bovenfoto

Columns:

Sinds april 2006 is er elke week de natuurcolumn 'Ontdek de Flora en Fauna van de Haarlemmermeer' verschenen in de Hoofddorpse Courant.
Deze column heeft ten doel belangstelling voor de verrassende verscheidenheid van planten en dieren in onze leefomgeving te wekken.

 

Hieronder staat de column van deze week en daar onder kunnen alle tot dusver verschenen columns opgevraagd worden. U kunt deze selecteren en sorteren op categorie, onderwerp, het jaar en de tijd van het jaar. Combinaties zijn ook mogelijk. Ga naar de oudere columns

florafauna

Pissebed, 31 mrt 2018

 pissebed-kelder

Met het voorjaar in aankomst worden er weer horden planten en dieren actief. In de 12 jaar van deze columns hebben we er al meer dan 500 soorten behandeld, maar er blijft nog voor jaren genoeg te ontdekken en te verbazen over. Deze week een inkijkje in een vaak ondergewaardeerde groep dieren: de pissebedden. In totaal zijner tot dusver meer dan 35 soorten van ontdekt en beschreven in Nederland. De meest algemene soorten zijn de ruwe pissebed die gaal donker gekleurd is, de grijs gekleurde kelderpissebed en de oprolpissebed.

Bijzonder

Pissebedden zijn kreeftachtigen. Dat zijn van oorsprong waterdieren. Er bestaan ook zoetwaterpissebedden die talrijk zijn in sloten en vijvers. Net als kreeften ademen pissebedden via kieuwen. Die moeten altijd vochtig blijven. Het pantser van landpissebedden ziet er degelijker uit dan

het is. Het is nl door latend voor ammoniak- en water waardoor ze continu transpireren. De pissebed hoeft ondanks de naam nooit te plassen, omdat de stikstofverbindingen (ammoniak) verdampt. Misschien heeft de naam pissebed te maken met de geur van ammoniak (urine) die soms te ruiken is. Een pissebed leeft van plantaardig materiaal, zoals rottend hout en bladeren en heeft vele vijanden, waaronder insecten, spinnen, amfibieën en vogels. Blauwe of paarse pissebedden zijn geen andere soort, maar hebben een virusinfectie waardoor ze na 1 of 2 weken sterven.

Waar

Veel landpissebedden zijn cultuurvolgers die oorspronkelijk uit Europa komen, maar tegenwoordig tot in Nieuw-Zeeland te vinden zijn. Landpissebedden leven in een microhabitat, de omstandigheden maakt ze weinig uit, als het maar vochtig is en er schuilplaatsen en voedsel zijn. Pissebedden komen in allerlei habitats voor, van bossen tot graslanden en ook tuinen zijn geschikte leefgebieden waarvan veel mensen pissebedden kennen Uit drogen is het grootste gevaar voor pissebedden.Ze komen dan ook altijd voor in vochtige ruimtes zoals kelders of onder schors, strooisel laag of hout en stenen e.d.





Meldingen van bijzondere dieren en planten kunt u doorgeven aan info@stichtingmeergroen.nl .

Persoonlijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkdagen tussen 9:00 en 12.30
en op woensdag tot 17:00 uur bij De Heimanshof, Wieger Bruinlaan 1-7 in Hoofddorp.


Oudere columns:

 

SELECTIEMENU; selecteer op:

categorie
en/of
titel zoekterm

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/of
maand
en/of
jaar
 
 

SORTEREN: klik op de kopjes in de titelbalk om de sortering te veranderen

 

Blz [ 6 ] Ga naar vorige1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 …>> volgende

thumb

categorie: titel: datum: maand:

open/dicht

 kleine dierenBunzing30 mrt 2007maart

Bunzing, 30 mrt 2007

 bunzing

De bunzing is een kleine marterachtige. Een volwassen exemplaar wordt 30 tot 50 cm. Mannetjes worden een stuk groter dan vrouwtjes.
De bunzing heeft een donkere vacht en een opvallende koptekening (zie foto) Als het dier in het nauw wordt gebracht, spuit het een stinkende muskusvloeistof uit de stinkklieren bij de staart. Dit gebruikt hij ook voor het markeren van zijn territorium. Een bunzing leeft alleen is vooral ‘s nachts actief. Zijn nest is zelf gegraven, een verlaten konijnenhol of een holte tussen stenen of takkenhopen. Al vroeg in het voorjaar begint de paartijd.
Na 6 weken worden eenmaal per jaar twee tot twaalf jongen geboren. De vroegste nestjes zijn rond begin mei. In het wild worden bunzings vier tot vijf jaar oud. In gevangenschap kunnen ze wel 14 jaar worden.

Bijzonder

De bunzing is een felle rover. Het is

de wilde voorvader van de fret. Knaagdieren en kikkers vormen zijn belangrijkste voedsel, maar ook konijnen, vogels, regenwormen, insecten, hagedissen en ook aas worden gegeten. Als een bunzing er in slaagt een kippenhok binnen te komen volgt er een slachtpartij waarbij hij vele, zo niet alle kippen doodt.
Hij hanteert verschillende tactieken voor het doden van de prooi: een kikker wordt in de nek gebeten, een muis in de kop en een konijn in de neus. De bunzing legt voedselvoorraden aan. Soms kunnen enkele tientallen kikkers en padden worden aangetroffen bij een hol.

Waar

De bunzing komt alleen in Europa voor. De oostelijke grens ligt bij de Oeral, de noordgrens in Zuid-Scandinavië en de zuidgrens in Sicilië. Doordat ze niet kieskeurig zijn met hun voedsel, komen bunzings voor in vele landschapstypen. Hun favoriete biotoop is open land bij water met verspreide bosjes. In de Haarlemmermeer komen ze meestal voor bij boerderijen, bij voorkeur op erven met takkenhopen en rommelhoekjes. Hoeveel bunzings er hier is niet bekend. Ze worden meestal opgemerkt als ze overreden worden of als ze het aan de stok krijgen met kippen of katten. Graag worden we op de hoogte gesteld van waarnemingen.

 vlindersBuxusmot6 okt 2016oktober

Buxusmot, 6 okt 2016

 bbuxusmot

De natuur is permanent in beweging en in ontwikkeling. De laatste tijd speelt de mens daar een belangrijke rol is. Al honderden jaren introduceren we bewust planten en dieren die we overal op de wereld tegen komen, het zij als voeding- of siergewas of huisdier. En met het massale reizen, wat de mondiale economie met zich mee heeft gebracht, is dat is dat de laatste 20-30 jaar eufemistisch gezegd, niet minder geworden. Regelmatig blijken soorten die we van ver weg mee nemen zich tot een plaag te ontwikkelen. Iedereen kent wel voorbeelden zoals de nijlgans, de tijgermug, en de waterhyacint bv. De meeste tuinplanten zijn ook exoten. Een bekende tuinplant is het buxus struikje. Rond 2006 is met een zending buxusstruikjes uit China de busxusmot in Duitsland verzeild geraakt. En die mot of nachtvlinder is in een flink tempo Europa aan het veroveren (Duitsland 2006, Zwitserland en Nederland 2007, Engeland 2008, Frankrijk en Oosten

rijk in 2009, Italië 2013.Dennemarken 2013) . Vorige maand is deze mot ook voor het eerst in de Haarlemmermeer waargenomen en gefotografeerd door Lou vd Linden, die mij regel matig verrast met bijzonderheden.

Bijzonder

De Buxus mot maakt 2-3 generaties per jaar. Vraat aan de bladeren begint binnen in de struik. Daardoor wordt een aantasting vaak pas (te ) laat ontdekt als de grotere rupsen in steeds sneller tempo een struik ontbladeren. In zijn natuurlijke gebied heeft de soort natuurlijke vijanden, die de ontwikkeling van de aantallen in balans houdt. Dat is in Europa niet het geval. Alleen in Zuid- Frankrijk is per toeval eerder de Aziatische wesp geïntroduceerd, die de buxusmot op z’n menu heeft staan.

De buxusmot heeft een vleugelspanwijde van 4-4.5 cm en komt voor in twee kleurvariëteiten: een bijna geheel witte en een bijna bruine (Foto)

Waar

De busxusmot is inheems in Oost Azië en komt sinds zijn introductie in Duitsland in een groot gedeelte van West- Europa voor en werd dit jaar verschillende keren in Hoofddorp gemeld.

 vogelsCanadese Ganzen2 aug 2007augustus

Canadese Ganzen, 2 aug 2007

 canadesegans

Deze forse ganzensoort (bijna zo groot als een zwaan) komt oorspronkelijk uit Noord-Amerika. Echte wilde Canadese ganzen zijn zeer zeldzaam. Vrijwel alle Canadese ganzen in Nederland zijn verwilderde afstammelingen van vogels die voor de jacht zijn uitgezet, aangevuld met siervogels uit parken.
De Canadese gans is een planteneter, met zijn lange hals gespecialiseerd in het eten van voor andere grondelaars onbereikbare onderwaterplanten. Maar ook mals gras, sappige kruiden en jonge blaadjes van struiken worden wel gegeten.

Bijzonder

: Ganzen kunnen tot 30 jaar oud worden. Adulte ganzen ruien alle slagpennen tegelijkertijd en kunnen daardoor ongeveer 1 maand niet vliegen. De rui valt meestal samen met de periode waarin de jongen zich in het nest bevinden. Anders dan bij eenden hebben mannetjes en vrouwtjes hetzelfde verenkleed. Ganzen trekken in familieverband of grote troepen. Ze vliegen in V-vormige formaties of golvende linies. Door

in V-formatie te vliegen hebben de vogels een voordeel. De ganzen die volgen maken gebruik van de lift die volgt uit de vleugelslag van de voorganger. Tijdens het vliegen communiceren de ganzen met elkaar. De achterste ganzen moedigen de voorste aan om op snelheid te blijven.
Als een gans ziek wordt of gewond raakt en daardoor niet meer in staat is mee te vliegen dan zullen twee ganzen bij de zieke gans blijven totdat deze hersteld is of overleden. Samen zullen de ganzen trachten hun groep in te halen.

Waar

Sinds circa 1650 is de Canadese gans begonnen aan zijn opmars in Europa, nadat de vogels als jachtwild naar Europa zijn gehaald. De verwachting is dat de soort zich nog verder over Europa en Azië zal gaan verspreiden. Het bestand in Nederland bedraagt ongeveer 1.000 tot 1.400 paren, maar daarnaast leven er een flinke hoeveelheid jonge vogels. Canadese ganzen zijn pas geslachtsrijp op tweejarige leeftijd. Vooral in de natte delen van Nederland weet de Canadese gans zich uitstekend te handhaven. Rond de grote rivieren zijn Canadese Ganzen al een gewoon verschijnsel geworden. Het lijkt erop dat de Canadese gans ook zijn weg naar de Haarlemmermeer heeft gevonden. Bij Fort Vijfhuizen verblijft al het hele jaar 2007 een groepje van 5-6 onvolwassen dieren, overigens in het gezelschap van een brandgans.

 paddenstoelenCedergrondbekerzwam20 apr 2006april

Cedergrondbekerzwam, 20 apr 2006

 cedergrondbekerzwam

Iedereen ziet wel eens een dier of plant die hij niet thuis kan brengen. Lang niet altijd is dat iets bijzonders, maar toch komen ook in de Haarlemmermeer veel echt bijzondere planten en dieren voor. Als je nieuwsgierig bent naar wat het is, zoals mevrouw Steenbrink aan de Kruisweg in Hoofddorp, die vreemde knollen in haar tuin vond onder een blauwe ceder, kan het een lange zoektocht worden. Buren noch kennissen, radio noch internet leverden haar een antwoord op. Uiteindelijk kwam ze bij De Heimanshof terecht, die een aanzienlijke ervaring heeft op het gebied van veldbiologie en een uitgebreide determinatie-bibliotheek voor inheemse soorten.
Echter ook in die bibliotheek werd niets gevonden. Uiteindelijk bracht de Nederlandse Mycologische Vereniging (paddestoelenvereniging) uitkomst. Het bleek een Cedergrondbekerzwam, die eigenlijk uit Zuid-Europa komt en waarschijnlijk door de klimaatopwarming steeds verder naar het noorden voorkomt. Voor meer informatie en een foto, zie de algemene informatie

onderstaand. De Heimanshof houdt zich aanbevolen voor vragen over onbekende planten en dieren die in de Haarlemmermeer gezien worden.

Achtergrondinformatie over de Cedergrondbekerzwam:
Op de grond rond de stam van Ceders kan volgens de paddestoelendeskundige Hans Adema, de Cedergrondbekerzwam (zie afbeelding), Geopora sumneriana, worden gevonden. Dat is een vrij grote cirkelronde bekerzwam, die meestal half ingegraven (geopora, =aardgaatje) in de grond zit. Van buiten is zij donker reebruin, van binnen grijsbeige.
Meestal verschijnt zij eind januari en blijft zij aanwezig tot eind april. Het is dus een echte winter- en voorjaarssoort.
Het is niet helemaal zeker of het een soort is dat van de afgevallen naalden leeft ( = saprotrofe soort), of dat het een soort is dat heel sterk aan de wortels van de Ceder is gebonden ( = mycorrhizasymbiont).
In de Leidse Hortus heeft zij het tot 2 maal verplanten van de Ceder overleefd, hetgeen een vingerwijzing is in de richting van mycorrhizasymbiont. Deze zwam was tot voor kort (5 jaar) een extreem zeldzame soort, maar is in korte tijd heel gewoon geworden. Zij heeft evenals de Ceder een zuidelijke herkomst. Net als veel andere natuurverschijnselen wijst dit op een stijging van de gemiddelde temperatuur gedurende de laatste jaren.
Zij kan bij elke Cedersoort groeien.

 insectenCitroenlieveheersbeestje29 mei 2010mei

Citroenlieveheersbeestje, 29 mei 2010

 citroenlieveheersbeestje

Lieveheersbeestjes zijn zeer bekende en ook wel gewaardeerde insectensoorten. In Nederland komen een zestigtal soorten voor, die lang niet allemaal rood met zwarte stippen zijn. De grootte van de Nederlandse soorten ligt tussen 2 en 10 mm. De kevers en de larven zijn meestal roofdieren, die vooral leven van bladluizen, maar er zijn ook lieveheersbeestjes met een plantaardig dieet. Een van die vegetarische lieveheersbeestjes is het citroenlieveheersbeestje of 22-stippelig lieveheersbeestje. Dit kleine kevertje wordt 3 tot 4,5 mm lang. In tegenstelling tot de bekende rode lieveheersbeestjes leeft deze soort als volwassen insect niet van bladluizen maar van een schimmelsoort genaamd meeldauw. Meeldauw is een beruchte plantenschimmel. Behalve dat het citroenlieveheersbeestje deze schimmels onschadelijk maakt draagt hij ook bij aan de verspreiding daarvan. Het citroenlieveheersbeestje

dankt zijn naam aan zijn gele kleur, en heeft 22 kleine, ronde zwarte stippen op de dekschilden, het halsschild en de kop. Ook de larve en de pop hebben dezelfde kleuren. Ook de larve leeft van meeldauw. Omdat deze niet kan vliegen draagt de larve veel minder bij aan de verspreiding.

Bijzonder

Als je een lieveheersbeestje plaagt door zachtjes op hem te drukken dan produceert hij een gele vloeistof. Dit gedrag heet ´reflexbloeden´. De vloeistof (hemolymfe), die tevoorschijn komt bij een pootgewricht, heeft een kwalijk geurtje en smaakt erg bitter. Vogels die een lieveheersbeestje oppakken, proeven dit bloed en laten hem dan soms snel vallen. De felle kleur van lieveheersbeestjes is dan ook te beschouwen als een waarschuwing. Dit zie je vaak bij insecten of andere dieren met een giftige of vieze smaak. De vieze smaak wordt veroorzaakt door een stof die per soort verschilt.

Waar

Het citroenlieveheersbeestje heeft een voorkeur voor bosranden en houtwallen. Het is een vrij algemene soort in heel Europa. Door zijn kleine postuur wordt hij vaak over het hoofd gezien.

 insectenCompostduizendpoot27 sep 2009september

Compostduizendpoot, 27 sep 2009

 compostduizendpootgroot

De aanleiding voor deze column was de groentetuinactiviteit van de jeugdnatuurclub. De deelnemende kinderen worden steeds alerter op de natuur om hen heen en proberen elkaar af te troeven met nieuwe ontdekkingen. Er kwam zoals gebruikelijk van alles boven water, zoals koolrupsen, parelstuifzwammen, lieveheersbeestjes en zelfs een heuse koekoekshommel. Maar de topper van een dag was voor Kenmar Kuiper met een lichtschuw, zeer dun en 7 cm lang rennend wezen, dat een compostduizendpoot bleek te zijn. Duizendpoten hebben per segment één paar poten, kunnen hard lopen, zijn felle rovers en hebben gif, waarmee ze hun prooi kunnen verlammen. Ze eten insecten, slakken en wormen, pissebedden en spinnen, die ze verlammen en daarna in stukjes knippen. De kop van een duizendpoot heeft ook 2 grote voelsprieten en puntogen, waarmee ze alleen licht en donker mee kunnen onderscheiden. Nederlandse soorten zijn ongevaarlijk maar kunnen wel bijten. De beet voelt aan als een wespensteek. Vijanden van duizendpoten zijn grotere roofinsecten, zoals loopkevers, amfibieën en vogels.

Bijzonder

Duizendpoten worden in het Engels

(centipede) en in het Duits (Hundertfüsser) "honderdpoot" genoemd. Wat wij in Nederland ´miljoenpoot´ noemen, heet in het Engels millipede (dus ´duizendpoot´). Duizendpoten zijn gevoeliger voor droogte dan miljoenpoten. Ze zijn daarom vooral ondergronds of ´s nachts en na regen actief. Eitjes worden meestal bewaakt door het vrouwtje, die ze ook schoonhoudt om beschimmeling en uitdroging te voorkomen. Als de nimfen net uit het ei kruipen hebben ze altijd minder segmenten en poten dan volwassen dieren. Bij iedere vervelling komt er een segment met potenpaar bij. Het duurt vaak enkele jaren voor een nimf volwassen is. De gewone duizendpoot kan 5-6 jaar worden.

Waar

In Nederland komen 2 typen duizendpoten voor: de kortere, bredere en vaak donkere soorten, die hard kunnen lopen en de langere, blekere soorten, die wat minder snel zijn en in de grond leven. Beide typen vind je vooral onder stenen en hout. De compostduizendpoot is met ruim 110 paar poten één van de langste soorten van ons land. Zijn vorm maakt het deze soort mogelijk om in wormengangen onder de grond en in losse aarde van onder andere composthopen te leven

 compstduizendpoot2

 grote dierenDamhert (1)30 jan 2011januari

Damhert (1), 30 jan 2011

 damhert1

Het kon niet uitblijven. De aantallen damherten in de duinen nemen de laatste jaren snel toe. Afgelopen november zag ik er 35 tegelijk in verschillende roedels in Landgoed Leyduin, toen we de Heimanshofklauterboom ophaalden. 2 dominante mannetjes hadden het merendeel van de vrouwtjes onder hun hoede, 1 mannetje had er 2 en de rest bestond uit groepjes jonge mannetjes. Het zijn vooral die jonge mannetjes die uit de beste plekken gejaagd worden en dan gaan zwerven. Elk jaar zijn er meer die daarbij de ringvaart oversteken (zwemmend of via tunnels en bruggen) net als de vossen. Dit jaar waren er verschillende waarnemingen: 2 liepen er op de Driemerenweg bij de Groene Weelde, één in het centrum van Nieuw- Vennep en 1 mannetje werd dood gereden langs de Hoofdvaart. En waarschijnlijk zijn er nog veel

meer geweest. Ik hoor graag van andere waarnemingen. Het damhert is zeer gevarieerd qua uiterlijk, van zeer lichte tot bijna zwarte exemplaren(zie foto). De vacht is meestal bezaaid met witte vlekjes. Een ander kenmerk, waarmee het damhert zich onderscheidt van andere echte herten (zoals het edelhert), is het schoffelgewei. Hierbij zijn de einden van de takken met elkaar verbonden door platen. Enkel het mannetje draagt een gewei. Het wordt in april en mei afgeworpen, waarna het gelijk weer begint aan te groeien. De basthuid wordt in augustus en september afgeschuurd. Damherten leven in roedels. Na de paartijd leven de volwassen herten in aparte roedels en leven de vrouwtjes (hindes) samen met hun nageslacht en enkele jonge mannetjes (die later de roedel verlaten om in vrijgezellengroepen op te groeien). Het damhert voedt zich voornamelijk met grassen, biezen en kruiden, aangevuld met jonge bladeren, bessen (rozenbottel, braam, bosbes), eikels, granen, wortelen en ´s winters schors, hulst en heide. Het kan twintig jaar oud worden in gevangenschap en meer dan zestien jaar oud in het wild. Dit was de eerste van 2 columns over het Damhert. Volgende week het vervolg

 grote dierenDamhert (2)6 feb 2011februari

Damhert (2), 6 feb 2011

 damhert2

Dit is de tweede column over het optrekken van het Damhert in onze polder en de ecologie van deze soort.

Bijzonder

Het damhert werd in 2004 op de Nederlandse Rode Lijst voor zoogdieren gezet in de categorie bedreigd. De actuele status is ´gevoelig´. Er mag dus niet zomaar op gejaagd worden. Zowel in de duinen als op de Veluwe is daar wel spraken van. Damherten zijn dagdieren. In verstoorde gebieden worden het echter meer schemeringsdieren. Oudere mannetjes hebben de neiging vooral ´s nachts te leven. Het damhert is een goede zwemmer. Half oktober is een heftige tijd voor het damhert: de bronstperiode. De herten vechten dan om een territorium en om en de gunst van een roedel vrouwtjes. Je kunt dan

vaak ondiepe kuilen vinden waar deze arena zich meestal bevindt (wordt ook wel ´lek´ genoemd, mogelijk omdat deze flink met urine besproeid wordt). In deze periode zijn de bokken niet toerekeningsvatbaar.

Waar

Het damhert komt van nature voor in volwassen loofbossen en gemengde bossen, zelden in naaldbossen. Hij heeft een voorkeur voor bossen met een dichte onderbegroeiing, in de buurt van open parkachtig bosgebied en landbouwgronden. De bossen dienen voornamelijk als schuilplaats, terwijl de meer open gebieden als graasplek dienen. In Nederland komt het damhert voor op de Veluwe, in de duinen en op kinderboerderijen en hertenkampen. Tussen de ijstijden leefden de damherten onder andere tot in West-Europa, maar de laatste ijstijd heeft de dieren naar Klein-Azië verdreven. De Romeinen brachten de soort weer met zich mee en verspreidden het dier door het gehele Romeinse Rijk. In onze regio zijn damherten sterk toegenomen in de Kennemer- en Waterleidingduinen. Deze winter waagden weer meer damherten de oversteek over de ringvaart. Het zijn meestal door dominante bokken verjaagde jonge mannetjes. Een exemplaar werd langs de Hoofdvaart doodgereden. Graag hoor ik van andere waarnemingen

 vlindersDistelvlinder19 aug 2013augustus

Distelvlinder, 19 aug 2013

 distelvlinder

Vorige week was het nationale tuinvlindertelling. De planning daarvan had niet beter kunnen zijn na 4-5 weken prachtig ‘insecten’ weer. In geen 10 jaar tijd had ik zoveel vlinders gezien als in deze week. In De Heimanshof telde ik 16 soorten met in totaal ca 250 exemplaren in een half uurtje. Persoonlijk was ik het meest geraakt door de grote aantallen distelvlinders die er dat weekend opdoken. De naam distelvlinder komt van het feit dat de waardplant voor hun rupsen veelal bestaat uit verschillende soorten distels, zoals de akkerdistels, de kale jonker of de speerdistel. Maar de rupsen eten ook van klissen, brandnetels of zonnebloemen. Ook als nectar plant zijn distels geliefd.

Bijzonder

Er zijn, zoals altijd, allerlei strategieën die vlinders gebruiken om te overleven. Sommige vlinders zoals

het Icarusblauwtje blijven altijd dichtbij de plek waar hij als rups geboren wordt. Dat zijn standvlinders. Een heel ander strategie wordt gevolgd door de trekvlinders. De distelvlinder is daarvan een voorbeeld, net als de Atalanta of de kolibrievlinder.

Waar

De meeste distelvlinders die wij in Nederland zien zijn geboren in Centraal Afrika of Noord Afrika. Ze leggen dus voor deze kleine wezens onvoorstelbare afstanden af. Daarbij moet wel gezegd worden dat ze gebruik maken van de wind. Elk jaar zijn er distelvlinders, maar om de 8-10 jaar is er een massale invasie. En dat gebeurt vaak gelijktijdig met het neerdalen van Sahara stof. De aantallen vlinders zijn vooral afhankelijk van jaren met veel regenval in Afrika rond de Sahara. Distelvlinders leggen onderweg eieren waaruit nieuwe generaties vlinders voortkomen tot in Noord Scandinavië . In de herfst gaat de trek in omgekeerde richting, ook geholpen door gunstige winden. Maar vele vlinders vinden de weg niet tijdig terug en komen om. Overwinteren kunnen ze bij ons niet. Alleen de vlinders die in Noord of Centraal Afrika terugkomen zorgen voor een nieuwe generatie voor het volgende jaar.

 vogelsDodaars27 dec 2006december

Dodaars, 27 dec 2006

 dodaars

De dodaars is de kleinste fuutachtige. De soort dankt zijn naam aan het korte, witte achterwerk. Dodaarzen zijn broedvogels van ondiepe en beschutte wateren. Duinmeren, uiterwaarden, vennen en brede sloten zijn geliefde broedplaatsen. Het drijvende nest ligt in riet of ruigte aan de waterkant. Dodaarzen leven van waterinsecten, schelpdieren en kleine visjes, die op het oog worden gevangen. In de broedtijd vormen insecten het grootste deel van het menu. De aanwezigheid van waterplanten is een belangrijke voorwaarde voor het voorkomen.

Bijzonder

De dodaars is de kleinste en rondste van onze watervogels.

Hij heeft vrijwel geen staart. Het winterkleed van beide sexen varieert van vaalbruin van boven tot lichtbruin en wit van onderen. De dodaars is opvallend schuw. Bij onraad laat hij zich snel zakken, zodat alleen zijn kop boven het water uit steekt. Soms duikt hij helemaal onder. Deze vogel zal zich niet gauw uit het water wagen, hij beweegt zich zeer onhandig op het land.

Waar

De dodaars is een trekvogel en verlaat de noordelijke gebieden (ook ons land) in de winter. Ons land worden dan echter gebruikt als winterverblijfplaats voor noordelijke dodaarzen. Het aantal broedparen in Nederland wordt door SOVON geschat op ongeveer 2000 en neemt jaarlijks iets toe. In de winter verblijven er soms meer dan 10.000 exemplaren in Nederland. Het is goed mogelijk dat er paartjes broeden in de Haarlemmermeer, maar de grootste kans op een waarneming is in de winter. De overwinteraars kunnen elk jaar in de hoofdvaart en andere grote kanalen worden aangetroffen.

 paddenstoelenDodemansvingers2 dec 2007december

Dodemansvingers, 2 dec 2007

 dodemansvingers

Dodemansvingers en andere kernzwammen

De Houtknotszwam is een knotsvormige zwam met een duidelijke steel die naar boven toe breder wordt en waarin zich de sporen bevinden. De bijna kogelronde, knotsvormige of ook wel vingervormige zwam (daarom heet hij ook wel dodemanshand of dodemansvingers) maakt een opgezwollen indruk en is van buiten zwart en van binnen wit. Sommige staan alleen, andere in groepjes, meestal aan de zijkanten van een stronk. Ze hebben een zwart wrattig oppervlak. De dodemansvingers worden meestal niet hoger dan vijf centimeter, maar kunnen veel groter worden. De nieuwe vruchtlichamen verschijnen in de herfst. De dodemansvingers horen bij de groep van de kernzwammen. Deze zwammen onderscheiden zich van de meest andere paddestoelvormende zwammen, door het feit dat zij zich in rijpe toestand verharden en daardoor lang overeind blijven en het hele jaar te vinden zijn. Ze zien er wrattig uit door de openingen waardoor de sporen naar buiten komen. Veel soorten zijn erg algemeen. Andere soorten van deze groep zijn de bekende geweizwammetjes en roestbruine kogelzwammetjes. Ook de zeer algemene

meniezwammetjes zijn verwant.

Bijzonder

De dodemansvingers groeien op oude stronken en takken van tenminste 15 cm groot. Het geweizwammetje van 2-6 cm hoog is min of meer geweiachtig vertakt of gevorkt en eerst wit en later zwart van kleur. Deze groeit op rottende takken en stronken, die al ver heen zijn. Een bruinrood kogelzwammetje is meestal 0.5 -1.5 groot en groeit vrijwel altijd in grote groepen en juist op vrij vers afgevallen takken of nieuwe loofhoutstronken. Het meniezwammetje (van 2-3 mm) groeit juist niet op dikke stronken maar op en door de schors van dunne pas afgevallen takken. Hij groeit in dichte groepen en heeft een helderoranje kleur.

Waar

Dodemansvingers kunnen aangetroffen worden in voedselrijke bossen op zand- en leemgrond. Hij is te vinden op stronken van dode loofbomen, meestal beuk of iep. Er is ook een slanke soort: de Esdoornhoutknotszwam maar deze groeit hoofdzakelijk op takken van esdoorn. De dodemansvingers zijn ook in de Haarlemmermeer overal te vinden, b.v in het Wandelbos en in het Haarlemmermeerse bos. In de Heimanshof kunnen we hem zo aanwijzen, en dat is ook het geval voor de andere genoemde soorten.

 dodemansvingers2

 plantenDolle Kervel4 jun 2011juni

Dolle Kervel, 4 jun 2011

 dollekervel

Bijna iedereen kent wel fluitenkruid, een schermbloemige plant die in april de bosranden, weiden en bermen siert. Niet iedereen weet dat er honderden soorten schermbloemen zijn, waarvan er vele de moeite waard zijn om nader te leren kennen. Zo zijn wortels, peterselie, selderij, venkel, pastinaak,kervel, etc allemaal schermbloemen, zonder welke onze keuken een stuk armzaliger zou zijn. We weten alleen vaak niet dat het schermbloemen zijn omdat schermbloemigen een 2- jarige cyclus hebben en voor dat ze aan bloeien toekomen(in hun 1e jaar) eten we ze al op. Daarnaast zijn er nog tientallen wilde soorten schermbloemen die allemaal in De Heimanshof te vinden zijn: engelwortel, berenklauw, grote en kleine bevernel en exotische soorten als gouden ripzaad, beverneltorkruid, torkruid, roomse kervel, naaldenkervel, gevlekte scheerling, waterscheerling en ga zo maar door. Vandaag zag

ik bij verpleeghuis Bornholm een soort massaal bloeien, die ik daar niet zo gauw verwacht had: dolle kervel. Dolle kervel is een wat fijner dan fluitenkruid. Het groeit ook in bosranden en bloeit later dan fluitenkruid. De soort is het best te herkennen aan het feit dat de stengels paars gevlekt en harig zijn.

Bijzonder

Dolle kervel dankt het 1e deel van zijn naam aan het feit dat koeien die er veel van eten, zich gaan gedragen alsof ze dronken zijn. Dolle kervel is dan ook (licht)giftig. Het tweede deel verwijst naar zijn gelijkenis met echte kervel. Maar ze zijn niet nauw verwant.

Waar

Dolle kervel groeit op half beschaduwde plekken op droge tot vochtige, voedselrijke en vaak kalkhoudende grond. Je vind hem in bermen, ruig grasland, heggen, bosranden, braakliggende grond, bij industrieterreinen, plantsoenen en akkerranden. Dolle kervel komt voor in Midden en Zuid- Europa, de Kaukasus en NW Afrika. In Nederland vindt je dolle kervel vooral in Zuid-Limburg, het zuiden van Zeeland, in het rivierengebied en in het oosten en midden van het land. En dus in Bornholm en de Heimanshof.