Beweging Tegen Zinloos Geweld. Het aantal stippen van de dekschilden zegt niets over hun leeftijd, maar zijn een soortskenmerk. Het meest algemeen van de 60 Nederlandse soorten is het zevenstippelige lieveheersbeestje (6-7 mm groot) Andere algemene soorten hebben 2 (foto, 4 mm groot), 4, 11, 14, 16 of 22 stippen en zijn rood met zwart, zwart met rood of geel met zwart. Lieveheersbeestjes worden weinig door andere dieren gegeten. De felle kleuren dienen dan ook als waarschuwing. Als een lieveheersbeestje zich bedreigt voelt, dan produceert hij een gele vloeistof bij een gewricht van de poten. Dit gedrag heet "reflexbloeden". Deze vloeistof heeft een kwalijk geurtje en smaakt erg bitter. Vogels die een lieveheersbeestje oppakken proeven dit ‘bloed’ en laten hem meestal snel vallen.

Waar

De laatste generatie kevers maakt zich nu klaar voor de winter. Ze kruipen onder een pak bladeren, in een half vergane boomstronk of i.d. Daar zitten ze soms met grote groepen bijeen. Zodra de zon in het voorjaar warm genoeg wordt, komen ze massaal weer te voorschijn.

Terugmeldingen

: Vele meldingen van ijsvogels uit de hele Haarlemmermeer, tot in tuinen toe en een doortrekkende slechtvalk en veel haviken langs de Geniedijk.

 ringslangkleine dierenRingslang22 nov 2006november

Ringslang, 22 nov 2006

 ringslang

De vaak panische angst van de mens voor slangen heeft al vele ringslangen het leven gekost. De ringslang is echter niet giftig en totaal ongevaarlijk en eet vooral amfibieën zoals kikkers en kleine zoogdieren. De slang dankt zijn naam aan de witte ring om de hals. De gemiddelde lengte is ongeveer een meter, de maximale lengte is twee meter. Mannetjes zijn kleiner dan vrouwtjes; resp. 90-100 en 120-140 centimeter. Net als andere inheemse reptielen zijn zij streng beschermd.

Bijzonder

Ter verdediging houdt de ringslang zich schijndood. Het dier rolt zich dan op zijn rug, iets wat levende slangen nooit doen. De slang beweegt niet en kan zelfs een overtuigende ′lijkenlucht′ afscheiden uit speciale klieren bij de anus. De ringslang is de enige eierleggende slangensoort in Nederland. De eieren worden afgezet broedhopen, meestal composthopen waar de temperatuur door broei hoger is. Er worden gewoonlijk 10-40, maximaal 50 eitjes gelegd, afhankelijk

van de grootte van het vrouwtje. Meerdere vrouwtjes maken soms gebruik van dezelfde broedhoop. Afhankelijk van de temperatuur komen de jongen na ongeveer twee maanden uit het ei.

Waar

De ringslang komt in bijna heel Europa voor, behalve boven de poolcirkel. In Nederland worden de grootste aantallen gevonden aan de randen van het Gooi, de Utrechtse Heuvelrug, de Veluwe en rond de Oostvaardersplassen. Ook in en om de Haarlemmermeer komt de ringslang voor. Een vrij grote populatie bevindt zich rond de Kleine Poel tot de Westeinder. Een onderdeel van die populatie woonde eens waar nu Schiprol-Rijk ligt. In de jaren tijdens de bouw en daarna zijn waarschijnlijk alle dieren al of niet opzettelijk omgekomen. Een 2e populatie bewoont het Haarlemmermeerse bos. Deze groep is waarschijnlijk verbonden met dieren die rond Haarlem/Schalkwijk leven. Bij de bouw van het Spaarne ziekenhuis en Floriande zijn net als bij Schiphol Rijk veel dieren omgekomen. Een opgejaagd exemplaar is in november (tijdens zijn winterslaap!) in Overbos door de dierenambulance opgehaald. Van een derde groep dieren langs de Ijweg en bij Nieuw Vennep worden ook regelmatig dieren in nood gemeld. In het voorjaar van 2006 nog een net uit het ei gekomen jong in de bebouwde kom van Nieuw-Vennep.

Status:Rode lijst: streng beschermd

 witte kluifjeszwampaddenstoelenWitte Kluifjeszwam17 nov 2006november

Witte Kluifjeszwam, 17 nov 2006

 witte kluifjeszwam

Of het nu komt door het bijzondere verloop van het jaar of dat het najaar zo zacht is, de witte kluifjeszwam is dit jaar een meer dan gebruikelijk algemene verschijning. De paddestoel dankt zijn naam aan de gelijkenis met een kluif (afgekloven bot). De steel is hol en gegroefd en gaat over in gekrulde lobben die een vage hoed vormen.

De kluifjeszwam is een famillielid van morielje en de bekerzwammen.

Bijzonder

De volledige oppervlak van de grillig gevormde hoed is bedekt met sporen. Het is bij deze paddestoel bijzonder goed te zien hoe de sporen verstuiven. De grillig gevormde steel en hoed worden vaak aangevreten door slakken en andere dieren. Ook voor mensen is hij eetbaar, maar pas na gekookt te zijn.

Waar

De witte kluifjeszwam vind je in een open bosgedeelte, waar nog licht de grond bereikt. Vooral tussen wat lichte onderbegroeiing en langs paden en open plekken. Dit jaar komt hij op veel plaatsen voor aan de rand van bosplantsoen. Andere vindplaatsen zijn het Wandelbos in Hoofddorp en natuurlijk De Heimanshof.

 Hermelijnkleine dierenHermelijn10 nov 2006november

Hermelijn, 10 nov 2006

 Hermelijn

De hermelijn behoort tot de marterachtigen. Hij lijkt veel op de wezel, maar is groter en heeft een langere staart met een zwarte (pluim)punt. De rug is bruin en de buik is wit of geel. Hermelijnen kunnen in de winter geheel of gedeeltelijk wit worden, maar de staartpunt blijft altijd zwart.
De hermelijn is zowel dag en nacht actief, met rustpauzes tussendoor. Het is een carnivoor, die voornamelijk op muizen jaagt. Ook vogels en konijnen (die groter zijn dan hijzelf) worden gedood. De prooidieren worden met een beet in de nek gedood. Het dier kan 16 tot 31 cm lang worden met een gewicht van 90 tot 445 gram. Mannetjes zijn veel groter dan vrouwtjes. Ze leven solitair in territoria. Binnen een territorium bevinden zich twee tot tien nesten. Hermelijnen gebruiken een holle boom, een ruimte tussen stenen of een verlaten hol als nest. In april en mei worden vijf tot twaalf jongen geboren. Na twaalf weken kunnen de jongen goed jagen en verlaten ze het nest.

Hermelijnen kunnen tien jaar oud worden, maar gemiddeld worden ze slechts anderhalf jaar oud.

Bijzonder

In vroegere tijden werden de wintervachten van hermelijnen verwerkt in de bontafzettingen van koningsmantels, vandaar de overdadige zwarte stippen daarop. De paring van hermelijnen gebeurt in het late voorjaar. De vrouwtjes zijn in staat na de bevruchting het embryo 280 dagen in rust te houden, tot deze pas het volgende jaar weer gaat groeien en dan na 3-4 weken geboren wordt.

Waar

De hermelijn komt in grote delen van Europa voor, behalve in het zuiden. In Nederland komt de soort overal voor, maar niet op Vlieland en Ameland.
De hermelijn leeft in zeer verschillende gebieden, van beboste terreinen en houtwallen tot polders. In vergelijking met de wezel houdt de hermelijn zich op in vochtiger terrein, zoals slootkanten, rietvelden en broekbossen.
In de Haarlemmermeer worden bijna elk jaar hermelijnen gemeld bij de dierenambulance of het opvangcentrum in Lisse. Vaak zijn het aangereden dieren. In 2006 werd in mei een jonge hermelijn aan de IJweg opgevangen, die na 5 dagen aansterken weer uitgezet kon worden.

Status: Rode lijst?

 sleedoornplantenSleedoorn3 nov 2006november

Sleedoorn, 3 nov 2006

 sleedoorn

Niet voor alle planten is het vreemde weer van 2006 slecht geweest (resp. een koud voorjaar, daarna heet en droog en vervolgens kletsnat in augustus). De peren- en appeloogst is dit jaar bijzonder groot. Ook een inheemse struik, de sleedoorn, buigt dit jaar bijna door van zijn vracht aan diepblauwe pruimpjes. Ze zien er verleidelijk uit, maar de smaak is zuur en vooral wrang. Niet zo vreemd dat een van de volksnamen voor dit gewas ′trekkebek′ is. Hoe gezond de bes ook mag zijn, met zijn hoge gehalte aan vruchtenzuren, aroma′s en vitamine C, hij is rauw niet te ‘pruimen’. Vooral de looistoffen dragen bij aan deze wrangheid en alleen langdurig koken en het toevoegen van suiker geeft een acceptabele sleedoornjam. Gelukkig helpt de natuur wel een handje, want als het in de herfst heeft gevroren, smaken

de pruimpjes al aanzienlijk beter. Hoe meer vorst er overheen gaat, hoe zachter de smaak.

Waar

: De sleedoorn is een vrij algemene struik in de Haarlemmermeer, die vooral voorkomt aan de rand van bossen en bosplantsoen.

Bijzonder

: De Sleedoorn is een struik die zich rijkelijk vertakt en een dicht struweel kan opleveren. Het is deze groeivorm met de overvloedige aanwezigheid van doorns, die model heeft gestaan voor het sprookje van Doornroosje.
De sleedoorn levert het hardste hout van alle inheemse bomen en struiken. Sleedoornbloesems vormen het zachtste laxeermiddel dat er bestaat. Eén theelepel bloesems dient daarvoor met een kop kokend water overgoten te worden en een minuutje te trekken.
Omdat de sleedoorn in Europa zo overvloedig voorkomt, zijn er al vroeg veredelingspogingen gedaan, vooral door de Kelten. Uit archeologische vondsten is gebleken dat de pitten van de pruimen steeds groter werden en dat zij dus succes hadden. Zo zijn veel van de huidige pruimenrassen afstammelingen van de sleedoorn.