bovenfoto

Columns:

Sinds april 2006 is er elke week de natuurcolumn 'Ontdek de Flora en Fauna van de Haarlemmermeer' verschenen in de Hoofddorpse Courant.
Deze column heeft ten doel belangstelling voor de verrassende verscheidenheid van planten en dieren in onze leefomgeving te wekken.

 

Hieronder staat de column van deze week en daar onder kunnen alle tot dusver verschenen columns opgevraagd worden. U kunt deze selecteren en sorteren op categorie, onderwerp, het jaar en de tijd van het jaar. Combinaties zijn ook mogelijk. Ga naar de oudere columns

florafauna

Steenrode Heideibel, 18 aug 2018

 steenrodeheidelibel

Libellen zijn er in soorten en maten. De meest algemene kleine soorten heten waterjuffers. Die vouwen hun vleugels samen boven hun lichaam als ze zitten. De grootste soorten van wel 8 cm groot, heten glazenmakers. Dat komt omdat ze hun vleugels breeduit hebben als ze zitten, net zoals de glazenmakers uit de middeleeuwen het glas op hun rug droegen bij aflevering. En dan zijn er de meer gedrongen ‘middensoorten’ die in grootte tussen de juffers en de glazenmakers inzitten. De meest algemene daarvan in onze regio is de oeverlibel, waarvan de mannetjes blauw zijn en de vrouwtjes geel en er is een groep van rode soorten die heidelibellen genoemd worden.

Bijzonder

Ook de midden soorten dragen hun vleugels bij zitstand breeduit. Wereldwijd zijn er ongeveer 70 soorten, waarvan er 10 in Nederland voorkomen, waarvan er 6 nogal zeldzaam

zijn. Hoewel je dat niet zou verwachten, komen heidelibellen op veel plekken voor en niet alleen op heide terreinen. Er zijn 4 vrij algemene soorten, die dit jaar waarschijnlijk door de hoge temperaturen extra algemeen zijn: de zwarte heidelibel die zoals de naam zegt zwart is, de bloedrode heidelibel, de steenrode heidelibel en de bruinrode heidelibel. Het zijn de volwassen manentjes die rood zijn. De vrouwtjes en jonge mannetjes zijn geel, oranje of bruin. Op de foto staat een mannetje van de steenrode heidelibel. Het onderscheid tussen de soorten is vaak niet zo makkelijk. Maar op de foto is te zien dat de poten niet egaal zwart zijn (bloedrode heidelibel), maar gestreept. Dus het is een mannetje steenrode heidelibel. En deze was ver van de heide, gewoon in de Haarlemmermeer te vinden.

Waar

Bruinrode en steenrode heidelibellen zijn algemeen bij allerlei stilstaande wateren en niet zelden komen beide soorten op dezelfde plek voor. De bruinrode heidelibel heeft een lichte voorkeur voor watertjes met weinig vegetatie op de zandgronden en Oost- en Zuid Nederland, terwijl de steenrode heidelibel algemener is bij sterker begroeide wateren op de veengronden in West- en Noord-Nederland.





Meldingen van bijzondere dieren en planten kunt u doorgeven aan info@stichtingmeergroen.nl .

Persoonlijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkdagen tussen 9:00 en 12.30
en op woensdag tot 17:00 uur bij De Heimanshof, Wieger Bruinlaan 1-7 in Hoofddorp.


Oudere columns:

 

SELECTIEMENU; selecteer op:

categorie
en/of
titel zoekterm

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/of
maand
en/of
jaar
 
 

SORTEREN: klik op de kopjes in de titelbalk om de sortering te veranderen

 

Blz [ 2 ] Ga naar vorige1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 …>> volgende

thumb

categorie: titel: datum: maand:

open/dicht

 plantenAnemonen (2)16 apr 2011april

Anemonen (2), 16 apr 2011

 anemonen2oosterseanamoon

Dit is het vervolg van de column over anemonen van vorige week. De bloemen van anemonen zijn fraai en delicaat. Het bijzondere ervan is dat normaliter een bloem bestaat uit gekleurde kroonbladeren en groene ondersteunende kelkbladeren. De anemonen hebben echter geen kroonbladeren maar alleen fraai gekleurde kelkbladeren. De voorplanting van anemonen gaat deels ongeslachtelijk via bolletjes en wortelstokken. Zo breiden ze zich langzaam zijwaarts uit, waardoor de mooie blader- en bloemplakkaten ontstaan. Voor verspreiding over grotere afstanden hebben de anemonen een leuke methode ontwikkeld: elk zaadje is voorzien van een zogenaamd ´mierenbroodje´. Het mierenbroodje is een zoet en/of olierijk uitgroeisel van de zaadhuid. In Nederland komen ongeveer 200 plantensoorten voor die een mierenbroodje hebben. Er zijn ongeveer 15 mierensoorten,

die mierenbroodjes als voedsel gebruiken voor hun larven. Om deze reden slepen de mieren het zaad mee naar hun nest. Tijdens deze tocht kan het zaad al ergens blijven liggen of anders wordt in het nest het mierenbroodje van het zaad afgebeten en het zaad weer naar buiten gebracht.

Waar

Anemonen zijn bosplanten, die houden van een rijke losse strooisellaag en een lemige bodem. In De Heimanshof groeien ze zowel goed in het �rijke� bos waar jaarlijks grote hoeveelheden houtsnippers worden opgebracht als in het �arme� bos, met een zandige bodem (over leem). De bosanemoon lijkt de enige echt inheemse soort te zijn, de blauwe en de oosterse anemoon komen oorspronkelijk uit Zuid-Europa en de gele anemoon uit Centraal Europa en Azië. Zoals de meeste stinsenplanten zijn ze een paar eeuwen geleden door landgoedeigenaren in vooral Friesland en Groningen geïntroduceerd en handhaven zich goed. Het wordt �stins� komt van stenen huis uit de tijd dat er nog maar weinig stenen of versterkte huizen gebouwd werden. De bosanemoon is plaatselijk algemeen en plaatselijk zeldzaam. De gele anemoon is de zeldzaamste van de vier.

 paddenstoelenAnijschampignon24 aug 2012augustus

Anijschampignon, 24 aug 2012

 anaijschampignongewone

Eten uit de natuur is in onze verpakte supermarktcultuur iets wat steeds verder uit beeld verdwijnt. Toch was dit nog geen 50 jaar geleden in Nederland heel gewoon en in veel landelijke streken in Europa wordt nog steeds 20 - 50 % van het dagelijkse voedsel zelf verbouwd en verzameld. Met het verdwijnen van deze cultuur verdwijnt ook onze kennis erover en daarvoor in de plaats ontstaan allerlei vooroordelen. Heel sterk geldt dit bij (het eten van) paddenstoelen. Daarom is het af en toe leuk om u te wijzen op voedsel dat vlak onder onze neus groeit. In Overbos heeft de gemeente in plantsoenen eens 'uitgewerkte' champignon aarde gebruikt, waar in een periode van 6 weken wel 30-50 kg prachtige champignons uit groeiden, maar niemand durfde ze te plukken (behalve ik). Ook heb ik wel eens eekhoorntjesbrood langs de Kruisweg en de grootsporige reuzen champignon in het Haarlemmermeerse Bos vermeld. Deze week fietste ik in Toolenburg bij het Spectrum toen mijn oog viel op een halve heksenkring van reusachtige champignons met een hoed van meer dan 20 cm

breed. Gewoon in het gazon. Mijn paddenstoelengids leerde mij dat de grootsporige, de carbol- en de anijschampignon de enige kandidaten waren voor deze maat.

Bijzonder

Deze paddenstoelen zijn het beste op hun geur te onderscheiden. De grootsporige (eetbaar en lekker) ruikt gewoon naar champignon, de carbolpaddenstoel (een beetje giftig) ruikt onaangenaam naar Carbol en de anijschampignon (eetbaar en lekker) ruikt prettig naar anijs. Mijn neus had geen moeite de juiste soort te bepalen en omdat het er maar 6 waren heb ik ze laten staan om sporen te laten vormen.

Waar

Hoewel de anijschampignon algemeen zou zijn, wordt hij maar een keer of 10 per jaar gemeld op Waarneming.nl. Ook voor de Haarlemmermeer is het voor mij een nieuwe soort. Het landgebruik, en vooral het achterwege blijven van bemesting met ruige mest en het gebruik van zware machines heeft het voorkomen van deze soort niet in positieve zin beënvloed.

 anaijschampignongewone1

 plantenAronskelk (1)1 sep 2012september

Aronskelk (1), 1 sep 2012

 aronskelk1

Op dit moment staan er in tuinen vaak ’reuzenlollies’ (zie foto). Aan de bessen is niet te zien of ze van de inheems gevlekte aronskelk of van de Italiaanse aronskelk behoren. De aronskelk is een goed voorbeeld van de vergeefse moeite die wij mensen doen, om de natuur in hokjes in te delen. De gevlekte aronskelk is nl een plant die maar in 20- 50 % van de gevallen vlekken heeft. Je herkent de gevlekte aronskelk vooral aan het feit dat deze noordelijke soort weet wat strenge winters zijn. Daarom sterven zijn bladeren in de winter af en komen de eerste bladeren pas boven de grond in maart. De Italiaanse aronskelk heeft wit geaderde bladeren. Deze soort heeft niet geleerd om onder de grond te blijven en heeft bladeren die al van af december boven de grond staan (en die bevriezen dan ook soms). Het wordt nog lastiger doordat de gevlekte en de Italiaanse

aronskelk onderling kunnen kruisen. Er bestaan dus geaderde aronskelken met bladeren die in de winter onder de grond blijven en gevlekte aronskelken die dan boven de grond blijven. Soort kenmerken zijn dus niet zo absoluut als taxonomen zouden willen en dat geldt vaak in de natuur. Alle tussenvormen komen in De Heimanshof voor.

Bijzonder

Het blad van de Italiaanse Aronskelk is pijlachtig van vorm; dat van de Gevlekte Aronskelk is enigszins afgerond. Het blad van aronskelk zit vol met uiterst scherpe, naaldvormige kristallen. Slakken stoppen daarom ook al heel erg snel met het aanvreten van deze ogenschijnlijk aantrekkelijke groene bladeren. Als de bomen in blad komen en het donker wordt op de bosbodem verwelken de bladeren. Aronskelken behoren tot de meest ontwikkelde plantenfamilies, vergelijkbaar met orchideeën. De ’bloem’ van de aronskelk is een complexe bloeiwijze. Het omhullende spits toelopende schut blad van de ’bloem’ omhult een zichtbare knotsvormige bloemkolf en daaronder onder een insnoering een afgesloten kamer met vrouwelijke bloemen onder en mannelijke bloemen bovenaan. Volgende week meer.

 plantAronskelk (2)9 sep 2012september

Aronskelk (2), 9 sep 2012

 aronskelk2gevlekte

De naam aronskelk dankt de plant aan de bloemknots, die deed denken aan de staf van de Joodse hogepriester Aäron (foto). Die van de gevlekte aronskelk is paars of grijs; die van Italiaanse aronskelk geel. Als de vrouwelijke bloemen rijp zijn voor bestuiving, geeft de bloem een sterke geur af van gegiste vruchten en rottend vlees, die vliegen aantrekt. Die vinden geen houvast op het spiegelgladde schutblad en storten neer in de diepte van de bloem. Ter hoogte van de insnoering bevinden zich stamperharen, die naar beneden wijzen. Onder dit hekwerk bevinden de mannelijke (meeldraad-) bloemen. Daaronder de zitten de vrouwelijke (stamper-) bloemen. De insecten vallen wel door het hekwerk naar beneden maar ze kunnen niet uit de zak ontsnappen. De wand van de ketel is door olie ook te glad om omhoog te klimmen. De insecten lopen heel

druk rond en hun hele lichaam raakt besmeurd. De 2e bloeidag gaan de helmknoppen open en stuifmeel daalt neer op de kleverige vliegjes. Kort daarop verschrompelt het 'hekwerk'. Ook is de wand van de schede minder glad dan in het begin. Vol met stuifmeel verlaten ze de bloem. Als de vliegjes verdwenen zijn, buigt het spitse schutblad zich over de bloemkamer en is dit tegen regen beschermd. De vliegjes, niets wijzer geworden, vliegen dadelijk naar een 2e aronskelk en bevruchten daar de stampers met het stuifmeel dat ze van de vorige bloem meebrachten. Doordat de vrouwelijke bloem bevrucht wordt voordat de mannelijke bloem het stuifmeel prijsgeeft vindt er altijd kruisbestuiving plaats. Opmerkelijk is dat de bloemknots een aanzienlijke hoeveelheid warmte produceert. De temperatuur kan tijdens deze verhitting wel oplopen tot 15 °C boven de omgevingstemperatuur. Dit is met de hand te voelen.

Waar

Aronskelken zijn vrij algemeen in tuinen en bosplantsoen op vochtige, vrij voedselrijke grond. De gevlekte aronskelk is inheemse en de Italiaanse aronskelk komt uit het Middellandse zeegebied en is hier ingeburgerd als stinsenplant.

 plantenAronskelk en Motmuggen6 mei 2017mei

Aronskelk en Motmuggen, 6 mei 2017

 aronskelkvliegjes_1

Al een paar weken bloeien de aronskelken. We kennen 2 inheemse soorten: de gevlekte aronskelk en de Italiaanse aronskelk. Vooral de Italiaanse Aronskelk staat vaak in tuinen. Beide soorten hebben in de herfst een stam met felrode bessen. De gevlekte aronskelk bloeit eerder dan de Italiaanse die meestal wit geaderde bladeren heeft. Over de al of niet giftige of eetbare knollen wil ik het niet eens hebben. Maar wel over de bloemen en hoe deze planten bestoven worden.

Bijzonder

De bloem van aronskelken valt op door een groot puntig schutblad dat omhoog steekt. Omgeven door het schutblad zit een bloeikolf of spadix, die bij de gevlekte soort paars is en bij de Italiaanse beige. Deze spadix heeft een zeer bijzondere functie. Het is een verwarmingselement wat 10- 15 graden warmer kan zijn dan de omgeving. Onder de spadix

is het schutblad ingesnoerd en daaronder zit pas de echte bloem (zie foto). Aronskelken lokken geen bestuivers met honingzoete geuren, maar met een soort poep of lijklucht. Door de warme spadix wordt die geur extra verspreid en ook de warmte trekt een speciale soort vliegjes aan: een speciale soort motmug. Er bestaan wereldwijd wel 5000 soorten motmuggen. De meeste bekende is de (driehoekige stevig behaarde) gootsteenvlieg. Deze vliegjes strijken neer op het gladde schutblad en glijden naar beneden waarbij ze door een rand van haren zakken. Daaronder zit een bloemkamer met mannelijke stuifmeelbloemen en vrouwelijke stampers. In die kamer worden ze een dag opgesloten waarbij ze bedekt worden met kleverige sporen. In zo’n bloemkamer kunnen tientallen motmugjes opgesloten zitten. Die worden door de plant pas vrij gelaten als de mannelijke bloemen helemaal rijp zijn en de vliegjes onder het stuifmeel zitten. De vrouwelijke bloemen zijn dan nog niet ‘ontvankelijk’. Daar moeten de vliegjes een andere plant voor zoeken tbv kruisbestuiving. Of dit symbiose, parasitisme of veeteelt is, weet ik niet.

Waar

In de Heimanshof staan beide soorten.

 insectenAspergehaantje16 mei 2015mei

Aspergehaantje, 16 mei 2015

 aspergehaantje

In april en mei explodeert de natuur in volume en soortenrijkdom.

Het is de tijd van de blijde verwachting als je er oog voor hebt: of het nu de 1e gierzwaluw is in de lucht of de 1e orchidee, het houdt niet op.

Bij al dat rondspeuren is het natuurlijk een uitdaging om bijzondere soorten op te merken. Zo liep ik deze week langs het duinbiotoop op De Heimanshof om te kijken of onze wilde asperges al boven de grond kwamen. Behalve dat het leuk is bezoekers te wijzen op een eetbare wilde soort en hoe die er in het wild uitziet is het ook de moeite waard om de prachtig gekleurde aspergehaantjes te ‘spotten’.

Want zo werkt het in de natuur: bij elke plantensoort hoort een hele gemeenschap van soorten die ‘mee liften’.

Bijzonder

Aspergehaantjes horen bij de familie van bladhaantjes. Ze zijn ca 6 mm lang. Er zijn veel soorten bladhaantjes: munthaantjes,

elzenhaantjes, wilgenhaantjes, leliehaantjes en ga zo maar door, voor bijna elke plantengroep wel een.

Ze zijn bijna allemaal fel gekleurd als waarschuwing dat ze niet lekker smaken.

De aspergehaantjes maken 2 generaties per jaar en volwassen kevers overwinteren in de grond. Ze leven alleen op asperge en de larven kunnen in een productieveld schade doen, maar in De Heimanshof mogen ze hun gang gaan.

Vogels lusten de haantjes niet, maar de natuur zou de natuur niet zijn als er niet een andere soort een ongebreidelde voortplanting onder controle zou houden.

Bijna alle larven van de aspergehaantjes worden namelijk belaagd door sluipwespen die hun eitjes daarin leggen. Terwijl de larve de asperge aanvreet, eten de larfjes van de sluipwerp de larve van binnenuit leeg. Net voor hij volwassen is, barst hij open en komt er geen aspergekever uit maar een groep sluipwespjes. Zo gaat dat bij de meeste insecten.

Daarom zijn er honderden tot duizenden sluipwespen soorten, die we nooit zien, maar permanent hun ‘regulerende’ taak vervullen.

Waar

Aspergehaantjes leven alleen van asperge. Ze komen overal voor waar asperge groeit.

 vogelsBaardmannetje13 dec 2009december

Baardmannetje, 13 dec 2009

 baardmannetje

Toen ik langs de Geniedijk van Hoofddorp naar het Haarlemmermeerse Bos fietste, werd mijn aandacht getrokken door een nadrukkelijk ´ping, ping´. Maar het kon geen racefiets zijn, die mij probeerde in te halen, want het geluid kwam uit het riet dat bijna de hele ecologische oever - die daar te plaatse is aangelegd langs de oude spoordijk - aan het zicht onttrekt. Dit geluid kende ik uit Flevoland in de jaren zeventig, maar had ik nog nooit in de Haarlemmermeer gehoord. In het riet zat een groepje baardmannetjes! Het baardmannetje lijkt op een mees, maar is er geen. Toch noemt men de vogel ook vaak baardmees en soms rietpapegaai. Het mannetje is te herkennen aan de zwarte baardstreep, waar ze ook hun naam aan te danken hebben. Het baardmannetje is een standvogel, die niet wegtrekt in de winter. De aanzienlijke sterfte in strenge winters en late vorstperiodes wordt goedgemaakt door grote legsels. Eén paartje kan in een goed jaar 10 tot 20 jongen grootbrengen. Bij voorkeur eet het baardmannetje insecten, maar in de winter schakelt

hij over op een dieet van vrijwel alleen zaden van riet. In het broedseizoen leven paartjes bij elkaar. In de winter verzamelen zij zich in groepen en zwerven over grotere gebieden rond.

Bijzonder

Het baardmannetje staat op de Rode Lijst van beschermde soorten, omdat meer dan een kwart van de Noordwest-Europese populatie in ons land broedt en vanwege de kwetsbaarheid van het leefgebied.

Waar

Het baardmannetje is een vogel van uitgestrekte rietmoerassen. Gezien de rijkdom aan rietlanden zal het baardmannetje vroeger een gewone broedvogel zijn geweest. Drooglegging van vele moerassen leidde tot een afname, maar in de jaren dertig was het nog een talrijke broedvogel. Spectaculair waren de aantallen in de droogvallende Flevopolders, van waaruit grote delen van West-Europa (her)bevolkt werden. In de Haarlemmermeer zijn weinig of geen rietmoerassen en komt de soort daarom waarschijnlijk alleen af en toe op doortrek voor.

 baardmannetje4

 kleine dierenBaardvleermuis (1)7 jan 2011januari

Baardvleermuis (1), 7 jan 2011

 baardvleermuis1

Afgelopen jaar is de zevende soort vleermuis, die in onze polder voorkomt, ontdekt. Het is de gewone baardvleermuis en hij werd aangetroffen in een voor bezoekers afgesloten deel van één van de forten van de Geniedijk. Net als de zeer algemene dwergvleermuis, is de baardvleermuis piepklein. Hij weegt 4- 8 gram (een brief weegt 20 g) een heeft een spanwijdte van 20 cm. Opvallend (in de hand) is zijn lichtgrijze buik. Hij jaagt vooral op vliegende insecten zoals langpootmuggen, dansmuggen, haften, vliegen, kevers en motten, maar vangt ook spinnen en rupsen op planten. Een kwartier tot een half uur na zonsondergang vliegt hij meestal uit. Soms is hij ook overdag actief. Hij vliegt laag over de grond of volgt heggen. Geregeld houdt hij pauzes, hangend aan een tak. De baardvleermuis vliegt

bij voorkeur langs lijnvormige structuren in het landschap. Gewoonlijk jaagt de baardvleermuis alleen, maar soms ook in groepen. Hij heeft een langzame, fladderende vlucht op 1,5 - 6 m. hoogte. Een bepaald traject wordt meestal laag bij de grond enige malen afgezocht, voor het dier weer verder vliegt. Vaak worden avond aan avond dezelfde plekken opgezocht en dezelfde banen gevlogen. Het merendeel van de dieren jaagt binnen 1- 3 km van de slaapplaats, maar ze kunnen tot op 10 km worden waargenomen. Hij bewoont in de zomer bomen, nest- of vleermuiskasten, zolders, of de ruimtes achter gevelbetimmeringen of vensterluiken van gebouwen. Kraamkolonies bestaan uit 10-100 individuen. ´s Winters hebben ze een voorkeur voor ondergrondse, koele plaatsen als grotten, mijnen, bunkers en kelders. De baardvleermuis houdt een winterslaap van oktober tot maart/april. Baardvleermuizen zijn in principe zeer trouw aan hun verblijfplaatsen, maar zijn wel in staat om grote afstanden af te leggen. Zo werden dieren die in de winter geringd werden, tijdens daaropvolgende winters teruggevonden op 28 tot 240 km van de oorspronkelijke ringplaats. Volgende week het vervolg van deze column

 kleine dierenBaardvleermuis (2)14 jan 2011januari

Baardvleermuis (2), 14 jan 2011

 baardvleermuis2

Afgelopen jaar is de zevende soort vleermuis, die in onze polder voorkomt, ontdekt. Het is de gewone baardvleermuis en hij werd aangetroffen in een voor bezoekers afgesloten deel van één van de forten van de Geniedijk. Dit is het vervolg van de column over de baardvleermuis van vorige week.

Bijzonder

Zoals bij de meeste vleermuissoorten vindt de paring plaats tijdens de korte perioden dat de dieren ´s winters wakker zijn. De zaadcellen bevruchten de eicel pas wanneer het wijfje definitief uit haar winterslaap is ontwaakt. Hierdoor wordt het jong zo vroeg mogelijk in de zomer geboren, zodat het voldoende tijd heeft om volgroeid en goed gevoed de winter in te gaan. In mei zoeken de vrouwtjes de kraamkolonies

op. In juni worden de jongen geboren. Een vrouwtje krijgt één jong per jaar, maar een tweeling komt ook voor. Het jong weegt bij de geboorte 2 g. Na 6 weken kan het jong zelf vliegen en jagen. Eind augustus verlaten de vrouwtjes de kraamkolonie. Een baardvleermuis wordt maximaal 23 jaar oud en gemiddeld een jaar of vier.

Waar

Baardvleermuizen worden vooral aangetroffen in bossen, aan bosranden en in kleinschalige landschappen. Daarbij jagen ze vooral in open ruimtes, zoals boven paden, beken, open plekken en langs houtwallen. Hij komt in heel Nederland voor, maar is over het algemeen zeldzaam. Uit de zomerperiode zijn maar weinig waarnemingen bekend. In de winter wordt hij wel op veel plaatsen aangetroffen. Mogelijk komt dat door een verborgen levenswijze in de zomer en een probleem bij de herkenning met een ´batdetector´. De baardvleermuis komt in het overgrote deel van Europa voor,ook tot vrij hoog in de bergen, en in Azië van Turkije tot Japan. In Nederland is het dier in Zuid-Limburg wat algemener, maar kan in vrijwel het gehele land aangetroffen worden

 vissenBaars20 dec 2009december

Baars, 20 dec 2009

 baars

Veel mensen gaan naar verre landen om daar te snorkelen en het onderwater leven te bekijken. Maar ook in Nederland is het (als je de goede plekken weet) zeer de moeite waard om eens onder water te gaan kijken. Zie op de illustratie, hoe mooi het is om te midden van een school halfwas baarzen in de Toolenburgse plas te zwemmen. Ze hebben rode vinnen, zwarte camouflage strepen op hun zijden en stekels in hun voorste rugvin. Een baars kan in 16 jaar 50 cm lang en 3 kg zwaar worden. Baarzen paaien van maart tot juni in zeer ondiep water, soms al als het water nog maar 7-8 graden is; een vrouwtje legt soms wel 200.000 eieren in lange netvormige linten. De baars is één van de eerste vissen die nieuw aangelegde wateren koloniseert. Ze leven in scholen en jagen ook samen. Hoe kleiner de baarzen, hoe groter de school en reuzenbaarzen zijn vaak verstokte eenlingen. De baars is ondanks zijn stekels een gewilde prooi van de snoek. Net als snoeken staan ze bekend om kannibalisme. In de zomer komen vaak grote scholen met jonge baars voor die voor hun wat oudere soortgenoten

een gewilde prooi vormen. Ze eten graag kleine visjes, kreeftachtigen, zoetwatergarnalen, allerlei soorten larven en regenwormen.

Bijzonder

Baarzen zijn lekker en in de meeste Europese landen wordt vrij veel baars gegeten. Jaarlijks wordt in Europa 30.000.000 kg baars gevangen voor consumptie. Ook in Nederland vangt men nog baarzen met commerciële doeleinden, vooral in het IJsselmeer. Dat er in Nederland weinig of geen baars gegeten wordt, komt door de overtuiging dat de baars ongeschikt is voor consumptie omdat onze wateren te vuil zijn en doordat hij teveel graten zou bevatten.

Waar

De baars leeft in bijna heel Europa en Noord-Azië. Hij komt voor in meren, plassen, moerasland, rivieren en brakwater. De baars is een zichtjager en heeft dus helder water nodig. Ze houden van een steenachtige bodem en zoeken vaak rietkragen en overhangende struiken op. In de Haarlemmermeer is de baars algemeen.

 baarzentoolenburgseplas

 kleine dierenBarnsteenslak26 aug 2016augustus

Barnsteenslak, 26 aug 2016

 bbarnsteenslak

Slakken zijn over het algemeen een ondergewaardeerde groep organismen. Wereldwijd bestaan er wel 70.000 soorten, onderverdeeld in zeeslakken, naaktslakken, huisjeslakken en zoetwater slakken. Ze hebben een zeer nuttige rol bij het opruimen van organisch materiaal. Hoeveel soorten er in Nederland voo komen kon ik niet vinden, maar alleen in De Heimanshof hebben we tussen de 60 en 70 soorten gevonden. Sommige daarvan zijn zo groot als een zandkorrel en de wijngaardlakken bv zijn met 50 g. flink uit de kluiten gewassen. Vandaag wil ik uw aandacht vragen voor een vrij algemene landslak, die toch weinig bekend is: de barnsteenslak. Het is een huisjesslak met een buitengewoon fragiele schelp, een kleur heeft die de naamgever aan barnsteen deed denken.Het is een 1-1.5 cm groot landslakje dat graag bij water en in vochtig

grasland leeft.

Bijzonder

Zoals de meeste slakken soorten is deze slak hermafrodiet: Alle exemplaren kunnen als vrouw en als man fungeren. Vreemd is dat er wel ruimte is voor mannelijke en vrouwelijk geslachtorganen in elk individu, maar dat door ruimtegebrek van de gedraaide schelp er wel een van 2 nieren verloren is gegaan. Veel slakken en ook de barnsteenslak zijn tussen gastheer voor parasitaire wormensoorten, die er een bijzonder ingewikkelde levenscyclus op na houden. Ze hebben nl naast de slak ook een andere soort nodig in hun levenscyclus. Bij de barnsteekslak is dat een soort die vogels nodig heeft om in de cloaca daarvan volwassen te worden. Deze worm heeft een curieuze manier gevonden om in vogels verzeild te raken. De wormpjes vormen clusters die zich ophopen zich op in de oogtentakels van de barnsteenslak en maken daar heftig pulserende bewegingen terwijl ze ook de slak naar gevaarlijke open plekken dirigeren. Daarmee trekken ze de aandacht van vogels, waardoor de wormen hun levenscyclus af kunnen maken.

Waar

De barnsteek slak leeft graag nabij water op land en komt in heel Europa voor buiten de poolcirkels

 plantenBeemdkroon29 okt 2011oktober

Beemdkroon, 29 okt 2011

 beemdkroonmetknautiabij

Met het korten van de dagen en het dalen van de temperatuur wordt het aantal bloeiende planten steeds minder. Maar er blijven altijd soorten die bloeien. Deze week een soort, die onze bermen met fraaie lila bloemen kan kleuren van juni tot aan de vorst. Beemdkroon of Knautia is een soort die in De Heimanshof massaal voorkomt, maar die landelijk als rode lijstsoort beschouwd wordt omdat hij zo snel in aantal af aan het nemen is. Die afname wordt geweten aan vermesting en verzuring van onze bermen. Beemdkroon is een plant uit de kaardenbolfamilie. Dat is te zien aan de zaadbollen waarop net als bij kaardenbollen naaldjes staan op elk zaadje in het zaadhoofd. Ook de bladeren maken met als bij de kaardenbollen een kommetje waar water in kan blijven staan, maar dan veel minder indrukwekkend dan de halve liter die in een echte kaardenbol-bladoksel kan blijven staan.

Beemdkroon is een vaste plant, wordt 50-100 cm hoog en geeft bladeren die onderaan gaafrandig en bovenaan diep ingesneden zijn. Er bestaat een verwante beemdkroonsoort, waarvan de bladeren allemaal ongedeeld zijn. Ook deze staat in De Heimanshof. Beemdkroon heeft een vertakte wortelstok en soms ook uitlopers.

Bijzonder

De bloemen bevatten veel nectar waar zowel dagvlinders als honingbijen en hommels op af komen. Er is zelfs een solitaire bij, de Knautiabij die speciaal afhankelijk is van deze plant(zie foto). Ook deze bij staat inmiddels op de Rode lijst van bedreigde soorten. Ook de knautiawespbij, wordt op deze plant gezien. Deze wespbij parasiteert weer op de knautiabij. De oude latijnse naam Scabiosa van beemdkroon heeft betrekking op het gebruik van de plant als middel tegen schurft.

Waar

Beemdkroon houdt van zonnige plaatsen op matig droge tot vochtige, matig voedselrijke, kalkhoudende grond. De soort groeit in bermen, in hooiland, bosranden, binnenduinen en langs spoorwegen en komt voor in Europa en West-Azië.De soort komt buiten De Heimanshof sporadisch voor in de polder.