bovenfoto

Columns:

Sinds april 2006 is er elke week de natuurcolumn 'Ontdek de Flora en Fauna van de Haarlemmermeer' verschenen in de Hoofddorpse Courant.
Deze column heeft ten doel belangstelling voor de verrassende verscheidenheid van planten en dieren in onze leefomgeving te wekken.

 

Hieronder staat de column van deze week en daar onder kunnen alle tot dusver verschenen columns opgevraagd worden. U kunt deze selecteren en sorteren op categorie, onderwerp, het jaar en de tijd van het jaar. Combinaties zijn ook mogelijk. Ga naar de oudere columns

florafauna

Pissebed, 31 mrt 2018

 pissebed-kelder

Met het voorjaar in aankomst worden er weer horden planten en dieren actief. In de 12 jaar van deze columns hebben we er al meer dan 500 soorten behandeld, maar er blijft nog voor jaren genoeg te ontdekken en te verbazen over. Deze week een inkijkje in een vaak ondergewaardeerde groep dieren: de pissebedden. In totaal zijner tot dusver meer dan 35 soorten van ontdekt en beschreven in Nederland. De meest algemene soorten zijn de ruwe pissebed die gaal donker gekleurd is, de grijs gekleurde kelderpissebed en de oprolpissebed.

Bijzonder

Pissebedden zijn kreeftachtigen. Dat zijn van oorsprong waterdieren. Er bestaan ook zoetwaterpissebedden die talrijk zijn in sloten en vijvers. Net als kreeften ademen pissebedden via kieuwen. Die moeten altijd vochtig blijven. Het pantser van landpissebedden ziet er degelijker uit dan

het is. Het is nl door latend voor ammoniak- en water waardoor ze continu transpireren. De pissebed hoeft ondanks de naam nooit te plassen, omdat de stikstofverbindingen (ammoniak) verdampt. Misschien heeft de naam pissebed te maken met de geur van ammoniak (urine) die soms te ruiken is. Een pissebed leeft van plantaardig materiaal, zoals rottend hout en bladeren en heeft vele vijanden, waaronder insecten, spinnen, amfibieën en vogels. Blauwe of paarse pissebedden zijn geen andere soort, maar hebben een virusinfectie waardoor ze na 1 of 2 weken sterven.

Waar

Veel landpissebedden zijn cultuurvolgers die oorspronkelijk uit Europa komen, maar tegenwoordig tot in Nieuw-Zeeland te vinden zijn. Landpissebedden leven in een microhabitat, de omstandigheden maakt ze weinig uit, als het maar vochtig is en er schuilplaatsen en voedsel zijn. Pissebedden komen in allerlei habitats voor, van bossen tot graslanden en ook tuinen zijn geschikte leefgebieden waarvan veel mensen pissebedden kennen Uit drogen is het grootste gevaar voor pissebedden.Ze komen dan ook altijd voor in vochtige ruimtes zoals kelders of onder schors, strooisel laag of hout en stenen e.d.





Meldingen van bijzondere dieren en planten kunt u doorgeven aan info@stichtingmeergroen.nl .

Persoonlijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkdagen tussen 9:00 en 12.30
en op woensdag tot 17:00 uur bij De Heimanshof, Wieger Bruinlaan 1-7 in Hoofddorp.


Oudere columns:

 

SELECTIEMENU; selecteer op:

categorie
en/of
titel zoekterm

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/of
maand
en/of
jaar
 
 

SORTEREN: klik op de kopjes in de titelbalk om de sortering te veranderen

 

Blz [ 9 ] Ga naar vorige1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 …>> volgende

thumb

categorie: titel: datum: maand:

open/dicht

 grote dierenVos (1)4 mei 2008mei

Vos (1), 4 mei 2008

 vos1muizensprong

Elk jaar zwemmen er vossen de ringvaart over vanuit de duinen of het Groene Hart. Over de vos is zoveel interessants te melden, dat dit een serie van 3 columns wordt. Deze keer de algemene gegevens. Volgende week de bijzonderheden en vervolgens het voorkomen in en buiten de Haarlemmermeer. De vos is één van de grootste roofdieren van Nederland en dat is een hele prestatie. Hij weegt 6-10, soms 15 kilo. Mannetjes zijn meestal groter dan vrouwtjes. Vossen jagen alleen, meestal ′s nachts en in de schemering, maar waar hij niet belaagd wordt is het een dagdier. Hij kan hard rennen, tot 60 kilometer per uur, met 6-13 km als kruissnelheid. De vos leeft het liefst in een groep van zo′n 6 dieren. Een dominante rekel (mannetjesvos) en een dominante moervos worden begeleid door ander moervossen, vaak uit vorige worpen. Rekels worden, zodra ze volwassen zijn,

uit de groep verjaagd. De ondergeschikte moervossen helpen bij de opvoeding van de jongen. Het leefgebied van een vossenpaar is 1-12 km², afhankelijk van het voedselaanbod. De paartijd duurt van december tot februari. De jongen worden tussen maart en mei geboren. Een worp telt meestal 4-6 jongen. De worpgrootte is afhankelijk van het voedselaanbod. Veel jacht leidt tot grotere worpen. Bij de geboorte zijn de jongen blind en doof en wegen ongeveer 100 gr. Na 10 maanden zijn ze geslachtsrijp. De vos is een opportunist en eet bijna alles. In tegenstelling tot de heersende ideeën leeft een vos vooral van grote kevers en muizen. Deze vangt hij met de karakteristieke ‘muizensprong’ (zie foto). Verder vangt hij konijnen, hazen, vogels en katten, eieren, regenwormen en egels. Ook vruchten en bessen worden gegeten, evenals aas en afval. Ooit kon ik een uur lang een vos volgen, die al die tijd gevallen pruimen zocht en at. Dagelijks eet een vos ongeveer een pond aan voedsel. Soms doodt een vos meer dan hij nodig heeft. Vooral op plaatsen waar meerdere prooidieren op elkaar zitten en niet kunnen ontsnappen, kan hij een slachtpartij aanrichten, bijvoorbeeld in kippenhokken of kolonies van grondbroedende vogels zoals kokmeeuwen.

 grote dierenVos (2)11 mei 2008mei

Vos (2), 11 mei 2008

 vos2jacht

Elk jaar zwemmen er vossen de ringvaart over, vanuit de duinen of het Groene Hart. Over de vos is zoveel interessants te melden, dat dit een serie van 3 columns wordt. Vorige week de algemene gegevens. Deze week de bijzonderheden en volgende week het voorkomen in en buiten de Haarlemmermeer. Een vos kan tenminste 28 verschillende geluiden voortbrengen en hij kent ook een groot aantal houdingen om mee te communiceren. Onderdanige vossen houden bijvoorbeeld de oren naar achter, de mond lichtelijk open met opgetrokken lippen, en kwispelen met hun staart. Agressieve vossen plaatsen de oren zijdelings en houden hun bek wagenwijd open. Een vos kan 10 jaar worden, maar de meeste vossen worden niet ouder dan 3 jaar. Jacht is de voornaamste doodsoorzaak. Ook worden veel vossen verkeersslachtoffer. Belangrijke ziektes waaraan vossen kunnen lijden zijn schurft en hondsdolheid.

Over de jacht op vossen zijn de meningen verdeeld. Voorstanders van de jacht vinden:
- Dat de vos ziekten en parasieten met zich mee kan dragen, met name hondsdolheid en bepaalde soorten lintwormen;
- De vos jaagt op allerlei soorten fauna, waaronder weidevogels, landbouwdieren als kippen en konijnen en fazanten, waarbij hij soms meer

doodt dan hij nodig heeft;
- Bejaging van vossen dient ter bescherming van weidevogels;
- Jacht maakt natuur natuurlijk. In de kleine Nederlandse natuurterreinen is geen plaats voor grote roofdieren. Jacht compenseert dat door het aantal vossen te controleren.

Tegenstanders van de jacht hebben andere argumenten:
- Vossen vangen grote aantallen veldmuizen, en woelratten, die in economisch opzicht veel meer schade veroorzaken dan vossen.
- Door jacht zwermen dieren uit aangrenzende gebieden de vrijgekomen territoria in. Dit kan juist leiden tot het verspreiden van ziekten via migrerende vossen.
- Er is een alternatief voor beheersing van hondsdolheid door de jacht: de vos kan d.m.v. uitgelegd aas gevaccineerd worden tegen hondsdolheid. En Nederland en België zijn momenteel vrij van hondsdolheid.
- Houders van kippen en konijnen kunnen hun dieren beschermen met een deugdelijk hok.
- Jacht is onnatuurlijk. Vossen als deel van het ecosysteem geeft een natuurlijker evenwicht.
- De vos is niet de directe veroorzaker van een lage weidevogelstand. Hiervoor zijn vele andere oorzaken te noemen. Bijvoorbeeld de verlaging van de grondwaterstand, bemesting en de tegenwoordige landbouwmethoden.

 vos2wegslachtoffer

 grote dierenVos (3)18 mei 2008mei

Vos (3), 18 mei 2008

 vos3burchthmeer

e Vos 3 Elk jaar zwemmen er vossen de ringvaart over, vanuit de duinen of het Groene Hart. Over de vos is zoveel interessants te melden, dat dit een serie van 3 columns is geworden. De vorige twee weken de algemene gegevens en de bijzonderheden. Deze week het voorkomen in en buiten de Haarlemmermeer: De rode vos heeft het grootste verspreidingsgebied van alle roofdieren (vroeger was dit de wolf). Hij komt in praktisch het gehele Noordelijk Halfrond voor en ontbreekt alleen in woestijnen, toendra′s en afgelegen eilanden. Dat komt omdat hij zich goed kan aanpassen en niet kieskeurig is. Zijn favoriete leefgebied is bos met open gebieden. Een zelf gegraven hol bevindt zich meestal in een zandbank, onder een omgevallen boom, tussen boomwortels en heeft vaak 2-4 ingangen. Zo’n groot hol wordt een burcht genoemd. Meestal gebruiken alleen drachtige vrouwtjes het hol. Buiten het voortplantingsseizoen verblijft de vos overdag meestal op beschutte plaatsen. Elk

jaar worden er vossen in de Haarlemmermeer aangetroffen. Ze zwemmen van alle kanten de ringvaart over. De meeste meldingen heb ik gekregen uit het Haarlemmermeerse Bos en van de Geniedijk bij Aalsmeerderbrug, maar ook in Lisserbroek was er zo’n 6 jaar geleden een verkeersslachtoffer. Ook de dieren in het Haarlemmermeerse Bos eindigen bijna allemaal als verkeerslachtoffer op de N201 of de Driemerenweg. De vossen op de Geniedijk hebben het voor zover ik weet, nooit verder gebracht dan de A4. Op een plek bij Vijfhuizen is er al bijna 5 jaar regelmatig een koppeltje dat een burcht bouwt. Of dit hetzelfde koppel is of telkens een ander is onbekend. In de afgelopen 5 jaar zijn er tenminste 2 keer jongen tot volwassenheid opgevoed. Eenmaal 3 jongen (waarvan er minstens 1 aan het verkeer ten slachtoffer viel) en vorig jaar 1 jong. De burcht van vorig jaar (zie foto) is dit jaar nog leeg gebleven. Graag houden we ons aanbevolen voor andere meldingen over het voorkomen van vossen in onze polder.

 vos2uitholgegraven

 insectenMuurrouwzwever25 mei 2008mei

Muurrouwzwever, 25 mei 2008

 muurrouwzwever

De aanleiding voor deze week, zijn de ontwikkelingen rond de insectenhotels op De Heimanshof. De meest ondernemende gast tot nu toe is de metselbij. Zijn naam ontleent deze bij, aan het feit dat elk holletje met daarin stuifmeel, honing en een ei. wordt afgesloten met een propje leem. Een dag of 14 geleden waren er alleen aan de metselbij zo’n 300 kamers ‘verhuurd’. 10 dagen geleden kwamen de holletjes van veel metselwespen open te liggen. Hoewel we hoopten dat dit kwam door uitvliegende jonge bijen, bleek de werkelijkheid iets rauwer te zijn. Er was namelijk een zwarte vlieg op afgekomen met vleugels, die wel iets van ‘Batman’ weg hebben (zie foto). Die vlieg bleek één van de 17 soorten wolzwevers in Nederland te zijn. Wolzwevers danken hun naam aan een deel van de familie die er erg wollig uitziet. Een ander deel wordt rouwzwevers genoemd omdat ze erg donker zijn. Onze vlieg, de muurrouwzwever, is er daar één van. De larven van de wolzwevers leven van eieren of larven van andere

insecten. De volwassen vliegen zijn vaak op bloemen te vinden, waar ze nectar en stuifmeel zoeken.

Bijzonder

Bij het schrijven van dit artikel zijn er van de ruim 300 metselbijnesten al bijna 280 ‘overgenomen’. Het is te hopen dat tenminste deze 20 metselbijen uitkomen. Dan is in ieder geval de volgende generatie gered. Inmiddels zijn ook vele andere insectensoorten, waaronder wespen en sluipwespen, actief rond de insectenhotels. De latijnse naam van onze muurrouwzwever is nog wel een vermelding waard: Anthrax anthrax. Ik durfde bij het zoeken naar meer informatie over deze soort, deze naam bijna niet in te vullen, uit angst op een terroristenlijst te komen. Anthrax is namelijk ook de naam van de ziekte miltvuur, die bepaalde terroristen in enveloppen plegen rond te sturen.

Waar

Wolzwevers houden van hoge temperaturen en worden om die reden ook veel in steden aangetroffen. De muurrouwzwever is nooit eerder in de Haarlemmermeer waargenomen. Ook op allerlei natuurwaarnemingssites wordt hij slechts zelden vermeld. Dit wil niet zeggen dat hij ook erg zeldzaam is. Je moet een specialist zijn om een dergelijke soort te herkennen. Met de duidelijk herkenbare driehoekige vorm en zijn ‘Batman’ vleugeltekening hoop ik, dat meer mensen hem voortaan herkennen en hun waarneming doorgeven. Ik zag hem inmiddels in mijn eigen tuin. Meldingen bijzo

 vogelsBraamsluiper1 jun 2008juni

Braamsluiper, 1 jun 2008

 braamsluiper

De braamsluiper is een onopvallende vogel die zich zelden buiten dicht struikgewas laat zien. De vogel verraadt zich eigenlijk alleen door zijn opvallende, ratelende zang, die vanaf een verborgen zangpost wordt voorgedragen. Vooral in de periode vanaf koninginnedag tot ongeveer half juni. Erg opvallend gekleurd is de braamsluiper ook niet. Zijn meest opvallende kenmerk is zijn hals: slechts weinig zangvogels hebben zo′n witte keel (zie foto). Van dit kenmerk is zijn Engelse naam afgeleid (Lesser whitethroat: kleine witkeel). Het nest van de braamsluiper wordt gemaakt in een dichte en bij voorkeur stekelige struik, zoals een meidoorn, vuurdoorn of braamstruik. Deze omgeving gebruikt de braamsluiper ook om naar insecten, rupsen en spinnetjes te zoeken. Het nest bestaat uit een met verdord gras en worteltjes opgebouwde kom. Het mannetje bouwt meerdere nesten op een goed verstopte plaats. Het vrouwtje kiest één van deze nesten

en bekleedt het met plantenmateriaal en spinrag.

Bijzonder

Onze braamsluipers overwinteren helemaal in Oost-Afrika. Andere verwante broedvogels, zoals de grasmus, overwinteren in de strook ten zuiden van de Sahara. Deze vogels hebben vallen vaak ten offer aan de regelmatig optredende droogtes in dat gebied. De braamsluiper heeft daar minder last van.

Waar

De braamsluiper is een vrij schaarse broedvogel. Hij verschijnt in de eerste helft van april en is voor 15 september weer vertrokken. De broedvogelstand van de braamsluiper neemt gestaag toe, ten opzichte van een paar decennia geleden. SOVON schat de stand op dit moment op 13.000 tot 20.000 paar in Nederland. Braamsluipers verblijven slechts zelden in boomloze gebieden. De soort geeft de voorkeur aan gebieden met een hogere begroeiing en mijdt terreinen met slechts hier en daar een struik. In heel Nederland lijkt de braamsluiper te profiteren van de typische nieuwbouwwijk-tuinen en beplantingen met meidoorn, berberis en ligustersoorten. Deze trend is ook in de Haarlemmermeer waarneembaar. Vooral in wat oudere wijken met hogere bomen en struiken is de ratelende zang elk jaar meer te horen. De laatste 5 jaar is de braamsluiperstand alleen al in de oude kern van Hoofddorp van 1-2 naar een paar of 10 toegenomen. Meldingen bijzo

 insectenKoekoekshommels22 jun 2008juni

Koekoekshommels, 22 jun 2008

 koekoekshommel

I.v.m. de opening van het insectenpad in het Haarlemmermeerse Bos op 21 juni, deze week een insect als onderwerp: Iedereen kent de altijd bedrijvige hommels, waarvan een tiental soorten lgemeen zijn in Nederland. Het bedrijvige gezoem maakt vaak een idyllische indruk, maar schijn bedriegt soms. Deze week wil ik u attent maken op een bijzondere groep van hommels die maar weinig bekend is: de koekoekshommels en hoe deze aan hun naam gekomen zijn. Het beste onderscheid tussen hommel en koekoekshommels is de beharing. De beharing van een hommel is dicht en die van koekoekshommels is wat spaarzamer waardoor het pantser glanzend zichtbaar is. Het gedrag van koekoekshommels is opvallend zenuwachtiger dan dat van hommels en bij het vliegen maken ze een zwaar brommend geluid

Bijzonder

Koekoekshommels heten zo, omdat ze zelf geen nest bouwen, maar een nest binnendringen en eitjes leggen die door de werksters van de ‘overgenomen kolonie’ verzorgd worden. Bij koekoekshommels kennen we alleen vrouwtjes en mannetjes (en dus geen werksters, die bij hommel- en bijenvolken het grootste

deel van een volk uitmaken). De vrouwtjes overwinteren en komen iets later te voorschijn dan de hommelkoninginnen, die op dat moment al een kolonie hebben gesticht. Hommels verdedigen hun nest tegen indringers en het feit dat de koekoekshommel een dik pantser heeft, kan een voordeel zijn bij zo’n confrontatie. De koekoekshommel verbergt zich enige dagen in het hommelnest, waarschijnlijk om de geur van het nest aan te nemen. Op een gegeven moment gaat ze in de aanval en kan daarbij, maar dat hoeft niet altijd, de koningin en een aantal werksters dood steken. De koekoekshommel vernielt dan de hommellarven en eieren. Ze legt zelf een aantal eieren, waaruit dan larven komen die door de hommelwerksters worden verzorgd. Er zijn bijna net zoveel koekoekshommelsoorten als er hommelsoorten zijn.

Waar

Hommels en koekoekshommels zijn veel voorkomende insecten. Ze kunnen in principe overal worden aangetroffen waar er zonnige luwe plekjes zijn met een variatie aan hoge en lage planten. Per soort verschillend zijn dan nog de planten waaruit stuifmeel (b.v wilgen) en nectar (b.v paardebloemen of vlinderbloemigen) wordt gewonnen.

 koekoekshommel2

 vogelsBruine Kiekendief24 jun 2008juni

Bruine Kiekendief, 24 jun 2008

 bruinekiekendiefvrouw

De bruine kiekendief is een grote roofvogel, die meestal laag over moerassen en rietvelden zweeft, met de voor alle soorten kiekendieven kenmerkende houding : een golvende vliegbeweging, met de vleugels in een ondiepe V-vorm. Bruine kiekendieven nestelen op de grond in het riet of in graanvelden. De bruine kiekendief jaagt voornamelijk op prooien als kleine zoogdieren, vogels en amfibieën. Het vrouwtje is, net als de andere twee in Nederland voorkomende kiekendieven, groter dan het mannetje. Het vrouwtje heeft een donkerbruine kleur met een lichtere staart en een opvallend lichtgele kruin. Het broedseizoen voor de bruine kiekendief begint vanaf begin april maar loopt door tot ver in mei. Er worden meestal 4 - 6 eieren gelegd, afhankelijk van het voedselaanbod in dat seizoen.

Bijzonder

De kiekendief is het symbool van de provincie Flevoland, waar de soort een sterk in aantal toenam door de rietvelden in de net drooggelegde polders. Van Flevoland uit herkoloniseerde de soort

Nederland na de 60-tiger jaren toen ook het gebruik landbouwgif minder werd.

Waar

De bruine kiekendief heeft als broedgebied de voorkeur voor moerasgebieden met (oude) rietvelden. Door het verdwijnen van veel van deze gebieden is de vogel de laatste eeuw sterk in aantal achteruit gegaan. Het aantal broedvogels in Nederland wordt geschat op 1000-1500 paar . De laatste jaren is de soort vrij succesvol. Met het toenemen van het aantal broedparen is echter ook de kieskeurigheid ten aanzien van broedplaatsen afgenomen. Ze broeden nu ook in akkers, smalle rietslootjes e.d. In en om de Haarlemmermeer komt de soort ook voor b.v in de rietmoerassen van de Westeinder, bij Schalkwijk en ook broedt er in ieder geval 2-3 paar elk jaar in de graanvelden van de polder. Een bijzonder verschijnsel is dat aan het einde van het broedseizoen verschillende families uit de wijde omtrek zich verzamelen om gemeenschappelijk te overnachten. Bij Badhoevedorp was dat vorig jaar het geval met enige tientallen exemplaren.De soort overwintert voor een klein deel in Nederland, maar de meeste bruine kiekendieven trekken naar West Afrika, met name Senegal en Mali.

 bruinekiekendiefman

 plantenRoggelelie24 jun 2008juni

Roggelelie, 24 jun 2008

 roggelelie

De roggelelie of oranjelelie is een overblijvende lelieachtige. Het is een circa 70 cm hoge, in juni en juli bloeiende plant. De plant groeit uit een bol en het ondergrondse stengeldeel vormt naast stengelwortels ook broedbollen. De voortplanting gebeurt in ons land vooral via broedbollen. De maximaal vijf, klokvormige, oranje bloemen staan in een tros aan de top van de bloeistengel. De roggelelie is een fraaie en opvallende bloem die een kleurrijke bijdrage levert aan het landschap. Roggelelies verdragen wel enige schaduw, maar kunnen er niet tegen als hun groeiplaats helemaal dichtgroeit. De roggelelie staat graag op een wat zure plaats met een pH van 3.8 tot 4.5 en waar enig (kwel)water door de bodem sijpelt.

Bijzonder

De

roggelelie staat op de Nederlandse Rode lijst van planten als zeer zeldzaam en zeer sterk afgenomen. Met name de provincie Drenthe heeft speciale aandacht voor de roggelelie en doet aan voorlichting over het beheer van deze soort. De reden dat de roggelelie deze week besproken wordt, is dat De Heimanshof dit voorjaar een ruimhartige gift van een aantal honderden inheemse bollen mocht ontvangen samen met onze zustertuin Thijsse’s hof in Bloemendaal en een tuin in Drenthe. De lelies staan in een nieuw aangelegd landschapje op dit moment prachtig te bloeien.

Waar

De plant komt van nature voor in Europa. In Nederland kwam de plant vanouds voor op de “eeuwige” winterroggeakkers langs essen en beekdalen in het oosten van het land, maar is vandaar ook uitgeplant in tuinen. De plant komt ook voor op open plekken in bossen. Het verspreidingsgebied was Groningen, Drenthe, Overijssel en Gelderland, maar tegenwoordig is alleen nog één natuurlijke groeiplaats bekend in Drenthe. In oude boerentuinen zijn hier en daar nog nakomelingen van planten uit roggeakkers te vinden.

 kleine dierenLaatvlieger24 jun 2008juni

Laatvlieger, 24 jun 2008

 laatvlieger

De laatvlieger is één van de grootste vleermuizen van Nederland. Zijn gewicht is 15- 35 gram en de spanwijdte van de vleugels is 30-40 cm. De laatvlieger kreeg zijn naam omdat hij ′s avonds later uitvliegt dan een andere grote vleermuis: de rosse vleermuis, die vroeger ook wel de vroegvlieger genoemd werd. 15-20 minuten na zonsondergang vliegen ze uit. De laatvlieger vliegt tijdens de jacht zelden verder dan 2 km. De vlucht is langzaam en fladderend, met steile duiken. De (kraam)groepen bestaan meestal uit enkele tientallen dieren. De vrouwtjes trekken in april en mei naar de kraamkamers. Eind juni worden de eerste jongen geboren. Binnen 3 weken maken de jongen hun eerste vlucht, en na 6 weken jagen ze zelf. Soms wordt hetzelfde huis jaar na jaar als zomer- en winterverblijf gebruikt. Vliegroutes volgen waar mogelijk lijnvormige structuren, maar bij gunstige weersomstandigheden ook wel door open gebied. In de winter zoeken laatvliegers nauwe en relatief droge plaatsen op zoals spouwmuren, spleten en scheuren in zolders en oude kelders. Omdat ze vaak diep wegkruipen lijken ze ‘s winters verdwenen.

Bijzonder

Vleermuizen zijn door hun gewoonte om in groepen

te rusten zeer kwetsbaar. Bij instorting of overstroming is een hele kolonie weg. Ook planten vleermuizen zich traag voort. Sommige soorten zijn pas na enige jaren geslachtsrijp en een worp bestaat vaak uit niet meer dan één jong. Vleermuisbescherming is hard nodig. Goede rustplaatsen overdag en goede overwinteringsplaatsen, met zeer weinig verstoring, veiligheid voor roofdieren en de mens, en een temperatuur die ′s winters niet onder het vriespunt zakt, zijn schaars. En ook insectenrijke jachtgebieden zijn essentieel. Veel vleermuizen hebben om zich te oriënteren ′corridors′ nodig van heggen of bomenrijen om zich over grotere afstanden te kunnen verplaatsen: ze begeven zich niet graag ver van een peilbaar echobaken. In de EU zijn alle soorten beschermd.

Waar

De laatvlieger is in Nederland vrij algemeen. De laatvlieger geldt als een standvleermuis, die zich weinig verplaatst. Het is een soort van open tot halfopen landschap. Hij jaagt vooral in de beschutting van bosranden, heggen en lanen, op 5 - 10 m. hoogte maar soms ook wel hoger tussen de boomtoppen. Laatvliegers kunnen in de Haarlemmermeer langs het fietspad van de Geniedijk bij het Haarlemmermeerse Bos worden waargenomen.

 laatvlieger2

 plantenMoeraswespenorchis24 jun 2008juni

Moeraswespenorchis, 24 jun 2008

 moeraswespenorchis

Alle literatuur over de moeraswespenorchis geeft aan, dat het een zeldzame orchideeënsoort is die vooral in natte duinvalleien voorkomt. Die wetenschappers hebben blijkbaar nog nooit van de Groene Weelde gehoord of van de bermen van de Van Heuven Goedhartlaan in Hoofddorp. Ook daar staan er namelijk duizenden. Blijkbaar hebben ecologische oevers in de Haarlemmermeer een aantal kwaliteiten van vochtige duinvalleien: Door de schelpen in onze nog jonge bodem is er in ieder geval kalk beschikbaar. Verder worden bermen niet bemest dus zijn ze ook redelijk voedselarm (en met weinig hoge concurrerende planten) en als de bermen of oevers niet te steil zijn dan is het ook vochtig en zonnig. Daarmee zijn een aantal belangrijke levensvoorwaarden voor het voorkomen van de moeraswespenorchis (en ook een aantal andere orchideeën vervuld). Hij beloont deze groeiomstandigheden in deze tijd van het jaar

met een indrukwekkend en prachtig tapijt van bloemen.

Bijzonder

Alle wespenorchissen zijn meerjarige kruiden. De naam van het geslacht komt van het feit dat veel wespensoorten de bloemen bestuiven. Maar ook zweefvliegen, kevers en mieren doen dat regelmatig. De soort plant zich niet alleen voort via zaad, maar ook vegetatief via wortelstokken. Dat verklaart dat als de soort ergens voorkomt, dat er meestal veel planten bij elkaar staan. Wespenorchissen zijn sterk afhankelijk van hun symbiose met schimmeldraden. Omdat de moeraswespenorchis zo innig vergroeid is met schimmels (die afsterven bij uitsteken of verplanten) heeft het geen zin deze soort (en geen enkele orchidee) uit te steken. Verder is de soort in Nederland wettelijk beschermd door de Flora- en faunawet en staat er een boete van maximaal 500 euro op uitsteken (per plant).

Waar

De meeste groeiplaatsen van de moeraswespenorchis zijn te vinden in vochtige duinvalleien. In het binnenland kwam ze nooit veel voor, maar de laatste jaren is zij daar op veel plekken verdwenen. Dat de soort op veel plaatsen uitsterft en in de Haarlemmermeer met een indrukwekkende opmars bezig is, is een reden om trots op te zijn en ook om deze manier van inrichting en beheer van ons openbaar groen voort te zetten.

 vlindersGroot avondrood27 jul 2008juli

Groot avondrood, 27 jul 2008

 grootavondrood2

Eind juni was er op eiland 8 in Floriande enige commotie toen er een gigantische roze ‘mot’ verscheen. Het bleek te gaan om één van de 19 in Nederland voorkomende pijlstaartvlinders en wel het Groot avondrood. Dit is een grote nachtvlinder met een spanwijdte van 4,5 tot 6 cm, die vliegt van mei tot en met augustus. De meeste pijlstaartvlinder zijn prachtig van kleur, maar de vlinders leven erg verborgen, zodat weinig mensen ze kennen. Ook het Groot avondrood mag er zijn in zijn roze en olijfgroene tenue. Pijlstaartvlinders danken hun familienaam aan een uitsteeksel op de staart van de rups. De waardplant voor de rups is bij voorkeur het wilgenroosje, maar hij kan ook op walstrosoorten, springzaad en op kattestaart gevonden worden. In de tuin is hij wel eens te vinden op Fuchsia. Volwassen pijlstaartvlinders zijn gespecialiseerd in het opzuigen van nectar uit diepe bloemen van ’s nachts bloeiende planten, zoals de kamperfoelie, rondondendron en azalea soorten. Daarvoor beschikken ze over een zeer lange tong, die

ze in de bloem steken terwijl ze als een kolibrie voor de bloem zweven. Deze bloemen worden door hen ook bestoven.

Bijzonder

De tot 8 centimeter lange bruine rups wordt olifantsrups genoemd. Deze trekt bij verstoring zijn kop iets in en beweegt dan zijn ′nek′ heen en weer. Door de oog- achtige vlekken en spits toelopende ′kop′ (eigenlijk de voorzijde van het lichaam) lijkt hij dan op een slang. Met deze bewegingen maakt hij zelfs tuinierende mensen aan het schrikken.’s. De olifantsrups komt voor in 3 kleur variëteiten, een zwarte, groene en bruine vorm.krachtige vliegers en halen makkelijk 50 km/uur.

Waar

Het groot avondrood komt voor in heel Europa en kan ook in Nederland overal worden aangetroffen, maar is nergens algemeen. Uit de Haarlemmermeer staat nog 1 waarneming uit de Haarlemmermeer op www.waarneming.nl en verder zijn er meldingen uit de duinen en uit Amsterdam.

 grootavondroodrups

 insectenEikenprocessierups3 aug 2008augustus

Eikenprocessierups, 3 aug 2008

 eikenprocessierups

Deze week een insect dat (nog) niet in de Haarlemmermeer is waargenomen. Echter de eikenprocessierups is al wel onverwacht dichtbij waargenomen (bij Sassenheim) en de grote vraag is of en zo ja wanneer hij ook hier opduikt. Onze oplettende medewerking wordt daarom gevraagd vanuit het instituut in Wageningen dat zich met dit plaaginsect bezighoudt. De eitjes van de rups komen uit zodra de eerste jonge eikenbladen uitlopen. Na de 3e vervelling (half mei- eind juni) krijgen de rupsen de gevreesde brandharen op de rug. De rupsen worden 3.5 cm lang. Overdag zitten de rupsen in nesten aan de zonnige kant van eikenstammen. De nesten bestaan uit een dicht spinsel vol met vervellingshuidjes, (brand)haren en uitwerpselen. De rupsen eten ’s nachts, waarbij ze zich in lange slierten ‘kop aan staart’ verplaatsen. Hieraan hebben zij hun naam processierups te danken. De rups ontwikkelt zich vooral tot een plaag in zomereiken langs lanen en in erfbeplantingen. In bosgebieden lijkt er een biologisch evenwicht te bestaan met zijn natuurlijke vijanden, waardoor er nauwelijks problemen ontstaan.

Bijzonder

De

brandharen van de rups vormen voor mens en dier (vooral hond) het probleem. De meeste haren zijn 0,2 -0,3 mm lang. Elke rups heeft er tot een miljoen van. De pijlvormige haren kunnen huid, ogen en luchtwegen binnendringen. De stoffen die van de haren afkomen, veroorzaken een op allergie lijkende huiduitslag, rode ogen en hevige jeuk, die tot 2 weken kan aanhouden. Meestal verdwijnen de klachten vanzelf. In zeldzame gevallen kan braken, duizeligheid en koorts optreden. De rupsen hoeven niet te worden aangeraakt om last te krijgen. Ook door de wind verspreide haren kunnen voor passanten gevaarlijk zijn. De brandharen blijven ook na het vertrek van de rupsen (jarenlang) in de nesten aanwezig.

Waar

De plaag van de eikenprocessierups begon in 1991 in Nederland met de ontdekking van enkele nesten bij Hilvarenbeek. De soort verspreidde zich daarna over de zuidelijke provincies. In 1997 verdween de soort vrijwel en er werd gedacht dat dit insect wel weer uit Nederland zou verdwijnen. Maar door de warme zomers en droge winters sinds 2004 is de opmars dit jaar tot Sassenheim gekomen.

 eikenprocessierups2