bovenfoto

Columns:

Sinds april 2006 is er elke week de natuurcolumn 'Ontdek de Flora en Fauna van de Haarlemmermeer' verschenen in de Hoofddorpse Courant.
Deze column heeft ten doel belangstelling voor de verrassende verscheidenheid van planten en dieren in onze leefomgeving te wekken.

 

Hieronder staat de column van deze week en daar onder kunnen alle tot dusver verschenen columns opgevraagd worden. U kunt deze selecteren en sorteren op categorie, onderwerp, het jaar en de tijd van het jaar. Combinaties zijn ook mogelijk. Ga naar de oudere columns

florafauna

Kweepeer en Merels, 7 okt 2018

 kweepeer

Nog nooit heb ik zoveel reacties op een column gekregen als de vorige over merelsterfte. Helaas niet genoeg om duidelijkheid te krijgen of dat Usutuvirus overal heeft toegeslagen. Het is wel opvallend dat ik over de buxusrupscolumn (met alternatief!), waar duizenden tuintjes door verruïneerd zijn geen enkele reactie kreeg, noch over mollensterfte.

Deze week de Kweepeer, want die is nu oogstrijp. Dat kun je detecteren met je neus. De keiharde kweepeer gaat dan nl zo lekker ruiken, dat een vrucht genoeg is in de wc of auto als luchtverfrisser! De kweepeer komt meer voor dan menigeen denkt. Er bestaan 2 typen: appelvormige soorten (waarvan het sierstuikje in gemeente plantsoen met rode bloemen en gele appeltjes een voorbeeld is) en de peervormige types, die vaak in bomen en stuiken tot een hoogte van 3-4m groeien.

Bijzonder

De kweepeer stond vroeger in elke (boerderij)tuin. Hoewel zijn vruchten keihard zijn en niet zo te eten, werd hij veel gebruikt in

allerlei gerechten. Het woord marmelade is zelfs afgeleid van het(Portugese) woord kweepeer: Marmelo. De kwee bevat nl veel pectine om jam dikker te maken. Zoals veel andere soorten als de kruisbes en de mispel is de kweepeer in onze gemakscultuur een vergeten soort fruit geworden. In alle boomgaarden die wij aanplanten, zetten we een of meer kweeperen. Dat zijn vaak de enige bomen waarvan het fruit het haalt tot rijpheid! (De andere soorten appels, peren en pruimen worden meestal al onrijp geplukt en na een hap (teleurgesteld) weggegooid en dat 500-1000 keer!). De kweepeer draagt meestal zeer rijk en elk jaar weer. In een aantal bomen moesten we dit warme jaar de takken ondersteunen om ze niet te laten breken (foto). Wij gaan kweeperentaart en jam maken. Wie het ook wil proberen kan in ons winkeltje op Park 2020 een paar vruchten komen halen zolang de voorraad strekt.

Waar

De kweepeer komt oorspronkelijk uit de Kaukasus (wet als walnoot, perzik en mispel). Hij gedijt goed op een neutrale bodem en houdt van zon.

Meldingen van bijzondere dieren en planten kunt u doorgeven aan info@stichtingmeergroen.nl. Persoonlijk kunnen wij u te woord staan op werkdagen bij De Heimanshof, Wieger Bruinlaan 1-7 in Hoofddorp. Alle columns vanaf april 2006 vindt u op www.stichtingmeergroen.nl





Meldingen van bijzondere dieren en planten kunt u doorgeven aan info@stichtingmeergroen.nl .

Persoonlijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkdagen tussen 9:00 en 12.30
en op woensdag tot 17:00 uur bij De Heimanshof, Wieger Bruinlaan 1-7 in Hoofddorp.


Oudere columns:

 

SELECTIEMENU; selecteer op:

categorie
en/of
titel zoekterm

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/of
maand
en/of
jaar
 
 

SORTEREN: klik op de kopjes in de titelbalk om de sortering te veranderen

 

Blz [ 5 ] Ga naar vorige1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 …>> volgende

thumb

categorie: titel: datum: maand:

open/dicht

 boomklevervogelsBoomklever22 mei 2010mei

Boomklever, 22 mei 2010

 boomklever

Afgelopen zaterdag hebben we met de jeugdclub van De Heimanshof alle in 2008 gebouwde nestkasten gecontroleerd. Van de 50 gecontroleerde kasten waren er 38 bewoond met totaal 280 jongen: meest pimpel- en koolmezen en gemiddeld 7.5 jongen per nest. In het Robin Hoodbos werd een kast bewoond door een nest boomhommels, maar de grootste verrassing was een boomklevernest in het Wandelbos, omdat het niet eens bekend was dat deze vogelsoort in onze polder voorkwam. De boomklever heeft een voorkeur voor oud hoog bos en dat hebben we niet veel. Maar het wandelbos uit 1935 voldoet blijkbaar aan zijn wensen. De boomklever broedt van eind april tot juli. Hij maakt het nest niet zelf, maar gebruikt oude, verlaten holen van spechten en nestkastjes. Hij pleistert de ingang dicht met klei vermengd met speeksel zodat hij er zelf nog net doorkan. Het voedsel bestaat vooral uit insecten die hij zoekt door met de snavel in de boombast te hakken. Hierbij klimt hij als enige Nederlandse vogel ook met de kop naar beneden omlaag. Behalve insecten worden vooral in de winter ook

noten en zaden gegeten. In het najaar legt de boomklever een ruime wintervoorraad van zaden en noten aan.

Bijzonder

Boomklever is een van de soorten die het de laatste tijd voor de wind gaat. Dat heeft wellicht te maken met modern bosbeheer, maar ook met het feit dat hij zich aan past aan menselijke bewoning en deels een cultuurvolger aan het worden is. Rond 1975 werd het aantal broedvogels in Nederland geschat op 5000 en nu op 18000. Boomklevers leven in een heel klein territorium; meestal niet groter dan 1000 m². In een eenmaal gevestigd territorium blijven ze het hele jaar door en komen er alleen uit in de winter, bij voedselschaarste.

Waar

Boomklevers broeden in vrijwel geheel Europa en de gematigde klimaatzone van Azië tot Japan. Het zijn vogels van oude bossen, parken en tuinen met veel loofhout. De volwassen vogels zijn standvogels, maar jonge vogels zwerven soms over kleine afstanden uit.

 boomkleverinnestkast

afbeelding niet gevondenkleine dierenBoommarter19 jun 2014juni

Boommarter, 19 jun 2014

boommarter

Vorig jaar was het fauna-​lievende deel van Hoofd­dorp in rep en roer omdat er langs de IJweg mogelijk een boom­marter was ges­ig­naleerd.

En daar bleef het niet bij.  Deze en/​of andere marters zoals de bun­z­ing bleven een tijd lang actief op aller­lei plaat­sen in Hoofd­dorp. En actief wil zeggen dat er koni­j­nen en kip­pen slachtof­fer wer­den. Ook in mijn eigen tuin langs de Geniedijk werd een bun­z­ing waargenomen.
De bun­z­ing leeft zeer ver­bor­gen, maar komt op aller­lei plekken in de Haar­lem­mer­meer voor. Per jaar vind ik er zelf wel 3 — 4 dood gere­den langs de weg.

De boom­marter is andere koek. Die is razend zeldzaam, maar komt bij de duinen bij Haar­lem wel voor. Omdat er wel een foto gemaakt zou zijn, maar deze niet boven water kwam, bli­jft het voorkomen van de boom­marter

in 2013 nog steeds een mys­terie.
Drie weken gele­den kreeg ik weer een meld­ing van een boom­marter. Een­tje die hele­maal niet schuw was (net als in 2013) en zich rustig op de Geniedijk bij de IJweg liet bek­ijken. Helaas is er weer geen foto gemaakt , maar de beschri­jv­ing uit de eerste hand was zeer over­tu­igend.
Een foto is wel handig, want bij het natrekken van deze waarne­m­ing kreeg ik geen beves­tig­ing maar wel de meld­ing van een steen­marter uit Rijsen­hout. En daar­van was wél een foto gemaakt, die een vrouwtje bun­z­ing bleek. Helaas voor deze bun­z­ing is zij naar het oosten van het land gebracht, vanuit het idee dat een steen­marter daar thuis hoort en wellicht met een vracht­wa­gen was meegelift.

Bij­zon­der

Vroeger kwam de boom­marter in Ned­er­land voor. Hij leeft van eekhoorns, muizen, kikkers, eieren en fruit. Door genade­loze ver­vol­ging was hij bijna uit­geroeid. Met zijn fraaie pluim­staart en scherpe nagels is hij zeer behendig in bomen (foto).

Waar

De boom­marter komt voor in een groot deel van Eurazië. Zijn natu­urlijke biotoop is gemengd loof– en naald­bos zoals vooral in het oosten en zuiden van Ned­er­land. Tegen­wo­ordig met aller­lei bescher­mings­maa­trege­len en ecol­o­gis­che verbind­ing­zones neemt hij ook weer toe in de duinen en Flevoland.

 boomvalkvogelsBoomvalk5 jul 2007juli

Boomvalk, 5 jul 2007

 boomvalk

De boomvalk ziet eruit als een kleine slechtvalk. Mannetjes en vrouwtjes hebben hetzelfde kleed. Jongen zijn over het algemeen veel bruiner van kleur. Het is een elegante roofvogel, die er met zijn langgepunte vleugels uit ziet als een grote gierzwaluw. Boomvalken nemen oude nesten van kraaien en andere vogels over en leggen twee tot vier eieren. De boomvalk jaagt vooral op grote insecten zoals libellen, die in de vlucht worden opgegeten. Ook kleine vogels worden in de vlucht gevangen. Omdat de boomvalk op grote insecten jaagt begint hij pas laat te broeden. Het paartje dat in de buurt van De Heimanshof nestelt, maakte dit eind mei luidruchtig duidelijk door wilde ‘baltsvluchten’, waarbij luidruchtig geroepen werd. Nu zit het vrouwtje op de eieren en is het stil om het nest.

Pas als de jongen uitvliegen, zo eind juli, laten de boomvalken weer van zich horen. Dit boomvalkenpaartje jaagt vrijwel boven heel de bebouwde komt van Hoofddorp. Boomvalken op hun beurt worden af en toe door haviken en andere grote roofvogels gevangen.

Bijzonder

: Zijn snelheid en vliegkunsten stellen de boomvalk in staat om zelfs zwaluwen te grijpen. De huiszwaluw en boerenzwaluw hebben dan ook een specifieke boomvalk-alarmroep.

Waar

: De boomvalk is verspreid over Europa en Azië. Het is een trekvogel die grote afstanden aflegt en overwintert in Afrika. Het is een weinig talrijke broedvogel van open bossen en parken. In het verleden kwam de boomvalk in Nederland vooral voor in de bossen op de zandgronden. De soort doet het daar de laatste jaren erg slecht. In halfopen (agrarisch) landschap wordt de soort echter steeds meer gezien. Dit geldt ook voor de Haarlemmermeer. Er broeden meestal zo’n 5-8 paartjes per jaar in onze polder, afhankelijk van het voedselaaanbod.

 bosbingelkruid1plantenBosbingelkruid (1)3 mrt 2012maart

Bosbingelkruid (1), 3 mrt 2012

 bosbingelkruid1

De meeste planten hebben zonlicht nodig om te groeien en dat licht is vaak pas sterk genoeg vanaf half april. Bosplanten hebben om die reden een probleem om dat tegen die tijd de boomkruinen zich sluiten en er nog steeds niet voldoende licht is. Voor dit probleem hebben veel bosplanten een elegante oplossing gevonden door ’voor de zon uit te groeien’ vanuit bolletjes of wortelstokken. Een van deze planten is het onaanzienlijke bosbingelkruid. Bosbingelkruid is eenhuizig en de bloemen zijn eenslachtig. Dat betekent dat elke bloem òf vrouwelijk (dus alleen stampers) òf mannelijk (heeft alleen meeldraden) is. Elke plant draagt daarnaast ook nog eens òf alleen vrouwelijke òf alleen mannelijke bloemen. Voor zaadvorming zijn daarom minstens 2 planten van een verschillend geslacht nodig. De bloemen

zijn maar een halve cm groot en groen. Bosbingelkruid had 300 jaar geleden grote wetenschappelijke betekenis. In die tijd kwamen de geleerden erachter dat meeldraden mannelijke en stampers vrouwelijke organen waren. Men vond het wel altijd vreemd dat bosbingelkruid in 2 verschillende vormen voorkwam, in een - pas toen duidelijk werd - mannelijke of een vrouwelijke vorm. Iemand ontdekte m.b.v. o.a. bosbingelkruid dat planten pas zaad vormden na bestuiving van de stampers.

Bijzonder

Bosbingelkruid komt begin maart al boven de grond met blad, bloemstelen en bloemknoppen op hetzelfde moment. In de weken erna vouwen de bladeren zich uit, wordt de lichtgroene kleur donkerder en strekken de bloemaren zich. Dit is een beetje te vergelijken met het uitkomen van een vlinder uit een cocon: poten, ogen, kop en vleugels zijn direct zichtbaar maar het duurt een tijdje voordat alle lichaamsdelen uitgehard zijn. De spinaziegroene bladkleur nodigt soms uit om het blad als groente te gebruiken. Dit is echter niet aan te raden. Het blad bevat namelijk stoffen die sterk laxerend werken. Niet voor niets wordt Bingelkruid in Vlaanderen Schijtkruid genoemd.

 bosbingelkruid2plantenBosbingelkruid (2)11 mrt 2012maart

Bosbingelkruid (2), 11 mrt 2012

 bosbingelkruid2

Bosbingelkruid 2 van 2 Dit is het vervolg van de column over bosbingelkruid van vorige week. Fijn gewreven of gekneusd blad van Bosbingelkruid ruikt onaangenaam: naar rotte vis. Bosbingelkruid heeft nog een andere bijzondere eigenschap, namelijk dat het al duizenden jaren wordt gebruikt om wol en linnen te verven. Gedroogde stengels krijgen al een typisch metaalblauwe glans. Stoffen krijgen na een verfbad dezelfde blauwe kleur. Alles kleurt echter rood wanneer dit verfbad gemengd wordt met een zuur zoals azijn. Blauw of rood, beide kleuren zijn dus mogelijk, afhankelijk van de samenstelling van het verfbad. Dit tweeledige karakter van Bosbingelkruid komt ook terug in de wetenschappelijke naamgeving: Mercuriallis perennis. Mercurialis wil zeggen: lijkend op de god Mercurius. Mercurius was niet alleen de godheid

die als eerste wees op de geneeskrachtige eigenschappen van planten, ook had hij de gewoonte om onder verschillende gedaanten te verschijnen. Net als deze plant: Het ene moment kleurt deze blauw en op een ander moment rood en de plant is òf mannelijk òf vrouwelijk.

Waar

Bosbingelkruid groeit bij voorkeur op de donkerste plekken in eiken- beukenbos. Net zoals Klimop stelt de soort nauwelijks eisen aan de hoeveelheid licht. Echt prettig voelt de soort zich wanneer er sprake is van stromend grondwater. De soort heeft een hekel aan stilstaand grondwater. De planten van Bosbingelkruid hebben dicht vertakte wortelstelsels, die samen een compacte kluwen vormen Dit hechte wortelstelsel houdt grond prima vast. Op boshellingen, begroeid met Bosbingelkruid, treden dan ook nagenoeg nooit bodemerosie of aardverschuivingen op. Bosbingelkruid of Overblijvend bingelkruid komt in Nederland slechts zeldzaam voor; de soort groeit van nature eigenlijk alleen in het heuvelland van Zuid Limburg. Op een aantal plekken in de Haarlemmermeer groeit het bijzonder uitbundig, waaronder in de Heimanshof.

 braamsluipervogelsBraamsluiper1 jun 2008juni

Braamsluiper, 1 jun 2008

 braamsluiper

De braamsluiper is een onopvallende vogel die zich zelden buiten dicht struikgewas laat zien. De vogel verraadt zich eigenlijk alleen door zijn opvallende, ratelende zang, die vanaf een verborgen zangpost wordt voorgedragen. Vooral in de periode vanaf koninginnedag tot ongeveer half juni. Erg opvallend gekleurd is de braamsluiper ook niet. Zijn meest opvallende kenmerk is zijn hals: slechts weinig zangvogels hebben zo′n witte keel (zie foto). Van dit kenmerk is zijn Engelse naam afgeleid (Lesser whitethroat: kleine witkeel). Het nest van de braamsluiper wordt gemaakt in een dichte en bij voorkeur stekelige struik, zoals een meidoorn, vuurdoorn of braamstruik. Deze omgeving gebruikt de braamsluiper ook om naar insecten, rupsen en spinnetjes te zoeken. Het nest bestaat uit een met verdord gras en worteltjes opgebouwde kom. Het mannetje bouwt meerdere nesten op een goed verstopte plaats. Het vrouwtje kiest één van deze nesten

en bekleedt het met plantenmateriaal en spinrag.

Bijzonder

Onze braamsluipers overwinteren helemaal in Oost-Afrika. Andere verwante broedvogels, zoals de grasmus, overwinteren in de strook ten zuiden van de Sahara. Deze vogels hebben vallen vaak ten offer aan de regelmatig optredende droogtes in dat gebied. De braamsluiper heeft daar minder last van.

Waar

De braamsluiper is een vrij schaarse broedvogel. Hij verschijnt in de eerste helft van april en is voor 15 september weer vertrokken. De broedvogelstand van de braamsluiper neemt gestaag toe, ten opzichte van een paar decennia geleden. SOVON schat de stand op dit moment op 13.000 tot 20.000 paar in Nederland. Braamsluipers verblijven slechts zelden in boomloze gebieden. De soort geeft de voorkeur aan gebieden met een hogere begroeiing en mijdt terreinen met slechts hier en daar een struik. In heel Nederland lijkt de braamsluiper te profiteren van de typische nieuwbouwwijk-tuinen en beplantingen met meidoorn, berberis en ligustersoorten. Deze trend is ook in de Haarlemmermeer waarneembaar. Vooral in wat oudere wijken met hogere bomen en struiken is de ratelende zang elk jaar meer te horen. De laatste 5 jaar is de braamsluiperstand alleen al in de oude kern van Hoofddorp van 1-2 naar een paar of 10 toegenomen. Meldingen bijzo

 bramengalmijtmetmijtinsectenBramengalmijt5 sep 2010september

Bramengalmijt, 5 sep 2010

 bramengalmijtmetmijt

Deze column gaat over een dier dat nauwelijks te zien is en dat op bramen leeft. Sommige braamstruiken krijgen bramen die niet rijp worden. Vooral de bovenste helft van de braam wordt wel rijp, maar de onderste helft blijft rood en smakeloos. Dat wordt veroorzaakt door een miniscuul beestje dat familie is van de spinnen: de bramengalmijt. Dit heet ook wel rode vruchtziekte. Rode vruchtziekte dankt zijn naam aan de rood en onrijp blijvende korrels van bramen. De rode vruchten blijven tot het volgende voorjaar aan de struik hangen.

Bijzonder

De bramengalmijt is 0,18 mm lang, wittig van kleur en heeft twee paar ´poten´. Je hebt een 10-15x vergrotende loep nodig om hem te kunnen zien. Aangezien de bramengalmijt een vrij verborgen levenswijze heeft, is bestrijding niet eenvoudig. De enige

vorm van natuurlijke bestrijding is het verwijderen van aangetaste vruchten om de populatie mijten laag te houden het verwijderen en verbranden van afgedragen stengels vòòr de winter.

Waar

Aantasting van de vruchten ontstaat doordat de bramengalmijt zijn eieren legt in de bloem. De daaruit ontwikkelende mijten zitten in de vrucht en spuiten een stof in de korrels, waardoor deze niet verder rijpen. Van de bramengalmijt overwintert alleen het vrouwtje als volwassen mijt achter de knopschubben of diep in knoppen. Vanaf oktober gaat ze in rust en begin maart komt ze weer tevoorschijn. Ze begint zich te voeden aan de openbrekende knop en de ontvouwende blaadjes. Vanaf begin april legt ze haar eieren tussen de haren aan de onderkant van het blad. Na enkele weken ontwikkelen zich daaruit de larven, die zuigen aan het blad. Vanaf half mei zijn ze ontwikkeld tot volwassen mijten, die vanaf begin juni hun eieren afzetten in de bloemen. Deze ontwikkelen zich vrij snel weer tot een nieuwe generatie mijten en zo kunnen er vanaf augustus tot oktober verscheidene generaties mijten ontstaan. Het zijn de mijten van deze generaties die de deels onrijp blijvende vruchten veroorzaken.

 brandgans1vogelsBrandgans20 feb 2010februari

Brandgans, 20 feb 2010

 brandgans1

Met alle sneeuw van deze winter is het in het luchtruim boven de Haarlemmermeer niet alleen druk met vliegtuigen. Nederland is namelijk een belangrijk toevluchtsoord voor allerlei soorten ganzen uit het hoge noorden. Een van de talrijkste en meest opvallende soorten in Nederland is de brandgans. Een groot gedeelte van de wereldpopulatie overwintert in Nederland. Afhankelijk van de vorst en de sneeuwgrens verplaatsen veel ganzen zich tussen het Waddengebied, Flevoland, de veenweiden van Holland en de Zeeuwse Delta. Bij die verplaatsingen treken er vaak grote groepen over de Haarlemmermeer en komen ook hier op akkers en weilanden fourageren. De brandgans is door zijn contrastrijke zwart-witte verenkleed ook in de lucht goed te herkennen.

Bijzonder

Brandganzen eten vooral gras, maar ook mos en ongebruikelijk voor ganzen ook veel zaden. Het eiwit daarvan wordt verteerd, en het groene gras zelf wordt weer uitgescheiden. Ze eten vooral overdag en tegen het

vallen van de avond zoeken ze een veilige rustplaats. Tijdens de poolzomer zijn ze 24 uur per dag actief, om hun jongen te beschermen en om reserves op te bouwen voor de trek naar het zuiden.

Waar

De brandgans broedt op rotskusten op Groenland, Nova Zembla en Spitsbergen. Tegen roofdieren bouwt de vogel zijn nest op een plaats die meestal alleen vliegend te bereiken is. Er zijn brandganzen die ook in Nederland broeden. Net als bij Canadese ganzen en Nijlganzen stammen deze af van uit parken ontsnapte dieren. De vogels overwinteren, vaak in groepen van duizenden vogels, vooral in Friesland, het Deltagebied, Noord Groningen en de Dollard. In de wintermaanden worden er honderdduizenden exemplaren waargenomen. Het maximum aantal in één groep was 150.000. Over de Haarlemmermeer vliegen vooral de inheemse grauwe en nijlganzen. Maar ook groepen brandganzen kunnen van tijd tot tijd worden waargenomen en bij het Kunstfort verblijven ´inheemse´ brand- en Canadese ganzen jaarrond.

 brandgans

 brasemvissenBrasem6 mei 2010mei

Brasem, 6 mei 2010

 brasem

Wie dezer dagen langs een sloot, vaart of kanaal met oevervegetatie wandelt, kan het bijna niet missen: op vele plaatsen zijn grote vissen (50- 70 cm) aan het plonzen dat het een lieve lust is. Dat is een teken dat het water al weer opgewarmd is tot een graad of 12. En bij die temperatuur krijgen brasems het op hun heupen om te paaien. Dat doen ze op zeer ondiepe plekken tussen oevervegetatie. De mannetjes verdedigen kleine territoria, waar ze andere mannetjes uit verjagen. Vrouwtjes produceren 90.000 tot 300.000 kleverige eitjes, die op plantenmateriaal worden afgezet. De brasem is een scholenvis, zelfs de hele grote exemplaren komen nog in kleine groepjes voor. Op gunstige plaatsen graven de brasems samen in de modder, waar ze eetbare bodemdiertjes uitfilteren. Modder en plantendelen worden weer uitgespuugd.

Bijzonder

De

brasem heeft een woord aan de Nederlandse taal toegevoegd: verbraseming. Dat is een proces waarbij oppervlaktewater vertroebeld raakt. In helder water begint dit vaak door het wegvallen (of vangen) van jagers zoals de snoek. Hierdoor treedt een enorm geboorte-overschot van voornal jonge brasems op. Deze jonge brasems (tot 45 cm) eten eerst het dierlijk plankton op, dat zich met plantaardig plankton pleegt te voeden. Dat levert de eerste vertroebeling op. Grotere brasems moeten daarna overschakelen op bodemvoedsel (muggenlarven), dat niet in voldoende hoeveelheid aanwezig is. Daardoor woelen zij op zoek naar voedsel extra veel bodemmateriaal op. Hierdoor neemt de vertroebeling nog meer toe. In wateren met deze structurele vertroebeling gedijen de meeste ander soorten vis slecht en krijgt de brasem een soort monopolie. Terugdringen van verbraseming lukt soms door het terugdringen van voedselrijkdom van water en het introduceren van waterplanten en driehoeksmossels (die veel water filteren).

Waar

Brasem is een van de algemeenste zoetwatervissen van Nederland. Ze komen veel voor in kleine en grote rivieren, polderwater, zandafgravingen en kanalen.

 brilduiker1vogelsBrilduiker12 feb 2012februari

Brilduiker, 12 feb 2012

 brilduiker1

Brilduiker Al jaren kijk ik uit naar een van de mooiste eenden soorten. En deze week was het (dankzij de vorst?) eindelijk raak. Op de open plekken in het grote meer in het Haarlemmermeerse Bos zaten tussen nonnetjes, dodaars en 3 soorten ganzen, 3 brilduikers. Brilduikers zijn net als de veel algemenere kuifeenden, duikeendjes en hebben net als hen een zeer opvallend goudgeel oog. De naam brilduiker komt van het mannetje dat een witte vlek onder beide ogen heeft. De vrouwtjes zijn minder spectaculair getekend (zie foto). Zoals de meeste eendensoorten zijn brilduikers in de winter op hun mooist. In het vroege voorjaar worden er paartjes gevormd met baltsgedrag waarbij het normaliter stille mannetje raspende geluiden maakt en zijn kop achterover gooit.

Bijzonder

Brilduikers zijn een in Nederland beschermde (rode lijst) soort. Maar wereldwijd zijn ze niet bedreigd. Brilduikers zoeken overdag voedsel (voornamelijk schelpdieren, garnalen, insectenlarven) door te duiken tot op 4 m diepte. In de herfst wordt ook plantaardig voedsel (zaden, knollen, wortels en bladeren van waterplanten) gegeten. Het voedsel wordt meestal al onder water

ingeslikt. In de vlucht is de brilduiker te herkennen aan de snelle vleugelslag, waarbij een fluitend geluid te horen is dat veroorzaakt wordt door de slagpennen van de vleugels.
:

Waar

De brilduiker heeft een voorkeur voor gebieden met heldere meren omzoomd door oude bossen. Het is een holenbroeder die in grote spechtenholen en ook in nestkasten broedt. In Nederland broeden ze sinds het einde van de vorige eeuw langs de Ijsel af en toe in holtes van oude knotbomen. Deze populatie bestaat inmiddels uit 15- 20 paar. In Scandinavië, Rusland en Schotland zijn ze een algemene soort. Nederland maakt wel onderdeel uit van hun overwinteringsgebied, vooral tussen december en maart. Duizenden exemplaren verblijven dan in het deltagebied, op het IJsselmeer en in de grote rivieren, maar ook op kleinere wateren. Dus zowel in zoet als in zout water.

 brilduikerpaartje

 bruinekiekendiefvrouwvogelsBruine Kiekendief24 jun 2008juni

Bruine Kiekendief, 24 jun 2008

 bruinekiekendiefvrouw

De bruine kiekendief is een grote roofvogel, die meestal laag over moerassen en rietvelden zweeft, met de voor alle soorten kiekendieven kenmerkende houding : een golvende vliegbeweging, met de vleugels in een ondiepe V-vorm. Bruine kiekendieven nestelen op de grond in het riet of in graanvelden. De bruine kiekendief jaagt voornamelijk op prooien als kleine zoogdieren, vogels en amfibieën. Het vrouwtje is, net als de andere twee in Nederland voorkomende kiekendieven, groter dan het mannetje. Het vrouwtje heeft een donkerbruine kleur met een lichtere staart en een opvallend lichtgele kruin. Het broedseizoen voor de bruine kiekendief begint vanaf begin april maar loopt door tot ver in mei. Er worden meestal 4 - 6 eieren gelegd, afhankelijk van het voedselaanbod in dat seizoen.

Bijzonder

De kiekendief is het symbool van de provincie Flevoland, waar de soort een sterk in aantal toenam door de rietvelden in de net drooggelegde polders. Van Flevoland uit herkoloniseerde de soort

Nederland na de 60-tiger jaren toen ook het gebruik landbouwgif minder werd.

Waar

De bruine kiekendief heeft als broedgebied de voorkeur voor moerasgebieden met (oude) rietvelden. Door het verdwijnen van veel van deze gebieden is de vogel de laatste eeuw sterk in aantal achteruit gegaan. Het aantal broedvogels in Nederland wordt geschat op 1000-1500 paar . De laatste jaren is de soort vrij succesvol. Met het toenemen van het aantal broedparen is echter ook de kieskeurigheid ten aanzien van broedplaatsen afgenomen. Ze broeden nu ook in akkers, smalle rietslootjes e.d. In en om de Haarlemmermeer komt de soort ook voor b.v in de rietmoerassen van de Westeinder, bij Schalkwijk en ook broedt er in ieder geval 2-3 paar elk jaar in de graanvelden van de polder. Een bijzonder verschijnsel is dat aan het einde van het broedseizoen verschillende families uit de wijde omtrek zich verzamelen om gemeenschappelijk te overnachten. Bij Badhoevedorp was dat vorig jaar het geval met enige tientallen exemplaren.De soort overwintert voor een klein deel in Nederland, maar de meeste bruine kiekendieven trekken naar West Afrika, met name Senegal en Mali.

 bruinekiekendiefman

 bruinetrilzwampaddenstoelenBruine Trilzwam19 jan 2017januari

Bruine Trilzwam, 19 jan 2017

 bruinetrilzwam

Hoewel in de nazomer en herfst de meeste paddenstoelen te vinden zijn, zijn er ook gedurende de winter genoeg soorten te vinden: oesterzwammen, fluweelpootjes en elfenbankjes staan overal. Het viel me daarbij op dat er vooral veel soorten trilzwammen te vinden zijn: zwarte, felgele trilzwammen en judasoren kende ik al en daar kwam deze week de bruine trilzwam bij. Die had ik nog nooit gevonden en groeide op een dode eikentak. Deze soort lijkt op een heel cluster judasoren bij elkaar.

Bijzonder

Trilzwammen hebben het vermogen om vocht op te zuigen bij natte omstandigheden en bij droge omstandigheden helemaal te verschrompelen. In vochtige omstandigheden groeit de paddenstoel en produceert hij sporen en dat proces valt stil in droge toestand. Dit opzwellen en verdrogen kan vele malen achter elkaar zonder dat

de paddenstoel afsterft. Dat staat in schril contrast met de gewone ‘hoeden vormende’ soorten die daarbij wel afsterven. Trilzwammen hebben meestal uitgebreide lobben en plooien. Daarmee vergoten ze hun oppervlakte en kunnen dan meer sporen produceren. De bruine trilzwam heeft dat proces van lobbenvorming het verst doorgevoerd. Nog een bijzonderheid aan trilzwammen is dat ze zelf in en op hout kunnen groeien maar daarnaast een parasitaire levenswijze kunnen hebben. Ze parasiteren dan op andere paddenstoelen zoals de gele trilzwam op korst zwammen (die voor hen het hout verteren) en de bruin trilzwam op het geslacht van elfenbankjes. Nog een interessante eigenschap van trilzwammen is dat ze vaak eetbaar zijn. Ze smaken echter zoals ze eruit zien: naar koud kraakbeen. Judasoren worden in de Chinese keuken in Tjap Tjoy verwerkt. Ze houden daarbij een goede ‘bite’ en smaken een beetje gepeperd.

Waar

De bruine trilzwam komt voor in loofbossen met beuk, eik en hazelaar begroeiing. De soort komt echter ook op andere loofbomen voor, zoals esdoorn, es, haagbeuk en linde. Soms komt de bruine trilzwam ook voor op sparren.