bovenfoto

Columns:

Sinds april 2006 is er elke week de natuurcolumn 'Ontdek de Flora en Fauna van de Haarlemmermeer' verschenen in de Hoofddorpse Courant.
Deze column heeft ten doel belangstelling voor de verrassende verscheidenheid van planten en dieren in onze leefomgeving te wekken.

 

Hieronder staat de column van deze week en daar onder kunnen alle tot dusver verschenen columns opgevraagd worden. U kunt deze selecteren en sorteren op categorie, onderwerp, het jaar en de tijd van het jaar. Combinaties zijn ook mogelijk. Ga naar de oudere columns

florafauna

Buxusproblemen?, 20 jul 2018

 buxusproblemen

Dit jaar heb ik bij het lopen voor collectes wel 1000 huizen, dus ook voortuinen bezocht. In wel 400 van die tuinen stonden buxusstruikjes. Hetzij solitair of in al-of-niet tuin dominerende heggen. En van die 400 buxuscreaties waren er nog ongeveer 5 intact groen. Bij navraag bleek dat meestal te gaan om mensen die de bui van de buxusmot hadden zien aankomen en met (veel) gif gestrooid hadden. De buxusmot invasie die nu zo’n 2 jaar aan de gang is heeft dus aardig om zich heen gegrepen. Ik durf mijn steekproef nauwelijks om te rekenen naar de impact in de hele Haarlemmermeer, laat staan heel Nederland.

Bijzonder

In De Heimanshof hebben we ook buxusstruiken, vooral als heggetjes in de klooster-/kruidentuin. Ook daar kwam vorig jaar de buxusmot in en ik had me als beheerder al verzoend met de gedachte dat het ook bij ons afgelopen zou zijn dit jaar. Maar

wie schetst mijn verbazing dat week na week verstreek en dat ondanks het ideale (warme en droge) buxusmotweer de heggetjes geen schade kregen en de aangetaste stukken zich zelfs herstelden. (foto). Dat vraagt natuurlijk om een verklaring. Het enige wat ik kan bedenken is dat in het normale stedelijke milieu de biodiversiteit redelijk tot zeer beperkt is, zeker waar de meeste tuinen bestraat zijn (ook niet erg goed voor het opvangen van de te verwachten hoosbuien en hittestress van de klimaatverandering die er in hoog tempo aan zit te komen). Maar in De Heimanshof hebben we een maximale biodiversiteit, zowel veel vogels (in aantal en soorten) en enorm veel insecten: zowel insecten die planten eten, maar ook heel veel soorten die andere insecten lusten. Daarom denk ik dat in een milieu met veel biodiversiteit zoals in De Heimanshof het probleem zich zelf oplost of niet de vorm van de catastrofe aanneemt zoals in de rest van het stedelijk gebied.

Waar

?

Graag hoor ik van andere plekken waar het buxus probleem niet optreedt. Wie weet komt daar een structurele oplossing uit. Maar meer gevarieerd ecologisch groen overal, lijkt me sowieso een aanrader.





Meldingen van bijzondere dieren en planten kunt u doorgeven aan info@stichtingmeergroen.nl .

Persoonlijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkdagen tussen 9:00 en 12.30
en op woensdag tot 17:00 uur bij De Heimanshof, Wieger Bruinlaan 1-7 in Hoofddorp.


Oudere columns:

 

SELECTIEMENU; selecteer op:

categorie
en/of
titel zoekterm

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/of
maand
en/of
jaar
 
 

SORTEREN: klik op de kopjes in de titelbalk om de sortering te veranderen

 

Blz [ 3 ] Ga naar vorige1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 …>> volgende

thumb

categorie: titel: datum: maand:

open/dicht

 kleine dierenRingslang22 nov 2006november

Ringslang, 22 nov 2006

 ringslang

De vaak panische angst van de mens voor slangen heeft al vele ringslangen het leven gekost. De ringslang is echter niet giftig en totaal ongevaarlijk en eet vooral amfibieën zoals kikkers en kleine zoogdieren. De slang dankt zijn naam aan de witte ring om de hals. De gemiddelde lengte is ongeveer een meter, de maximale lengte is twee meter. Mannetjes zijn kleiner dan vrouwtjes; resp. 90-100 en 120-140 centimeter. Net als andere inheemse reptielen zijn zij streng beschermd.

Bijzonder

Ter verdediging houdt de ringslang zich schijndood. Het dier rolt zich dan op zijn rug, iets wat levende slangen nooit doen. De slang beweegt niet en kan zelfs een overtuigende ′lijkenlucht′ afscheiden uit speciale klieren bij de anus. De ringslang is de enige eierleggende slangensoort in Nederland. De eieren worden afgezet broedhopen, meestal composthopen waar de temperatuur door broei hoger is. Er worden gewoonlijk 10-40, maximaal 50 eitjes gelegd, afhankelijk

van de grootte van het vrouwtje. Meerdere vrouwtjes maken soms gebruik van dezelfde broedhoop. Afhankelijk van de temperatuur komen de jongen na ongeveer twee maanden uit het ei.

Waar

De ringslang komt in bijna heel Europa voor, behalve boven de poolcirkel. In Nederland worden de grootste aantallen gevonden aan de randen van het Gooi, de Utrechtse Heuvelrug, de Veluwe en rond de Oostvaardersplassen. Ook in en om de Haarlemmermeer komt de ringslang voor. Een vrij grote populatie bevindt zich rond de Kleine Poel tot de Westeinder. Een onderdeel van die populatie woonde eens waar nu Schiprol-Rijk ligt. In de jaren tijdens de bouw en daarna zijn waarschijnlijk alle dieren al of niet opzettelijk omgekomen. Een 2e populatie bewoont het Haarlemmermeerse bos. Deze groep is waarschijnlijk verbonden met dieren die rond Haarlem/Schalkwijk leven. Bij de bouw van het Spaarne ziekenhuis en Floriande zijn net als bij Schiphol Rijk veel dieren omgekomen. Een opgejaagd exemplaar is in november (tijdens zijn winterslaap!) in Overbos door de dierenambulance opgehaald. Van een derde groep dieren langs de Ijweg en bij Nieuw Vennep worden ook regelmatig dieren in nood gemeld. In het voorjaar van 2006 nog een net uit het ei gekomen jong in de bebouwde kom van Nieuw-Vennep.

Status:Rode lijst: streng beschermd

 plantenKorstmossen1 dec 2006december

Korstmossen, 1 dec 2006

 korstmosbolletjesgeleimos

Hoewel korstmossen op het eerste gezicht plantachtige organismen lijken, zijn ze in werkelijkheid een symbiose van twee typen organismen: een schimmel met een groenwier of blauwalg. Soms zijn deze zo sterk met elkaar verbonden dat ze zonder elkaar niet kunnen bestaan. Vermeerdering vindt plaats door sporen die over grote afstanden door de lucht verspreid worden. Als op de landingsplaats een geschikte alg wordt gevonden, wordt een nieuwe plant gevormd. Veel korstmossen hebben ook een vegetatieve wijze van verspreiding, waarbij de schimmel en de algen in poedervorm of grotere fragmenten samen blijven.
Korstmossen zijn gevoelig voor luchtverontreiniging. Sommige soorten verdwijnen in gebieden waar de concentratie zwaveldioxide (SO2) hoog is. De aan- of afwezigheid van korstmossen wordt daarom wel gebruikt als een indicator voor luchtverontreiniging. Ook in gebieden waar veel ammoniak in de lucht zit verdwijnen sommige korstmossoorten. Andere soorten groeien echter beter met ammoniak. Gelukkig zijn de laatste jaren de korstmossen in Nederland en België zich weer aan het herstellen, doordat de zwaveldioxideuitstoot is verminderd sinds er minder kolen worden gebruikt.

Bijzonder

Korstmossen

zijn een van de weinige organismen die een verblijf van twee weken in het vacuüm en de extreem sterke UV-straling van het heelal kunnen doorstaan. Veel korstmossen groeien zeer traag (soms niet meer dan 0,1 mm per jaar), en daarom vooral op kale rotsen en stenen, waar ze niet door andere planten en mossen kunnen worden verdrongen. Ze vragen niet veel voedingsstoffen, en kunnen die vaak halen uit het stof in de lucht. Ook kunnen ze in geval van uitdroging lange tijd, vaak jarenlang, in een rustfase blijven, en na toevoeging van water weer tot leven komen.

Waar

In de Haarlemmermeer zou je met het vele auto- en vliegverkeer niet veel bijzondere korstmossen verwachten. Bij een gedetailleerde inventarisatie op De Heimanshof werden er toch maar liefst 108 soorten aangetroffen. Vier daarvan zijn zeldzaam tot zeer zeldzaam in Nederland en twee daarvan (Bolletjes-geleimos zie foto en Sterretjeskorst) zijn zo zeldzaam dat de op de Rode Lijst van bedreigde (en beschermde) soorten staan.

Waar te nemen: het hele jaar

 korsmosbolltejesgelei

 vogelsKrakeend7 dec 2006december

Krakeend, 7 dec 2006

 krakeendpaar

De krakeend is een naaste verwant van de wilde eend. Hij is iets kleiner en zoekt zijn voedsel net als de wilde eend grondelend (staart omhoog en kop naar beneden). Zijn naam komt van het geluid dat hij maakt: namelijk niet ‘kwak’ maar ‘krak’. De soort is aan twee kenmerken goed te herkennen: de zwarte kleur onder de staart (zie bij het mannetje op de foto) en de witte spiegel op de vleugel. Deze witte spiegel is ook nog bij de opgevouwen vleugels te zien (zie bij het vrouwtje op de foto). Oorspronkelijk is het een broedvogel van de meren en moerassen in de steppen van Midden- en West- Azië tussen 55 en 40 graden noorderbreedte, maar mogelijk door ontginning van deze gebieden heeft deze eend zijn areaal westwaarts uitgebreid. De soort komt ook vaak voor op wateren met allerlei kunstmatige dammen, taluds en dergelijke; waarschijnlijk

vormen de zachte draadalgen en wieren welke op het stenige substraat groeien een geliefde voedselbron.

Waar

De krakeend is een typische soort van vrij grote wateren. Krakeenden worden dan ook vooral in de lage delen van Nederland aangetroffen De krakeend leeft op zoet en brak water. Hij nestelt dicht bij meren, moerassen en poldersloten met rijke onderwatervegetatie. Ook in de Haarlemmermeer komt de soort als broedvogel voor en als wintergast. Hoeveel paren hier broeden is ons niet *bekend. Veel groepen krakeenden verzamelen zich ’s winters in de brede vaarten langs de Geniedijk en de 4 merenweg. Groepjes van 10-30 dieren kunnen vaak worden waargenomen. In één geval troffen wij in februari een groep van maar liefst 250 dieren aan die zich op het water en de weilanden rond het fort bij Rijsenhout hadden verzameld.

Bijzonder

Het gaat de krakeend in Nederland voor de wind. Vergeleken met enkele decennia geleden is de populatie in Nederland geëxplodeerd. In de 1975 was het nog een zeldzame broedvogel met 550-800 paar in heel Nederland. In het jaar 2000 werd het aantal broedparen geschat op 6.000 tot 7.000 paar. Sindsdien is het aantal vogels ongetwijfeld nog verder gestegen.

 andersNMEkassen16 dec 2006december

NMEkassen, 16 dec 2006

 cymbidium

Als het herfstig weer is, is er buiten aan planten relatief weinig te beleven, naast wat mossen, paddestoelen en een paar winterbloeiende struiken. Dat geldt niet voor een weinig bekende plek naast De Heimanshof: de NME kassen. NME staat voor Natuur- en Milieu Educatie. De kassen vormen deel van het centrum waar per jaar zo’n 7000 schoolkinderen natuurpuzzeltochten bezoeken. Naast de ontvangstruimte (met de NME mascotte: papagaai Jacob, die al 33 jaar oud is) bestaat het kassencomplex uit nog drie ruimtes. De eerste ruimte heeft een Mediterraan klimaat, de 2e een tropisch klimaat en de 3e is als woestijn ingericht. Zowel in de tropische als de woestijnkas komen er een heleboel soorten voor, die juist gaan bloeien in een koele periode. Daarom zijn in deze

periode van het jaar een aantal prachtige (tropische) orchideeën te bewonderen en staan ook een aantal cactussen en vetplanten in volle bloei. Van de orchideeën zijn het Venusschoentje en de Cymbidium (foto) vermeldenswaard. Van de cactussen en vetplanten bloeien de olifantsoor, de lidcactus, de theeboom en de bekende huiskamerplant Dikblad of Jadeplant, die juist in de warme huiskamer(vrijwel) nooit tot bloeien komt. In de mediterrane kas bloeit de Mirre bijna.

Bijzonder

Zowel orchideeën als vetplanten en cactussen zijn vaak armoede-bloeiers. Zo mag de grond mag niet te rijk zijn en mogen ze niet te veel water hebben. De Cymbidiums gaan b.v de hele zomer naar buiten zonder dat ze (extra) water krijgen. Pas in de herfst gaan ze de kas in en krijgen dan regelmatig water, waarop ze reageren door uitbundig te gaan bloeien.

Waar

De NME kassen liggen tussen De Heimanshof en het kantoor van Buurtbeheer van Rayon 2 en 3 aan de Wieger Bruinlaan 7.

 kleine dierenRugstreeppad22 dec 2006december

Rugstreeppad, 22 dec 2006

 rugstreeppad

De Raugstreeppad wordt ongeveer 8 centimeter lang en is te herkennen aan een lichtgekleurde streep op de rug. De kleur is meestal bruin tot groen met donkere vlekken op de rug. De kop is zeer stomp en heeft kleine ogen en grote gifklieren; voor een mens is het gif niet zo gevaarlijk en zorgt alleen voor irritaties. Het dier is actief in de schemering en nacht. Overdag schuilt het in een meestal zelf gegraven kuiltje van 5- 50 cm diep. De rugstreeppad heeft aanzienlijk kortere poten dan een gewone pad en kan dan ook niet springen, maar alleen lopen. Echter dat kan hij wel hard. In het donker ligt verwarring met een gewone pad daarom niet voor de hand, maar soms wel met een muis! Behalve in de paartijd is het dier niet aan water gebonden. De mannetjes maken dan een geluid dat tot enkele kilometers te horen is. Volwassen padden eten wormen, slakken en insecten. De kikkervisjes eten eerst planten en later insecten en aas.

Bijzonder

De rugstreeppad is een echte pioniersoort. Door zijn ingraafgedrag heeft hij een voorkeur voor

zandige losse grond. Dat zijn vaak bouwterreinen, afgravingen of zanddepots. Vaak wordt hij ingegraven en wel met grondtransporten meegevoerd. Aan de vaak tijdelijke poeltjes in dit soort terreinen heeft hij zich aangepast door een razendsnelle ontwikkeling van ei, via larve tot (piep)klein padje. Ook heeft deze soort verschillende opeenvolgende paartijden, zodat een mislukte poging niet meteen een mislukt jaar is. Het voordeel van deze poeltjes is dat in kleine plasjes geen vissen of andere roofdieren leven en het water snel wordt opgewarmd door de zon.
De rugstreeppad komt wel eens in het nieuws bij bouwprojecten. Het vinden van deze pad leidt namelijk tot onmiddellijke stillegging van de werkzaamheden.

Waar

Deze soort is niet zeldzaam in Nederland, maar omdat hij buiten de Benelux niet veel voorkomt staat hij wel op de rode lijst en is daarom streng beschermd. Het zal geen verbazing wekken dat de graafactiviteit van de mens in de Haarlemmermeer voor deze soort gunstig is. Er waren een aantal populaties bekend, b.v. rond Cruquius, bij Vijfhuizen en natuurlijk rond Schiphol. Of al deze populaties nog lang standhouden na het beëindigen van de graafactiviteiten, is niet bekend. We houden ons daarom van harte aanbevolen voor waarnemingen over de huidige verspreiding in andere recente ‘graafterreinen’ zoals Sportdorp, Floriande, Getsewoud, rond de Toolenburgse plas, etc.

 vogelsDodaars27 dec 2006december

Dodaars, 27 dec 2006

 dodaars

De dodaars is de kleinste fuutachtige. De soort dankt zijn naam aan het korte, witte achterwerk. Dodaarzen zijn broedvogels van ondiepe en beschutte wateren. Duinmeren, uiterwaarden, vennen en brede sloten zijn geliefde broedplaatsen. Het drijvende nest ligt in riet of ruigte aan de waterkant. Dodaarzen leven van waterinsecten, schelpdieren en kleine visjes, die op het oog worden gevangen. In de broedtijd vormen insecten het grootste deel van het menu. De aanwezigheid van waterplanten is een belangrijke voorwaarde voor het voorkomen.

Bijzonder

De dodaars is de kleinste en rondste van onze watervogels.

Hij heeft vrijwel geen staart. Het winterkleed van beide sexen varieert van vaalbruin van boven tot lichtbruin en wit van onderen. De dodaars is opvallend schuw. Bij onraad laat hij zich snel zakken, zodat alleen zijn kop boven het water uit steekt. Soms duikt hij helemaal onder. Deze vogel zal zich niet gauw uit het water wagen, hij beweegt zich zeer onhandig op het land.

Waar

De dodaars is een trekvogel en verlaat de noordelijke gebieden (ook ons land) in de winter. Ons land worden dan echter gebruikt als winterverblijfplaats voor noordelijke dodaarzen. Het aantal broedparen in Nederland wordt door SOVON geschat op ongeveer 2000 en neemt jaarlijks iets toe. In de winter verblijven er soms meer dan 10.000 exemplaren in Nederland. Het is goed mogelijk dat er paartjes broeden in de Haarlemmermeer, maar de grootste kans op een waarneming is in de winter. De overwinteraars kunnen elk jaar in de hoofdvaart en andere grote kanalen worden aangetroffen.

 vissenRivierprik5 jan 2007januari

Rivierprik, 5 jan 2007

 rivierprik

De rivierprik lijkt op het eerste gezicht op een paling. Maar er zijn er grote verschillen. De vis heeft bijvoorbeeld aan beide zijden zeven opvallende kieuwopeningen (zie foto). Verder heeft de rivierprik een zuigbek met kleine tandjes, die werken als een rasp. Met die bek zuigen prikken zich vast aan vissen waarna ze met de rasp de flank openen en leven van het bloed en vlees. Het zijn dus visparasieten. Behalve de rivierprik, die 50 cm lang kan worden, zijn er beek- en zeeprikken, die respectievelijk veel kleiner en veel groter zijn.
De rivierprik leeft ongeveer vier jaar als larve in de bodem van stromende wateren. De tandeloze larven zeven in die tijd voedseldeeltjes uit het water. Als volgroeide prik trekt hij naar zee, leeft daar 2-3 jaar als bloedzuigende parasiet en komt dan als geslachtsrijp dier weer terug om te paaien. Na het paaien sterft hij.

Bijzonder

Het zusje van de rivierprik, de beekprik, is beschermd in de Flora- en Faunawet. Doordat de larven van de rivierprik

grote gelijkenis vertonen met de larven van de beekprik, vallen de rivierprikken tot 15 centimeter eveneens onder de bescherming van de Flora- en Faunawet.

Waar

De rivierprik paait boven grof zand- en grindbeddingen in de middenlopen van rivieren en grote beken. De rivierprik was voor 1945 zeer algemeen in de grote rivieren. In de jaren zestig en zeventig is de rivierprik nog steeds aanwezig in de grote rivieren. Tussen 1986 en 1996 vindt een opmerkelijke toename plaats. Het is opvallend dat het verdwijnen en weer terugkomen van de rivierprik samengaat met de ontdekking van DDT en het verbod op veel pesticiden. De rivierprik wordt in de Haarlemmermeer uitsluitend in de ringvaart gevonden. De vangst is al tientallen jaren hetzelfde met 8-10 exemplaren. De vangsten (in palingfuiken) worden gedaan in de tijd van de palingtrek. Het betreft altijd volwassen exemplaren van een pond of meer. Het is niet bekend of deze dieren in deze omgeving paaien. Mogelijk betreft het dieren, die uit de Rijn afgedwaald zijn.

 rivierprikbek

 vogelsSlechtvalk9 jan 2007januari

Slechtvalk, 9 jan 2007

 slechtvalk

De slechtvalk behoort tot de grootste valken met een gemiddelde grootte van 43 cm. De vogels hebben een lichte onderkant met dwarsbanden en een donkergrijze rug. De jonge vogels zijn eerst bruin. Wereldwijd zijn een twintigtal ondersoorten bekend. Zoals bij de meeste roofvogels is het vrouwtje veel groter en zwaarder dan het mannetje. De prooien zijn vooral vogels (duiven, eenden) die het liefst in de vlucht worden geslagen en meestal op slag dood zijn. De slechtvalk bewoont bij voorkeur steile rotsen en ravijnen.

Bijzonder

De slechtvalk staat bekend als de snelst duikende vogel ter wereld. Het dier maakt vanaf grote hoogte steile duikvluchten en bereikt daarbij snelheden tot meer dan 300 km/uur.
De aantallen slechtvalken namen reeds in de Tweede wereldoorlog sterk af, omdat zij massaal werden afgeschoten omdat zij postduiven vingen (die tussen militaire posten werden gebruikt). In de jaren ′ 60 kreeg de soort in Europa bijna de doodsteek wegens het overmatige gebruik van DDT. Sinds hun bescherming in verschillende landen lijken ze opnieuw aan een opmars bezig.

Waar

In

Nederland en België is deze vogel steeds vaker te bewonderen. Vooral in de winter is de slechtvalk een regelmatige verschijning aan het worden. Sinds het jaar 2000 zijn er al meer dan 5000 waarnemingen in Nederland gedaan. Sinds begin jaren ′90 broedt deze vogel ook in Nederland in speciale nestkasten, die door een slechtvalkenwerkgroep worden geplaatst. Het dichtstbijzijnde nest is reeds meer dan 5 jaar in de toren van de Hemwegcentrale in een nestkast 80 m boven de grond. In Haarlem wordt overwogen een nestkast te plaatsen. Ook de Haarlemmermeer wordt regelmatig bezocht. Frappant is het vaste winterbezoek van een vrouwtje dat al meer dan 5 jaar lang in de buurt van Vijfhuizen is. Aan haar ruipatroon kon afgeleid worden dat zij waarschijnlijk uit Noord-Zweden komt. Ook uit de buurt van Zwaanshoek is ‘s winters een vaste bezoeker bekend.

Terugmeldingen

Een aantal waarnemingen werden gedaan gedurende de zomer van 2007
Waar te nemen: regelmatige doortrekker en wintergast
Status:Rode lijst soort

 slechtvalk-duif

 plantenWinterakoniet en Sneeuwklokjes27 jan 2007januari

Winterakoniet en Sneeuwklokjes, 27 jan 2007

 winteraconiet2

Ondanks het feit dat vorige week de vorst voor het eerst toesloeg, waren er al bolgewassen die het nieuwe jaar aankondigen en in bloei kwamen. De bekendste van deze planten is ongetwijfeld het sneeuwklokje. Weinig bekend is echter dat er minstens 60 soorten sneeuwklokjes bestaan. De allervroegst bloeiende daarvan is het grote sneeuwklokje, die i.t.t de gewone boerensneeuwklokjes wel 15-20 hoog kan worden. Behalve de grote en de gewone sneeuwklokjes zijn er dubbele, smalbloemige, breedbloemige, pollenvormende en wortelstokvormende soorten. Een andere zeer vroeg bloeiende soort is de winterakoniet. Het is een geliefde voorjaarsbloeier vanwege zijn felle, gele kleur. De plant heeft stengels met daarop telkens 1 gele bloem, die omringd wordt door een krans van ongeveer 6 ongesteelde bladeren. De bloemen openen zich alleen als de zon schijnt. Het duurt ongeveer 4 jaar voor zaad volwassen is. Vele piepkleine kiemplantjes staan meestal rond de volwassen

planten (zie foto).

Bijzonder

Winterakonieten en sneeuwklokjes zijn stinsenplanten. Dat is een verzamelnaam voor planten die van elders zijn ingevoerd vanaf de middeleeuwen tot het midden van de vorige eeuw. De planten wisten zich zo goed te handhaven en soms ook uit te breiden, dat ze nu tot de Nederlandse flora worden gerekend. Tot de stinsenplanten worden niet alleen bolgewassen gerekend, maar ook sommige heesters en vaste planten; evenals sommige "onkruiden": zevenblad en fluitekruid. De naam stinsenplant werd voor het eerst gebruikt door een botanicus in1923, die opmerkte dat planten uit deze groep veel voorkomen bij oude boerderijen, kerkhoven, buitenplaatsen of zoals deze gebouwen in het noorden worden genoemd: borgen (Groningen), havezaten (Drenthe en Overijssel) en stinsen (Friesland).

Waar

Boerensneeuwklokjes zijn zeer algemeen verwilderd in tuinen parken en boerenerven. Andere soorten zijn niet zo algemeen. In De Heimanshof kunnen een 10-tal soorten bekeken worden. Sneeuwklokjes komen oorspronkelijk uit Turkije en de Balkan.De winterakonieten worden in het wild als vrij zeldzaam beschouwd. Toch kunnen zij regelmatig in tuinen en parken worden aangetroffen. Winterakonieten komen uit Turkije waar zij o.a in het Taurusgebergte groeien op zo’n 2000 m hoogte.

 vogelsGrote Zaagbek2 feb 2007februari

Grote Zaagbek, 2 feb 2007

 grotezaagbekmanenvrouw

De grote zaagbek is een broedvogel van brede, langzaam stromende rivieren en meren omgeven door uitgestrekte bossen met oude bomen. Voor broeden is de vogel aangewezen op boomholtes. In Nederland komt zo′n habitat niet of nauwelijks meer voor en de grote zaagbek broedt dan ook niet in ons land. In de winter kunnen grote zaagbekken echter regelmatig binnen onze grenzen worden aangetroffen. Vooral de mannetjes (wit-met-groene-kop) zijn dan een opvallende verschijning op plassen en rivieren. Het vrouwtje is totaal anders gekleurd met een rode kop met grote kuif en een grijze rug. De grote zaagbek leeft van vis en jaagt groepsgewijs.

Bijzonder

Maximaal 25% van de Noordwest-Europese populatie van de grote zaagbek verblijft ′s winters in Nederland. Dat zijn ongeveer 20.000 vogels. Op het Ijselmeer lijken de aantallen achteruit te gaan. Mogelijk is dit te wijten aan een verminderde beschikbaarheid

van spiering. ′s Winters baltsen mannetjes door met opgezette kruinveren tegenover elkaar hals- en kopbewegingen te maken.

Waar

De Grote Zaagbek is een wintergast van december tm februari. Het IJsselmeer en het aangrenzende deel van de Waddenzee zijn de belangrijkste overwinterings- gebieden. Daarnaast komt de soort ook voor in het rivierengebied, het Deltagebied, de Biesbosch, op de Noordzee, en in verschillende zoete wateren in het binnenland. Vooral bij strenge vorst verschuift het zwaartepunt van de verspreiding naar het zuiden en neemt het belang van het rivierengebied en het Deltagebied toe. In zulke vorstperioden is de kans zeer groot om groepjes in de Haarlemmermeer te vinden, b.v. in vijvers binnen de bebouwde kom, op de hoofdvaart en op de grotere plassen zoals de Toolensburgse plas. Vorig jaar omstreeks deze tijd verbleef een groep van 2 mannetjes en 11 vrouwtjes in het achterkanaal van de Geniedijk binnen de bebouwde kom van Hoofddorp.

 grotezaagbekman

 vogelsRansuil11 feb 2007februari

Ransuil, 11 feb 2007

 ransuil

Ransuilen leven bijzonder onopvallend en worden dan ook zelden gezien. In de winter hebben ransuilen de neiging om samen de dag door te brengen (‘roesten’) in groepjes van 4 tot soms wel 30 exemplaren. Op zo’n roestplaats zitten de uilen overdag in een gestrekte houding, een boomstam imiterend. Het geluid van de ransuil is al bijna even onopvallend als hun leefwijze. De ransuil houdt zich vooral op in naaldbomen en coniferen. Hij zet zijn oorpluimen rechtop en legt lichaamsveren plat bij verstoring. Hij broedt in verlaten nesten van andere vogels, meestal van kraaiachtigen en roofvogels. Door de zachte winter zijn de uilen nu al aan het baltsen. Daarbij klappen ze in de schemering hun vleugels hoorbaar tegen elkaar.

Bijzonder

Onder de veren gaat een verbazingwekkend klein lichaam schuil. Een uil bestaat vooral uit veren, lijkt het. De snavel is een stuk groter dan het deel dat uit het gezichtsmasker steekt. Muizen worden

altijd in hun geheel naar binnen gewerkt. Net als veel andere vogelsoorten maken ransuilen braakballen, om de onverteerbare delen van hun prooi het lichaam uit te werken voordat hun spijsverteringskanaal verstopt raakt. Onder roestplaatsen kan soms een hele berg van zulke harige ballen worden aangetroffen. I.t.t. bij voorbeeld reigers, die een bijzonder sterk maagzuur hebben waarin ook alle botten oplossen, blijven de botten en schedels in uilenbraakballen herkenbaar bewaard. Voor onderzoekers zijn deze een onschatbare bron van informatie over het menu van de uilen en daarmee ook over de muizen die in een bepaald gebied voorkomen.

Waar

Doordat ransuilen zo′n onopvallend leven leiden is het aantal ransuilen slechts bij benadering bekend. Wel is duidelijk dat deze uilensoort moeilijke tijden doormaakt; de aantallen zijn lager dan circa dertig jaar geleden. Waarschijnlijk broeden er in Nederland ongeveer 5.000 tot 6.000 paren. In de Haarlemmermeer zijn momenteel zo’n 10 roestplaatsen bekend. De aantallen hangen nauw samen met voedselaanbod. Als er veel veldmuizen zijn, dan zijn er rond de 60 en bij weinig veldmuizen zo’n 40 exemplaren in de polder. De winter van 2006-2007 was matig tot slecht. Dat komt omdat we nu in een dal van de muizencyclus zitten, die meestal 3 jaar duurt.

 vissenVetje18 feb 2007februari

Vetje, 18 feb 2007

 vetjemetenzonderparasiet

Het vetje is een karperachtig visje dat leeft in stilstaande en langzaam stromende wateren. Het vetje is een opvallend klein visje met relatief grote schubben en bek. Het heeft een groenbruine rug en een zilverwit tot blauwachtige buik. Het grote (witte) oog is ook karakteristiek. Het vetje voedt zich voornamelijk met watervlooien en met eieren en larven van vis. De soort waardeert schoon water met onderwaterplanten en begroeide oevers.
Een bedreiging voor de soort is het verdwijnen van onderwaterplanten door vermesting en vervuiling. Bij veldonderzoek bleek dat vetjes zich dan maar één generatie lang konden handhaven. Soms komt het vetje massaal voor. De vis is geslachtsrijp als het een lengte van ongeveer 6 centimeter heeft bereikt. De maximale lengte bedraagt 14 centimeter. Exemplaren van meer dan 7 centimeter worden zelden gevangen.

Bijzonder

Pas

sinds 1921 is het vetje bekend uit Nederland. Daarvoor werd hij over het hoofd gezien, of beschouwd als jong ‘witvisje’.
Een groot probleem is het oprukken van een nieuwe parasiet. Deze komt voor bij de de Aziatische Blauwband (een verwante vissoort) die 40 jaar geleden in Roemenië is uitgezet en aan een opmars in heel Europa bezig is. De stand van het vetje loopt sinds die tijd gestaag terug en het dier is daarom op de rode lijst van bedreigde zoetwatervissen gekomen.
Als het vetje in contact komt met het water waarin de blauwband gezwommen heeft, wordt er geen kuit meer geproduceerd en sterft zo’n 70 procent van de populatie elk jaar. De gestorven dieren hebben aanzienlijk schade aan de ingewanden en in het bijzonder aan de geslachtsorganen. Zie de foto voor het verschil van een vis met (onder) en zonder (boven) parasieten.

Waar

Het visje komt op diverse plaatsen door heel Nederland voor, maar als hij een keer wordt gevangen, herkennen vissers het vetje vaak niet. Ook in de Haarlemmermeer komt het vetje voor, vooral in peilvakken met achtervakbemaling en het liefst bij bruggen en waar het water stroomt. Sterfte door de parasiet is hier nog niet waargenomen. Meestal komt het vetje in scholen voor, maar is nergens algemeen.