bovenfoto

Columns:

Sinds april 2006 is er elke week de natuurcolumn 'Ontdek de Flora en Fauna van de Haarlemmermeer' verschenen in de Hoofddorpse Courant.
Deze column heeft ten doel belangstelling voor de verrassende verscheidenheid van planten en dieren in onze leefomgeving te wekken.

 

Hieronder staat de column van deze week en daar onder kunnen alle tot dusver verschenen columns opgevraagd worden. U kunt deze selecteren en sorteren op categorie, onderwerp, het jaar en de tijd van het jaar. Combinaties zijn ook mogelijk. Ga naar de oudere columns

florafauna

Kweepeer en Merels, 7 okt 2018

 kweepeer

Nog nooit heb ik zoveel reacties op een column gekregen als de vorige over merelsterfte. Helaas niet genoeg om duidelijkheid te krijgen of dat Usutuvirus overal heeft toegeslagen. Het is wel opvallend dat ik over de buxusrupscolumn (met alternatief!), waar duizenden tuintjes door verruïneerd zijn geen enkele reactie kreeg, noch over mollensterfte.

Deze week de Kweepeer, want die is nu oogstrijp. Dat kun je detecteren met je neus. De keiharde kweepeer gaat dan nl zo lekker ruiken, dat een vrucht genoeg is in de wc of auto als luchtverfrisser! De kweepeer komt meer voor dan menigeen denkt. Er bestaan 2 typen: appelvormige soorten (waarvan het sierstuikje in gemeente plantsoen met rode bloemen en gele appeltjes een voorbeeld is) en de peervormige types, die vaak in bomen en stuiken tot een hoogte van 3-4m groeien.

Bijzonder

De kweepeer stond vroeger in elke (boerderij)tuin. Hoewel zijn vruchten keihard zijn en niet zo te eten, werd hij veel gebruikt in

allerlei gerechten. Het woord marmelade is zelfs afgeleid van het(Portugese) woord kweepeer: Marmelo. De kwee bevat nl veel pectine om jam dikker te maken. Zoals veel andere soorten als de kruisbes en de mispel is de kweepeer in onze gemakscultuur een vergeten soort fruit geworden. In alle boomgaarden die wij aanplanten, zetten we een of meer kweeperen. Dat zijn vaak de enige bomen waarvan het fruit het haalt tot rijpheid! (De andere soorten appels, peren en pruimen worden meestal al onrijp geplukt en na een hap (teleurgesteld) weggegooid en dat 500-1000 keer!). De kweepeer draagt meestal zeer rijk en elk jaar weer. In een aantal bomen moesten we dit warme jaar de takken ondersteunen om ze niet te laten breken (foto). Wij gaan kweeperentaart en jam maken. Wie het ook wil proberen kan in ons winkeltje op Park 2020 een paar vruchten komen halen zolang de voorraad strekt.

Waar

De kweepeer komt oorspronkelijk uit de Kaukasus (wet als walnoot, perzik en mispel). Hij gedijt goed op een neutrale bodem en houdt van zon.

Meldingen van bijzondere dieren en planten kunt u doorgeven aan info@stichtingmeergroen.nl. Persoonlijk kunnen wij u te woord staan op werkdagen bij De Heimanshof, Wieger Bruinlaan 1-7 in Hoofddorp. Alle columns vanaf april 2006 vindt u op www.stichtingmeergroen.nl





Meldingen van bijzondere dieren en planten kunt u doorgeven aan info@stichtingmeergroen.nl .

Persoonlijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkdagen tussen 9:00 en 12.30
en op woensdag tot 17:00 uur bij De Heimanshof, Wieger Bruinlaan 1-7 in Hoofddorp.


Oudere columns:

 

SELECTIEMENU; selecteer op:

categorie
en/of
titel zoekterm

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/of
maand
en/of
jaar
 
 

SORTEREN: klik op de kopjes in de titelbalk om de sortering te veranderen

 

Blz [ 7 ] Ga naar vorige1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 …>> volgende

thumb

categorie: titel: datum: maand:

open/dicht

 velduilvogelsVelduil28 okt 2007oktober

Velduil, 28 okt 2007

 velduil

De velduil komt voor in de Noordelijke delen van Europa, Azië en Amerika. Zijn leefgebied bestaat uit moerassen, graslanden en agrarisch land. De velduil is ongeveer 38 cm groot en leeft en broedt vooral op de grond. Het voedsel bestaat grotendeels uit woelmuizen. Daarnaast worden ook andere muizen en vogels gegeten. De velduil heeft een ronde kop, vrijwel zonder oorpluimen en een opvallend gezichtsmasker.

Bijzonder

Velduilen jagen zowel ′s nachts als in de schemering. Meer dan andere uilensoorten jagen ze ook overdag, waardoor ze vaker opvallen. De soort staat op de Rode Lijst vanwege de duidelijke afname en de geringe verspreiding van de Nederlandse broedpopulatie, en vanwege de kwetsbaarheid van het broedbiotoop.

Waar

Velduilen broeden in wisselende aantallen in de duinstreek en in moerasgebieden. Sinds de jaren vijftig is in het zuiden en oosten van het land sprake van een dalende trend. Op de Waddeneilanden

en in de net ingepolderde Flevopolders nam de soort eerst toe. Flevoland is inmiddels echter weer bijna verlaten, terwijl de Waddeneilanden -vooral Ameland - nu hèt bolwerk van de soort in Nederland zijn. Het aantal broedparen schommelt de laatste jaren tussen de 50 en 175 paar, waarvan tenminste driekwart op de Waddeneilanden. De kieskeurigheid en de zeldzaamheid van deze soort maakt het zeer bijzonder dat in het landschap om de startbanen van Schiphol het hele jaar door velduilen voorkomen. In sommige jaren zijn er wel 10 exemplaren waargenomen. De roofvogelwerkgroep schat dat maximaal 3 paren per jaar tot broeden komen. Dit jaar zijn tenminste drie jonge velduilen gemeld, waarvan 2 het slachtoffer waren van vliegtuigen. Het geringde derde jong staat op de foto. Ook op ander plaatsen in de Haarlemmermeer, zoals de Boseilanden worden soms velduilen gemeld. Vooral broedvogels uit Scandinavië overwinteren ook in Nederland. In oktober verschijnen de eerste trekkers, terwijl de laatste in mei weer zijn vertrokken. Het zijn echte zwervers. In Nederland geboren vogels trekken soms weg tot in noordelijk Scandinavië en Rusland, maar andere blijven hun leven lang binnen de landsgrenzen

Terugmeldingen

: Vele meldingen van ijsvogels uit de hele Haarlemmermeer, tot in tuinen toe en een doortrekkende slechtvalk en veel haviken langs de Geniedijk.

 lieveheersb_2sttippeliginsectenLieveheersbeestjes4 nov 2007november

Lieveheersbeestjes, 4 nov 2007

 lieveheersb_2sttippelig

Iedereen kent de rood-zwart of geel-zwart gekleurde kevertjes. De larven lijken op kleine rupsjes, maar hebben zes kleine looppootjes aan de voorzijde. Larven van veel soorten zijn stekelachtig behaard en hebben felle gele en rode kleuren. Lieveheersbeestjes gaan maagdelijk de winter in. In het voorjaar als het warm wordt vindt de paring plaats. De eitjes worden afgezet op plekken waar bladluizen zitten. De larve eet voor zijn ontwikkeling wel zo′n 200-600 bladluizen. Een volwassen lieveheersbeestje lust per dag wel 100 bladluizen. Dat zijn er dus ruim 3.000 per maand.

Bijzonder

De naam lieveheersbeestje heeft te maken met de kerstening van de Germanen. De Germaanse naam voor het kevertje, Freyafugle, vogel van de vruchtbaarheidsgodin Freya, werd verchristelijkt tot onzelievevrouwebeestje of lieveheersbeestje. De Duitse naam Mariakever heeft hiermee een duidelijke relatie. Hoewel de meeste lieveheersbeestjes felle rovers zijn, is het een symbool van een aantal instellingen

en verenigingen met een goed doel, o.a. de Beweging Tegen Zinloos Geweld. Het aantal stippen van de dekschilden zegt niets over hun leeftijd, maar zijn een soortskenmerk. Het meest algemeen van de 60 Nederlandse soorten is het zevenstippelige lieveheersbeestje (6-7 mm groot) Andere algemene soorten hebben 2 (foto, 4 mm groot), 4, 11, 14, 16 of 22 stippen en zijn rood met zwart, zwart met rood of geel met zwart. Lieveheersbeestjes worden weinig door andere dieren gegeten. De felle kleuren dienen dan ook als waarschuwing. Als een lieveheersbeestje zich bedreigt voelt, dan produceert hij een gele vloeistof bij een gewricht van de poten. Dit gedrag heet "reflexbloeden". Deze vloeistof heeft een kwalijk geurtje en smaakt erg bitter. Vogels die een lieveheersbeestje oppakken proeven dit ‘bloed’ en laten hem meestal snel vallen.

Waar

De laatste generatie kevers maakt zich nu klaar voor de winter. Ze kruipen onder een pak bladeren, in een half vergane boomstronk of i.d. Daar zitten ze soms met grote groepen bijeen. Zodra de zon in het voorjaar warm genoeg wordt, komen ze massaal weer te voorschijn.

Terugmeldingen

: Vele meldingen van ijsvogels uit de hele Haarlemmermeer, tot in tuinen toe en een doortrekkende slechtvalk en veel haviken langs de Geniedijk.

 kramsvogelvogelsKramsvogel11 nov 2007november

Kramsvogel, 11 nov 2007

 kramsvogel

Aan het einde van de herfst trekt de natuur zich terug en vertrekken veel dieren naar het zuiden. In de winter komen er echter ook veel dieren hierheen, vooral vogels, om van de rijkdommen van onze zachte winters te genieten. Dat zijn vooral soorten uit het koude noorden en oosten van Europa. Een van deze wintergasten is de Kramsvogel. Dit is een grote lijsterachtige met een krachtige vlucht en een opvallende grijze stuit. De kramsvogel heeft een mooi verenkleed met een grijs en bruine rug en talrijke zwarte streepjes op de buik en borst. In najaar en winter is het karakteristieke ′tsjak-tsjak-tsjak′ van de kramsvogel zeer regelmatig te horen. Wie het geluid eenmaal kent, hoort het overal. .

Bijzonder

De Kramsvogels komen vooral af op bessendragende struiken en bomen: lijsterbes, vuurdoorn, duindoorn, sleedoorn, etc., maar ook appels versmaden ze niet. Omdat we in Nederland zeer veel bessen

in de stedelijk bebouwing hebben, zijn ze ook overal in de bebouwde kom aan te treffen. Daarnaast jagen ze net als merels op slakken en wormen in gazons en op velden. Daarbij maken ze karakteristieke sprongetjes, waardoor met het blote oog van zeer ver herkend kunnen worden.

Waar

Het voornaamste broedgebied bevindt zich in Oost-Europese landen zoals Duitsland, Polen en Rusland. De kramsvogel broedt vaak in kolonies waarbij de vogels verschillende grote nesten per boom bouwen in een aantal aangrenzende bomen. In het broedseizoen leven kramsvogels erg teruggetrokken. Ook in Oost-Nederland zijn enkele broedkolonies geweest. In de jaren 80 waren er bijna 1000 broedparen. De laatste jaren is het aantal broedparen gedaald tot minder dan 100 paar, vooral in Zuid Limburg en de Achterhoek. Het is nog onduidelijk waarom het aantal broedparen zo sterk wisselt. Uit de Haarlemmermeer zijn geen recente broedgevallen bekend, maar als wintergasten zijn ze op dit moment overal in de lucht, in bessenstruiken en op velden aan te treffen.

Terugmeldingen

: Vele meldingen van ijsvogels uit de hele Haarlemmermeer, tot in tuinen toe en een doortrekkende slechtvalk en veel haviken langs de Geniedijk.

 turksetortelvogelsTurkse Tortelduif15 nov 2007november

Turkse Tortelduif, 15 nov 2007

 turksetortel

De aanleiding voor het onderwerp deze week is de melding van een curieus broedgeval van een Turkse Tortelduif dat rond 6 november begon. De Turkse tortel is een duif die tegenwoordig vrij algemeen in Nederland voorkomt. Het is een beige vogel van ongeveer 30 cm lang, met een donker streepje in de nek. Ze eten voornamelijk zaden, rupsen, kevers en kleine vruchten. Het is een vogel die redelijk veel in de buurt van mensen komt: een cultuurvolger.
De Turkse tortel bouwt een eenvoudig nest bestaande uit losse takjes die in elkaar gestoken een ′platje′ vormen. Op dat nest worden steeds twee eieren gelegd. De duif koert meestal langdurig en eentonig. De vogel komt ′s winters af op voertafels, maar blijft bijna altijd op de grond.
Tegenwoordig is de Turkse tortel na de stadsduif de meest algemene duif in dorpen en steden. Tijdens de broedtijd kunnen ze agressief zijn. Ze doen alles om hun jongen te beschermen. De ouders jagen Vlaamse gaaien, eksters en zelfs mensen

weg bij het nest.

Bijzonder

Door het gammele nest mislukt een broedsel regelmatig, maar door steeds weer opnieuw een nest te maken lukt het de meeste Turkse tortels toch regelmatig jongen vliegvlug te krijgen. De meeste paartjes hebben wel 5 broedsels per jaar. De jongen uit het eerste legsel doen een paar maanden later zelf al weer mee aan de voortplanting. Er zijn weinig vogels die zich zo snel kunnen vermenigvuldigen. Het curieuze broedgeval midden in november is misschien dus minder een uitzondering dan eerst gedacht. De Turkse Tortelduif heeft de inheemse (gewone) tortelduif vrijwel verdrongen.

Waar

De Turkse tortel is sinds 1900 vanuit de Balkan West-Europa binnengetrokken. Het eerste geregistreerde broedgeval in Nederland was in 1949. Door allerlei onbekende factoren, maar zeker ook door de hoge voortplantingssnelheid explodeerde tussen 1950 en 1980 het aantal broedgevallen tot ongeveer 250.000 paar. Daarna is de stand ingestort en heeft zich gestabiliseerd op aantallen tussen de 50.000 tot 100.000 paar. De neergang van de aantallen liep parallel met die van een andere cultuurvolger: de huismus. Van de factoren die de huismus raakten (het steeds minder uitkloppen van tafelkleden en een betere isolatie van huizen met minder dakpanholletjes) lijkt voor de Turkse tortel alleen het voedselaanbod mogelijk relevant.

 veldmuiskleine dierenVeldmuis22 nov 2007november

Veldmuis, 22 nov 2007

 veldmuis

In het braakliggende gebied langs de A4 tussen de Geniedijk en Schiphol-Rijk, verzamelden zich vorige week 5 ooievaars en tientallen reigers. De reden voor hun bezoek is de veldmuis. Deze muis is dit jaar bijzonder algemeen in de Haarlemmermeer en ook verantwoordelijk voor de al eerder gemelde exceptioneel goede broedresultaten van roofvogels. Het is dit jaar namelijk een ‘muizenjaar’. De staart van woelmuizen, zoals de veldmuis, is veel korter dan van ‘ware’ muizen (b.v de huismuis) hun oren zijn kleiner en hun snuit is stomper.De veldmuis eet vooral grassen, kruiden en granen en maakt zijn nest tot wel 50 cm diep. Nesten liggen meestal zo′n drie meter van elkaar af. In goede gebieden, zoals wegbermen, kunnen wel 750 -1400 muizen per ha leven. Een vrouwtje kan 2-4 worpen per jaar krijgen van 2-12 jongen. De jongen worden naakt, roze en blind geboren. Ze worden 20 dagen lang gezoogd en zijn 14 dagen na het zogen geslachtsrijp. In het wild leven veldmuizen 4-24 maanden. In gevangenschap

kunnen ze 3 jaar oud worden.

Bijzonder

Ongeveer elke 3 jaar is er een muizendaljaar, dan een jaar waarin de aantallen toenemen en dan een topjaar. Door de zachte en droge winter van 2006/2007 is 2007 een extreem goed topjaar. De veldmuis is het belangrijkste voedsel is voor veel dieren, zoals hermelijnen, wezels, vossen, roofvogels, uilen en reigers. Top- en daljaren bij de veldmuis hebben een rechtsreeks effect op de overlevingskans en de broedresultaten bij deze dieren. Menselijke activiteiten, zoals bouwen en maaien kosten ook veel veldmuizen het leven. Daarnaast sterven veel muizen in de winter door wateroverlast en koude. Veldmuizen zijn vooral in de avondschemer en ′s nachts actief, overdag minder. Om de kans te verkleinen door roofvogels te worden gepakt, hebben ze een speciaal leefpatroon ontwikkeld. Om de twee uur komen ze vrijwel allemaal tegelijk uit hun holletjes om te gaan eten. Hoewel er dan wel muizen gevangen worden, zijn het er minder dan dat er altijd muizen actief zijn.

Waar

Veldmuizen leven in drogere streken met kort gras en/of granen, zoals graanakkers, wegbermen en dijken. Het verspreidingsgebied loopt van West-Europa tot Centraal- Azië met als zuidgrens Noord-Spanje, de Alpen, de Balkan en de Kaukasus. De noordgrens loopt door Nederland en Denemarken en via de Baltische staten naar Zuid-Finland.

 dodemansvingerspaddenstoelenDodemansvingers2 dec 2007december

Dodemansvingers, 2 dec 2007

 dodemansvingers

Dodemansvingers en andere kernzwammen

De Houtknotszwam is een knotsvormige zwam met een duidelijke steel die naar boven toe breder wordt en waarin zich de sporen bevinden. De bijna kogelronde, knotsvormige of ook wel vingervormige zwam (daarom heet hij ook wel dodemanshand of dodemansvingers) maakt een opgezwollen indruk en is van buiten zwart en van binnen wit. Sommige staan alleen, andere in groepjes, meestal aan de zijkanten van een stronk. Ze hebben een zwart wrattig oppervlak. De dodemansvingers worden meestal niet hoger dan vijf centimeter, maar kunnen veel groter worden. De nieuwe vruchtlichamen verschijnen in de herfst. De dodemansvingers horen bij de groep van de kernzwammen. Deze zwammen onderscheiden zich van de meest andere paddestoelvormende zwammen, door het feit dat zij zich in rijpe toestand verharden en daardoor lang overeind blijven en het hele jaar te vinden zijn. Ze zien er wrattig uit door de openingen waardoor de sporen naar buiten komen. Veel soorten zijn erg algemeen. Andere soorten van deze groep zijn de bekende geweizwammetjes en roestbruine kogelzwammetjes. Ook de zeer algemene

meniezwammetjes zijn verwant.

Bijzonder

De dodemansvingers groeien op oude stronken en takken van tenminste 15 cm groot. Het geweizwammetje van 2-6 cm hoog is min of meer geweiachtig vertakt of gevorkt en eerst wit en later zwart van kleur. Deze groeit op rottende takken en stronken, die al ver heen zijn. Een bruinrood kogelzwammetje is meestal 0.5 -1.5 groot en groeit vrijwel altijd in grote groepen en juist op vrij vers afgevallen takken of nieuwe loofhoutstronken. Het meniezwammetje (van 2-3 mm) groeit juist niet op dikke stronken maar op en door de schors van dunne pas afgevallen takken. Hij groeit in dichte groepen en heeft een helderoranje kleur.

Waar

Dodemansvingers kunnen aangetroffen worden in voedselrijke bossen op zand- en leemgrond. Hij is te vinden op stronken van dode loofbomen, meestal beuk of iep. Er is ook een slanke soort: de Esdoornhoutknotszwam maar deze groeit hoofdzakelijk op takken van esdoorn. De dodemansvingers zijn ook in de Haarlemmermeer overal te vinden, b.v in het Wandelbos en in het Haarlemmermeerse bos. In de Heimanshof kunnen we hem zo aanwijzen, en dat is ook het geval voor de andere genoemde soorten.

 dodemansvingers2

 nijlgansvogelsNijlgans8 dec 2007december

Nijlgans, 8 dec 2007

 nijlgans

Deze week al weer een dier uit zuidelijker streken, die zich definitief gevestigd heeft als standvogel in ons land en in onze polder: de nijlgans. De Nijlgans is geen echte gans, maar eigenlijk een grote eend, verwant aan de Bergeend. Kenmerkend is de bruine “bril” en de witte bovenvleugels. Zijn geluid lijkt op twee stenen die langs elkaar schuren. De Nijlgans leeft voornamelijk op land, hoewel hij goed kan zwemmen. De soort eet vooral zaden, bladeren, grassen en stengels, maar hij is ook niet vies van insecten en wormen. Mogelijk omdat de nijlgans uit warme streken komt, heeft hij een afwijkend broedgedrag. Op dit moment al zoeken overal paartjes op de akkers een territorium om te gaan broeden. De eerste jongen zijn er soms al in januari en zeker in februari.

Bijzonder

Ondanks zijn afkomst uit zeer warme streken, gedijt de Nijlgans zeer goed in ons klimaat. Ze overleven zelfs de strengste winters. De voortplanting verloopt eveneens

voorspoedig. Het vrouwtje legt tussen de zes en acht eieren. De pullen worden bijna allemaal groot. De ouders beschermen hen met een aan fanatisme grenzende agressie. Agressie is trouwens toch het handelsmerk van de Nijlgans. Ze “kraken” nesten van andere vogels. Zelfs kraaien, haviken en torenvalken jagen ze uit hun nest of nestkast. Soms broeden ze wel 20 m hoog. De pullen laten zich gewoon omlaag vallen en overleven dit zonder verwondingen. Ook nesten van de Grauwe Gans worden gekraakt. Eenden en meerkoeten, toch ook geen lieverdjes, worden zonder pardon aangevallen.

Waar

Nijlgansen komen oorspronkelijk uit Egypte en Afrika ten zuiden van de Sahara. Enkele in 1967 ontsnapte of uitgezette dieren zijn de aanstichters van de enorm snel groeiende populatie. De aantallen nemen nog altijd sterk toe met 11- 16 % per jaar. Elk jaar produceert ieder paar gemiddeld 4,3 nieuwe exemplaren. In sommige gebieden is een nijlgansenverzadiging opgetreden; de soort wordt er niet talrijker meer. In die gebieden grootgebrachte jongen, wijken uit naar omliggende gebieden. De verwachting is dat de komende decennia de toename in Nederland langzaam tot staan zal komen en de nijlgans zich verder over West-Europa zal verspreiden (gegevens SOVON). In de Haarlemmermeer houden zich al minstens 100 paar op.

 dwergmuiskleine dierenDwergmuis16 dec 2007december

Dwergmuis, 16 dec 2007

 dwergmuis

De leukste vondst bij het braakballenonderzoek van de Jeugdnatuurclub van De Heimanshof, 15 december jl. was een dwergmuis, die samen met een bosmuis, een veldmuis en 2 huisspitsmuizen op een dag op het menu van een kerkuil hadden gestaan. Een dwergmuis heeft knobbelkiezen, net als de huismuis en de mens, omdat het een alleseter is. Het voedsel bestaat uit zaden, bessen, insecten en rupsen. De dwergmuis moet dagelijks 1/3 van zijn gewicht eten om in leven te blijven. Hun staart dient als 5e ledemaat om door lange grassen en graanvelden te klimmen. Een territorium van een mannetje is 400 tot 600 m²; een vrouwtje leeft in een kleiner gebied. In de zomer zijn ze vooral in de schemer en nachts actief en in de winter meestal overdag. Mannetjes en vrouwtjes komen alleen bij elkaar om te paren en een 8-10 cm groot bolvormig nest te maken van geweven gras dat 60-100 cm boven de grond hangt. Na zo’n 18 dagen worden de jongen geboren. Als deze 15 dagen oud zijn, moeten ze voor zichzelf

zorgen.

Bijzonder

De dwergmuis is met 5-8 cm (plus een staart van 5-7 cm) het kleinste knaagdier van Europa en zelfs van de wereld. Volwassen dieren wegen 5-11 gram. (Een brief weegt 20 gram!) Door hun snelle voortplanting (tot wel 7 nesten per jaar, met elk zo′n 11 jongen) hebben dwergmuizen zich altijd goed kunnen handhaven. Moderne landbouwmethodes, vooral het spuiten van gewassen, het gebruik van combines en het platbranden van stoppelveldjes zijn zeer nadelig voor deze soort. Ook door het steeds meer uit productie nemen van landbouwgrond voor woningbouw neemt het aantal dwergmuizen elk jaar verder af. Daardoor is de dwergmuis op de rode lijst geplaatst als een soort die op dit moment nog niet bedreigd is. Het is de enige Europese muizensoort die zijn nest boven de grond bouwt en het enige zoogdier in Europa met een grijpstaart.

Waar

Dwergmuizen leven in bijna heel Europa en in Azië tot in Japan. Vooral in gebieden met hoge grassen, zoals droge rietvelden, graanakkers, hooilanden, verwilderde tuinen, overwoekerde heggen en bosranden. Tijdens strenge winters wagen ze zich ook bij mensen. Dat dwergmuizen in de Haarlemmermeer voorkomen, wordt regelmatig vastgesteld uit braakballenonderzoek. Hoe groot of hoe bedreigd de populatie hier is, door het afnemen van het areaal landbouwgrond, is niet bekend.

 konijnkleine dierenKonijn21 dec 2007december

Konijn, 21 dec 2007

 konijn

Ter gelegenheid van Kerst en de feestdagen is het wellicht passend om aandacht aan het konijn te besteden. Het konijn is een dagdier, maar bij veel verstoring overdag is hij meestal ′s nachts en in de schemer actief. Bij lage dichtheden leeft het konijn in paren, bij hoge dichtheden in groepen van ongeveer 20 dieren. Territoria worden gemarkeerd met geurklieren onder de kin, urine en hopen keutels. Bij gevaar stampt het konijn met zijn achterpoten. Ze kunnen een topsnelheid van 40 km/u halen, maar niet lang. Het konijn kan zich het gehele jaar door voortplanten, maar de meeste jongen worden tussen februari en augustus geboren. Per jaar kan een vrouwtje 3-7 worpen krijgen, met een minimum interval van 30 dagen. Na een draagtijd van 30 dagen worden 3-12 jongen geboren in een aparte ondergrondse nestkamer. Dit nest bestaat uit gras en mos en is bedekt met vacht uit de buik van de moeder. Het moertje bezoekt de jongen slechts 5 minuten per dag om ze te zogen. Het konijn

wordt in het wild maximaal 9 jaar oud.

Bijzonder

Het konijn kwam in Nederland veel voor in bossen en duinen, tot in 1954 door myxomatose de populatie instortte. De overgebleven resistente populatie nam vanaf de 80-tiger jaren weer toe. Vanaf 1994 daalt de populatie in Nederland weer door een nieuw (RHD)-virus. In 2004 was er nog maar 1/3 over van het aantal uit 1994. Om die reden is het konijn in de herziene Rode lijst van 2007 opgenomen als een ‘gevoelige’ soort.
Konijnen eten hun eigen nachtkeutels. Bij dit ‘herkauwen’ worden waardevolle vitaminen en mineralen benut; een aanpassing aan het leven in schrale gebieden.

Waar

Oorspronkelijk komt het konijn uit het Iberisch schiereiland. Spanje heeft er zijn naam aan te danken. De Romeinse naam ′Hispania′ is nl. een verbastering van de naam, die de Phoeniciërs aan dit gebied gaven: ′i-saphan-im′, het land der klipdassen (waarmee ze het konijn bedoelden).
De Romeinen introduceerden het dier in het grootste deel van het Romeinse Rijk en ook hier. Ook in Haarlemmermeer voelt het konijn zich op veel plekken thuis, rond de A4, de N201, bij Zwaanshoek, Schiphol, op de President: kortom op veel plekken waar de mens infrastructurele werken heeft uitgevoerd en waar zandige hellingen achterblijven.

 parapluutjesmosplantenParapluutjesmos6 jan 2008januari

Parapluutjesmos, 6 jan 2008

 parapluutjesmos

Herkenning van mossen begint met het verschil tussen blad- en levermossen. De meeste bladmossen hebben blaadjes, die om een stengel staan en een middennerf hebben. Als levermossen bladeren hebben, zitten er geen nerven in. Er zijn ook levermossen zonder stengels. De plant bestaat dan uit een groene, bladachtige schijf (thallus), die qua vorm op een lever lijkt, vandaar de naam. Het bekendste levermos is parapluutjesmos. Het groeit op beschaduwde, vochtige plekken. Het thallus van parapluutjesmos zit met hechtdraden vast, die geen wortels zijn. Op het thallus zitten ondiepe broedbekertjes met broedkorrels. Die korrels zijn een soort stekjes, die met opspattend regenwater weggeslingerd worden en kunnen uitgroeien tot nieuwe plantjes. De voortplantingsorganen zitten op verschillende planten. Zaadcellen worden gevormd door mannelijke planten in kommetjes. De zaadcellen kunnen zich op eigen kracht naar de eicellen in de vrouwelijke organen bewegen. Die zitten op vrouwelijke planten en lijken op paraplu′s, waarvan alleen de negen

baleinen over zijn. Onder die baleinen zitten zakjes, waarin zich fijne gele sporen ontwikkelen.

Bijzonder

Levermossen bestaan al minstens 375 miljoen jaar. Dat levermossen een grote levenskracht hebben opgedaan in hun lange geschiedenis, mag blijken uit het feit dat zij zich kunnen handhaven onder omstandigheden waar alle andere planten het moeten opgeven. In dit geval zijn het de zeer natte en zure omstandigheden en het feit dat de mossen zeer vitaal zijn, terwijl het terrein rijkelijk met bestrijdingsmiddelen wordt behandeld om het onkruidvrij te houden.

Waar

Soms kom je langs een terrein, waaraan je meteen ziet, dat er iets bijzonders mee is. Dat gevoel had ik een paar weken geleden toen ik in Badhoevedorp was, in de hoek waar de A4 de Haarlemmermeer binnenkomt. Het was een verlaten tuinderij, die helemaal bedekt was met mossen. Om de oorzaak daarvan uit te zoeken, ben ik er met een aantal leden van de KNNV mossenwerkgroep naar terug gegaan. 50 % van het terrein was bedekt met parapluutjesmos. Over de ruim 20 andere mossoorten leest u volgende week. De bijzondere aard van dit terrein voor de Haarlemmermeer is, dat het een hoekje is dat door de ringvaart afgescheiden is van het veengebied rond de Nieuwe Meer, waar het eigenlijk bij hoort.

 mossen_gekroesdplakkaatmosplantenMossen13 jan 2008januari

Mossen, 13 jan 2008

 mossen_gekroesdplakkaatmos

Vaak wordt gedacht dat de winter een periode is waarin er in de natuur weinig of niets te beleven is. Dat geldt zeker niet voor de wereld van de mossen, waarvoor de winter de toptijd is. Mossen groeien door bij lagere temperaturen dan vaatplanten. In de winter en vroege voorjaar hebben ze het voordeel, dat ze zelf door groeien en dat ze door andere planten niet overwoekerd worden. In Nederland komen zo’n 550 soorten voor.
Mossen zijn de eenvoudigste altijd-groene landplanten. Ze hebben geen vaatbundels en wortels, zoals varens en bloeiende planten. Mossen worden onderverdeeld in drie groepen: blad-, lever- en hauwmossen. Bladmossen vallen in drie groepen uiteen: Veenmossen hebben vertakte stengels en groeien in moerassen. Topkapselmossen zijn niet vertakt en hebben het sporenkapsel aan de top van de stengel. Verder zijn er slaapmossen met veel zijtakken, die meestal op de grond liggen en sporenkapsels langs de stengel maken.

Bijzonder

Veel soorten zijn

in staat om volledig uit te drogen en na nat worden weer gewoon door te groeien. Omdat mossen geen wortels hebben en hun voedsel via het blad opnemen, kunnen zij soms jarenlang aan de top doorgroeien, terwijl ze aan het oudste eind geleidelijk afsterven. Bij sommige soorten kan de plant vele decennia oud worden.

Waar

Op een veengebied in Badhoevedorp vonden we naast het vorige week gemelde Parapluutjesmos, Gewoon dikkopmos (een slaapmos) en 13 topkapselsoorten. Het lage aantal slaapmossen, komt waarschijnlijk door het gebruik van bestrijdingsmiddelen, waardoor deze soorten niet de leeftijd bereiken om zich voort te planten. Bijzonder was dat de topkapselmossen wel vrijwel allemaal sporenkapsels vormden. Het zijn pioniersoorten, zoals Gewoon purpersteeltje dat gedijt bij menselijke verstoring en stikstofverrijking, maar waar de bodem vrij stabiel is. Braamknikmos vormt miniscule rode knolletjes die er uitzien als aardbeitjes, waarmee hij zich vegetatief verspreid. Ook vonden we waarschijnlijk de 1e exemplaren van Gewoon kleimos in de Haarlemmermeer.
Op het nabij gelegen verlaten oude Sonyterrein kwamen nog 2 bijzondere soorten te voorschijn: tussen het riet, gekroesd plakkaatmos (zie foto), een levermos, wat vooral uit kalkrijke duinvalleien bekend is en het gezoomd vedermos, een topkapselmos, wat ook nog niet eerder in de Haarlemmermeer werd gevonden.

 stinkendnieskruidplantenStinkend Nieskruid14 jan 2008januari

Stinkend Nieskruid, 14 jan 2008

 stinkendnieskruid

Niet alleen mossen hebben in de winter hun toptijd. Er zijn ook hogere planten die in de kou goed gedijen. Stinkend nieskruid of kerstroos is er zo een. Het is een plant van rotsachtige hellingen, bermen en open bossen, die in ons land wel in tuinen wordt aangetroffen en zich van daaruit heeft verspreid. Dit familielid van de boterbloemen is een wintergroene vaste plant. Hij heeft zijn Nederlandse naam te danken aan de groenige bloemen die stinken als ze worden aangeraakt. De plant zaait zich vrij makkelijk uit. Met de steeds zachtere winters doet hij zijn bijnaam Kerstroos eer aan en bloeit dan zeker tot april. Door deze vroege bloei is de plant, samen met bolgewassen een welkome voedselbron voor bijen en andere insecten. De mieren waarderen de olie die uit de zaden komt, en slepen deze mee. Op deze manier vindt de verspreiding van de zaden plaats.

Bijzonder

Alle plantendelen zijn zwak giftig. De onaangename geur van de bloemen is zeer sterk als de enigszins

leerachtige bladeren worden fijngewreven (gebruik handschoenen). De zaden kunnen bij het oogsten jeuk veroorzaken en pijn in de vingers. Ze bevatten een stof die huid- en slijmvliezen irriteert en een andere, die op het hart inwerkt. Vergiftigingsverschijnselen komen uiterst zelden voor en geen reden om deze mooie plant uit de tuin te bannen. De plant stond bekend om zijn genezende werking bij depressies en waandenkbeelden. De latijnse naam Helleborus betekent: voedsel uit de Hel. Volgens de overlevering stierf Alexander de Grote aan een overdosis van dit kruid omdat zijn artsen er iets te scheutig mee waren.

Waar

Stinkend Nieskruid is een plant die oorspronkelijk uit de berggebieden rond de Alpen, Karpaten en Apenijnen komt. Tot in België komt deze soort inheems voor. In ons land vooral in tuinen en verwilderd.

Terugmeldingen

Een maand geleden meldde ik de zeldzame velduilen, die broeden op Schiphol. Sinds kort is een spectaculaire groep van 15 wintergasten van deze soort neergestreken op het braakliggende terrein van het toekomstige Toolenburg-Zuid. Ongetwijfeld doen ook deze dieren zich te goed aan (de resten van) van de grote veldmuizenpopulatie van dit jaar, waaraan zoveel andere roofvogels en uilen een bijzonder goed jaar te danken hebben.