bovenfoto

Columns:

Sinds april 2006 is er elke week de natuurcolumn 'Ontdek de Flora en Fauna van de Haarlemmermeer' verschenen in de Hoofddorpse Courant.
Deze column heeft ten doel belangstelling voor de verrassende verscheidenheid van planten en dieren in onze leefomgeving te wekken.

 

Hieronder staat de column van deze week en daar onder kunnen alle tot dusver verschenen columns opgevraagd worden. U kunt deze selecteren en sorteren op categorie, onderwerp, het jaar en de tijd van het jaar. Combinaties zijn ook mogelijk. Ga naar de oudere columns

florafauna

Pissebed, 31 mrt 2018

 pissebed-kelder

Met het voorjaar in aankomst worden er weer horden planten en dieren actief. In de 12 jaar van deze columns hebben we er al meer dan 500 soorten behandeld, maar er blijft nog voor jaren genoeg te ontdekken en te verbazen over. Deze week een inkijkje in een vaak ondergewaardeerde groep dieren: de pissebedden. In totaal zijner tot dusver meer dan 35 soorten van ontdekt en beschreven in Nederland. De meest algemene soorten zijn de ruwe pissebed die gaal donker gekleurd is, de grijs gekleurde kelderpissebed en de oprolpissebed.

Bijzonder

Pissebedden zijn kreeftachtigen. Dat zijn van oorsprong waterdieren. Er bestaan ook zoetwaterpissebedden die talrijk zijn in sloten en vijvers. Net als kreeften ademen pissebedden via kieuwen. Die moeten altijd vochtig blijven. Het pantser van landpissebedden ziet er degelijker uit dan

het is. Het is nl door latend voor ammoniak- en water waardoor ze continu transpireren. De pissebed hoeft ondanks de naam nooit te plassen, omdat de stikstofverbindingen (ammoniak) verdampt. Misschien heeft de naam pissebed te maken met de geur van ammoniak (urine) die soms te ruiken is. Een pissebed leeft van plantaardig materiaal, zoals rottend hout en bladeren en heeft vele vijanden, waaronder insecten, spinnen, amfibieën en vogels. Blauwe of paarse pissebedden zijn geen andere soort, maar hebben een virusinfectie waardoor ze na 1 of 2 weken sterven.

Waar

Veel landpissebedden zijn cultuurvolgers die oorspronkelijk uit Europa komen, maar tegenwoordig tot in Nieuw-Zeeland te vinden zijn. Landpissebedden leven in een microhabitat, de omstandigheden maakt ze weinig uit, als het maar vochtig is en er schuilplaatsen en voedsel zijn. Pissebedden komen in allerlei habitats voor, van bossen tot graslanden en ook tuinen zijn geschikte leefgebieden waarvan veel mensen pissebedden kennen Uit drogen is het grootste gevaar voor pissebedden.Ze komen dan ook altijd voor in vochtige ruimtes zoals kelders of onder schors, strooisel laag of hout en stenen e.d.





Meldingen van bijzondere dieren en planten kunt u doorgeven aan info@stichtingmeergroen.nl .

Persoonlijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkdagen tussen 9:00 en 12.30
en op woensdag tot 17:00 uur bij De Heimanshof, Wieger Bruinlaan 1-7 in Hoofddorp.


Oudere columns:

 

SELECTIEMENU; selecteer op:

categorie
en/of
titel zoekterm

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/of
maand
en/of
jaar
 
 

SORTEREN: klik op de kopjes in de titelbalk om de sortering te veranderen

 

Blz [ 4 ] Ga naar vorige1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 …>> volgende

thumb

categorie: titel: datum: maand:

open/dicht

 vogelsBergeend23 feb 2007februari

Bergeend, 23 feb 2007

 bergeend

De bergeend is een grote eend. Het verenkleed is opvallend wit, zwart en roodbruin. Het mannetje is van het vrouwtje te onderscheiden door een knobbel op de snavel (zie foto) Zijn voedsel bestaat voornamelijk uit slakken, wormen, schelpdieren, kleine kreeftjes en insecten. De bergeend is een typische modderaar. Hij zoekt het liefst voedsel in slikkige, open gebieden, zoals de Waddenzee. De soort is een holenbroeder en bouwt zijn nest vaak in een verlaten konijnenhol. Helaas neemt het aantal konijnen in de duinen sterk af, en daarmee de beschikbaarheid van geschikte broedplaatsen. Er vindt enige omschakeling plaats naar broeden in een dichte vegetatie.

Bijzonder

De naam bergeend heeft niets met bergen in de zin van ′hoge heuvels′ te maken, maar met de voortplanting; de soort kan relatief veel jongen grootbrengen of bergen. Van de bergeend

is daarnaast bekend dat een paartje makkelijk zijn jongen verlaat, b.v om te ruien. Gelukkig zijn de achterblijvende paartjes goede pleegouders. In mei kunnen dan ouders met 20-40 jongen van verschillend leeftijden worden waargenomen.

Waar

Nederlandse bergeenden zijn deels standvogel, een deel van de vogels trekt in de winter weg naar Ierland, Engeland of Frankrijk. De bergeend komt de laatste decennia steeds meer voor in het binnenland, waar ze vooral langs de rivieren, maar ook op akkers, aangetroffen kunnen worden.
Sinds de jaren ′70 is er een lichte maar constante toename in Nederland Dit komt vooral doordat gebieden in het binnenland gekoloniseerd zijn. Er is een groot verschil tussen het aantal paren dat een territorium heeft (11.000), en het aantal paren dat ook daadwerkelijk tot broeden komt (5.000 - 8.000).
Ook in de Haarlemmermeer is de bergeend een steeds bekender wordende verschijning. Schattingen over het aantal paren met territoria variëren van 50-100. De grootste aantallen komen voor rond de Groene Weelde en bij de gekantelde percelen. Losse paartjes die rond deze tijd weer aan het vestigen van territoria beginnen te denken, kunnen overal in de polder worden aangetroffen.

 plantenLongkruid2 mrt 2007maart

Longkruid, 2 mrt 2007

 longkruid

Eén van de eerste bloeiende kruidachtige planten van het jaar is het gevlekt longkruid. Het is een vaste plant die deel uitmaakt van de Ruwbladigenfamilie. De bladen zijn donkergroen en hebben kenmerkende lichtgroene vlekken. De plant heeft een lange wortelstok. Longkruid houdt van een beschaduwde plek en doet het goed op kleigrond en vochtige bodems. De plant zaait zich gemakkelijk uit waarbij dan verschillende bloe- en groeivormen kunnen ontstaan. Met zo′n 10 - 30 cm hoogte en 30 cm breedte en grote mate van slakbestendigheid is het een ideale bodembedekker voor beschaduwde plaatsen.

Bijzonder

Longkruid

wordt vaak aangehaald als voorbeeld van de signatuurleer die in de 16e eeuw en ook daarna het medisch denken in Europa domineerde. De signatuurleer stelde dat het gebruik van de plant door zijn uiterlijk werd aangegeven en zo werd longkruid dus voorgeschreven bij ziektes van de longen.
Kenmerkend voor deze familie is dat de bloemen zowel azuurblauw, paars, roze tot geheel wit kunnen zijn. Deze kleur is afhankelijk van de zuurgraad van de bodem. In zure bodems neigt de kleur meer naar roze, in basische bodems naar blauw.

Waar

Gevlekt longkruid is een Midden-Europese plant. Het is echter ook een populaire tuinplant en juist in tuinen verwildert zij vaak. In Nederland wordt de plant alleen als oorspronkelijk wild gezien in het oosten van Zuid-Limburg. Daarbuiten geldt zij als verwilderd of ingeburgerd. Ook wordt zij tot de stinsenplanten gerekend. In de Heimanshof komt ook het smalbladig longkruid voor, dat geen vlekken heeft.

 kleine dierenWolhandkrab10 mrt 2007maart

Wolhandkrab, 10 mrt 2007

 wolhandkrab

Met een pantser van ruim 7 cm en zijn lange poten is de wolhandkrab een opvallende verschijning. Het meest opvallend zijn de met een soort vacht beklede scharen, waaraan hij zijn naam dankt. Bij de vrouwtjes en bij jonge dieren is de beharing minder dan bij volwassen mannetjes. Overdag verblijven ze in zelf gemaakte holen die ze in oevers uitgraven en ′s nachts trekken ze er op uit om voedsel te zoeken. De wolhandkrab leeft een groot gedeelte van zijn leven in zoet water. Als ze volwassen zijn (na ca. 3 jaar)gaan ze terug naar de zee om te paren en eieren te leggen. In het voorjaar trekken kleine krabbetjes van het brakke milieu naar het zoete water.

Bijzonder

De wolhandkrab is gespecialiseerd in het opsporen van

gewonde dieren. Soms wordt een krab gevangen door vissers die met levende visjes vissen. In het najaar trekken volwassen dieren richting zee. De trek van de wolhandkrab kan spectaculair zijn omdat de krabben soms massaal uit het water komen om barrières als sluizen en kades te passeren. In 1982 overspoelden ze Heemstede op weg naar zee en veroorzaakten veel onrust. Wolhandkrabben kunnen 8 tot 12 km per nacht afleggen.
Tegenwoordig worden de krabben niet meer gezien als overlast maar als welkome bijvangst voor de palingvissers. Die kunnen de wolhandkrabben verkopen aan Chinese restaurants of exporteren naar China.

Waar

Oorspronkelijk komt de wolhandkrab uit China. Begin vorige eeuw (rond 1912) is het dier uitgezet in de rivier de Elbe in Duitsland. Van daaruit heeft de soort zich over heel Europa verspreid.
In heel Nederland zijn de wolhandkrabben algemeen in brak en zoet water (grote rivieren, kanalen, overige wateren met verbinding naar zee) In de Haarlemmermeer komen ze massaal voor in de ringvaart. Voor waarnemingen uit te polder zelf, houden we ons aanbevolen.

 bomenVleugelnootboom15 mrt 2007maart

Vleugelnootboom, 15 mrt 2007

 vleugelnootwinter 001

Deze week op 21 maart was de vijftigste boomfeestdag. 14 scholen in de Haarlemmermeer hebben dit jaar meegedaan. Zowel voor de aankleding van de omgeving, voor het wegvangen van stof en voor het opslaan van CO2 (en het daarvoor terugleveren van zuurstof) worden bomen steeds belangrijker. In de Haarlemmermeer zijn 400 monumentale bomen bekend en 200 die dat binnen 10 -15 jaar kunnen zijn. Een deel van deze bomen is inheems, maar vele zijn ook van overal uit de wereld afkomstig. Deze bomen verdienen extra zorg en aandacht. Een van de mooiste monumentale bomen is de Kaukasische Vleugelnoot aan de Kruisweg in Hoofddorp bij het oude marktplein.

Bijzonder

De vleugelnoot is een tamelijk snelgroeiende boom die een hoogte kan bereiken van 20-25 meter. De naam van vleugelnoot heeft te maken met twee vleugels waartussen de vrucht zit. De vleugelnoot is niet kieskeurig wat standplaats betreft. Zijn voorkeursplek bestaat echter uit vochtige terreinen bij rivieren. De vleugelnoot is een tamelijk snelgroeiende boom die een hoogte kan bereiken van 20-25 meter. De naam van vleugelnoot heeft te maken met twee vleugels waartussen de vrucht zit. De vleugelnoot is niet kieskeurig wat standplaats betreft. Zijn voorkeursplek

bestaat echter uit vochtige terreinen bij rivieren. De boom is erg gevoelig voor late nachtvorst en vraagt dus om een beschutte plek.
Karakteristiek voor vleugelnoot is de veelarmigheid van de kroon. De boom aan de Kruisweg, met zijn door kabels verankerde takken, is daar een prachtig voorbeeld van.
De vleugelnoot vormt een dicht bladerdak. Ook heeft de boom de neiging om meerdere stammen te vormen uit wortelopslag. Her en der verschijnen dan kleine ′boompjes′ op de worteluitlopers. Hoe ouder de boom wordt, des te meer kurklijsten er op de stam en takken verschijnen. Het hout is van goede kwaliteit, hoewel niet even dicht en sterk als (wal)notenhout.
Kaukasische of gewone vleugelnoot is een boom, die het beste als solitair in een grote tuin uitkomt. In parken zie je de boom meestal als solitair, maar je kunt er ook een indrukwekkende laan mee maken.

Waar

Deze boom zoals zijn naam al zegt, is afkomstig uit de Kaukasus. In de 18e eeuw kwam hij naar Europa. Met zijn regelmatige, koepelvormige kroon en fraai gebladerte is deze boom een bijzondere verschijning in tuinen en parken. De boom behoort net als de walnoot tot de Okkernootfamilie. Er zijn ongeveer 6 soorten vleugelnoot, waarvan er 5 in China voorkomen.

 Vleugelnoot1

 vogelsHalsbandparkiet23 mrt 2007maart

Halsbandparkiet, 23 mrt 2007

 halsbandparkiet

Het lijkt erop dat de Halsbandparkiet dit jaar voor het eerst in de Haarlemmermeer gaat broeden. Halsbandparkieten zijn exoten uit tropisch Afrika en Zuid-Azië, die ooit naar Europa zijn gehaald als volièrevogel. In de loop der jaren zijn een aantal van deze vogels ontsnapt of vrijgelaten. Zij bleken goed te aarden in ons klimaat. De halsbandparkiet is een opvallend groen gekleurde, vrij grote vogel met een lange, puntige staart en een rode snavel. Hij heeft een heel luide krijsende roep. De vogels vormen paren voor het leven en beginnen rond hun 3e levensjaar te broeden. Het zijn holenbroeders die meestal oude nesten van spechten gebruiken. Het voedsel bestaat vooral uit zaden, granen, bloemen en nectar. Van tuinvoer eten de vogels het liefst pinda′s. De halsbandparkiet heeft een voorkeur voor een parkachtige omgeving met grote bomen.

Bijzonder

De

parkieten leven meestal in groepen van 10-15 vogels, maar bij slaapplaatsen buiten het broedseizoen of op plaatsen met een veel voedsel kunnen ze groepen vormen van honderden of zelfs duizenden vogels. De vogels zijn weinig honkvast, een slaapplaats waar het ene jaar honderden vogels overnachten, kan het volgende jaar verlaten zijn. Over de ecologische invloed van halsbandparkieten is weinig bekend. In sommige gevallen lijkt het aantal spechten af te nemen bij grote aantallen parkieten. In andere gevallen is dat niet geconstateerd.

Waar

De halsbandparkieten komen het meest voor rond de grote steden. Het verspreidingsgebied heeft twee kernen: Den Haag en Amsterdam. Het eerste broedgeval dateert uit 1978 in Den Haag. Bij een landelijke telling in november 2004 werd de grootste populatie aangetroffen op een slaapplaats in Voorburg, bij Den Haag: 3200 exemplaren. In diverse parken in Amsterdam leefden bij elkaar zo′n 1800 vogels; en in Rotterdam 300. Rondom deze kernen breidt de soort zich langzaam uit. Al een aantal jaar trekken er in de winter groepjes vogels langs de Geniedijk. Vorige week hebben een aantal vogels de nestholte van een bonte specht overgenomen bij Fort Aalsmeer na twee maanden van verkenningen.

 kleine dierenBunzing30 mrt 2007maart

Bunzing, 30 mrt 2007

 bunzing

De bunzing is een kleine marterachtige. Een volwassen exemplaar wordt 30 tot 50 cm. Mannetjes worden een stuk groter dan vrouwtjes.
De bunzing heeft een donkere vacht en een opvallende koptekening (zie foto) Als het dier in het nauw wordt gebracht, spuit het een stinkende muskusvloeistof uit de stinkklieren bij de staart. Dit gebruikt hij ook voor het markeren van zijn territorium. Een bunzing leeft alleen is vooral ‘s nachts actief. Zijn nest is zelf gegraven, een verlaten konijnenhol of een holte tussen stenen of takkenhopen. Al vroeg in het voorjaar begint de paartijd.
Na 6 weken worden eenmaal per jaar twee tot twaalf jongen geboren. De vroegste nestjes zijn rond begin mei. In het wild worden bunzings vier tot vijf jaar oud. In gevangenschap kunnen ze wel 14 jaar worden.

Bijzonder

De bunzing is een felle rover. Het is

de wilde voorvader van de fret. Knaagdieren en kikkers vormen zijn belangrijkste voedsel, maar ook konijnen, vogels, regenwormen, insecten, hagedissen en ook aas worden gegeten. Als een bunzing er in slaagt een kippenhok binnen te komen volgt er een slachtpartij waarbij hij vele, zo niet alle kippen doodt.
Hij hanteert verschillende tactieken voor het doden van de prooi: een kikker wordt in de nek gebeten, een muis in de kop en een konijn in de neus. De bunzing legt voedselvoorraden aan. Soms kunnen enkele tientallen kikkers en padden worden aangetroffen bij een hol.

Waar

De bunzing komt alleen in Europa voor. De oostelijke grens ligt bij de Oeral, de noordgrens in Zuid-Scandinavië en de zuidgrens in Sicilië. Doordat ze niet kieskeurig zijn met hun voedsel, komen bunzings voor in vele landschapstypen. Hun favoriete biotoop is open land bij water met verspreide bosjes. In de Haarlemmermeer komen ze meestal voor bij boerderijen, bij voorkeur op erven met takkenhopen en rommelhoekjes. Hoeveel bunzings er hier is niet bekend. Ze worden meestal opgemerkt als ze overreden worden of als ze het aan de stok krijgen met kippen of katten. Graag worden we op de hoogte gesteld van waarnemingen.

 kleine dierenPad3 apr 2007april

Pad, 3 apr 2007

 padden

Een gewone pad is wordt 6 - 13 cm lang, met uitschieters tot 15 centimeter. Het mannetje is bijna de helft kleiner dan het vrouwtje. De gewone pad kruipt meer dan dat hij springt. Zijn oog heeft een goudbronzen kleur met een horizontale spleetvormige pupil. De gewone pad kan van de rugstreeppad worden onderscheiden door de rugstreep, en het hele snelle kruipen in korte sprintjes van de laatste soort. Alleen voor de voortplanting zijn padden van water afhankelijk en in het voortplantingsseizoen (maart-april) gaan ze op zoek naar water en leggen daarbij soms grote afstanden af.
Bij zacht, vochtig weer of tijdens een regenbui verloopt de paddentrek massaal. De eieren worden onmiddellijk na het afzetten bevrucht door het mannetje. Padden zetten geen dril af, maar eisnoeren die soms wel drie meter lang zijn en 2000 tot 6000 eitjes bevatten. De eitjes liggen naast elkaar in een dubbele streng. Tijdens het afzetten windt het vrouwtje de eisnoeren rond allerlei waterplanten. Net als volwassen padden bevatten de eitjes en de larven een gif dat verhindert dat ze door roofdieren gegrepen worden. Na het afzetten van de eitjes verlaten de wijfjes onmiddellijk de voortplantingsplaats. De mannetjes doen dit pas enkele weken later.
Na ongeveer een week komen de larven uit. Die worden maximaal 3,5 cm lang. Na 2 tot 3 maanden (in

juni-juli) vindt de gedaanteverwisseling plaats. Dan verlaten de kleine padjes het water; ze zijn dan ongeveer 1-1,5 cm lang.

Bijzonder

Padden worden in de natuur gemiddeld een jaar of 6 oud. Ze zijn na 3 - 4 jaar geslachtsrijp. Maximaal kunnen padden wel enkele tientallen jaren oud worden. Achter ieder oog zit een opvallend dikke gifklier, maar het gif van deze soort is hooguit licht irriterend voor onze huid. Het hanteren van de gewone pad is voor mensen niet gevaarlijk, maar het is raadzaam daarna de handen te wassen en niet in de ogen te wrijven. Door het gif zijn de padden en hun larven niet erg geliefd als prooi. De pad kan zich daarom als een van de weinige amfibieën ook voortplanten in visrijke wateren. Padden zijn heftige minnaars. In de trekperiode is de paringsdrang bijzonder groot. Als een mannetje al tijdens de trek een vrouwtje ontmoet, omklemt hij haar achter de oksels (de zogenaamde amplexushouding, zie foto) en laat zich door het dikwijls opvallend grotere vrouwtje naar het water vervoeren. De paargreep kan zo stevig zijn, dat er littekens overblijven bij het wijfje.

Waar

De gewone pad komt in 4 ondersoorten voor in Europa en rond de Middellandse Zee. In veel gebieden is het de meest algemene soort amfibie, maar door zijn verborgen levenswijze zie je ze zelden. Een pad houdt zich overdag vooral schuil onder stenen en wordt pas in de schemering actief.
Tijdens de trek vinden veel padden de dood als verkeersslachtoffers. Graag worden wij op de hoogte gesteld van trekroutes in de Haarlemmermeer waar hulp of voorzieningen het leven van veel padden kunnen redden.

Voorkomen: algemeen

Status: niet beschermd

 kleine dierenMuskusrat12 apr 2007april

Muskusrat, 12 apr 2007

 muskusrat

De muskus- of bisamrat heeft een lichaamslengte van 25-40 cm en daarbij nog een zijdelings afgeplatte staart van 20-30 cm. Hij kan 1,5 kilo wegen: vier keer zo zwaar als de bruine rat. Het is een goede zwemmer en duiker, die vooral ′s nachts en in de schemering actief is. Hij leeft van waterplanten, vooral de onderste stengeldelen en de wortels. De muskusrat heeft een voorkeur voor waterlopen met begroeide oevers. In de oever graaft hij een gang, waarvan de ingang meestal onder water ligt. ′s Winters maakt hij een burcht van gras en riet, die minstens twee kamers en een opslagkamer heeft. De voortplantingstijd duurt van maart tot november. Enkel het vrouwtje zorgt voor de jongen. Het aantal pijpen en kamers is afhankelijk van het aantal inwonende jongen. Hoe groter de familie des te meer kamers er nodig zijn. Afhankelijk van seizoen en temperatuur zijn er, na een draagtijd van ongeveer 5 weken, per jaar 3-5 worpen van 6-8 jongen. De moertjes uit de eerste worp zijn hetzelfde jaar al volwassen. 1 paartje kan zo in een jaar 30 nakomelingen krijgen. De mannetjes hebben een muskusklier om hun woongebied te markeren.

Bijzonder

Mede door zijn snelle voorplanting is de muskusrat gevreesd als graver en

wroeter. Vooral bij kleinere dijken kan dit een forse aanslag zijn op de stevigheid en ontstaan er allerlei onzichtbare valkuilen voor vee en landbouwmachines. Het gewroet kan zelfs leiden tot verzakkingen van wegen en spoorwegen. Naast waterplanten eet de muskusrat ook landbouwgewassen. Komt het dier terecht in fuiken en netten van vissers dan knaagt hij die door. Het vlees van de dieren is goed eetbaar (in België: waterkonijn)

Waar

In het begin van de 20ste eeuw bracht een graaf uit Tsjechië 5 beestjes mee uit Alaska voor de jacht. Tien jaar later waren er een miljoen. Ook pelsdierhouderijen, met name in Frankrijk, fokten de dieren. Maar de kwaliteit van hun vacht was slecht door de hogere temperaturen in Europa. Bisambont was daarom niet lonend en de dieren werden losgelaten. De muskusratten bereikten in 1919 Finland, in 1930 Engeland en in 1950 Zweden. De soort werd in 1937 in het Verenigd Koninkrijk uitgeroeid. In 1940 dook de eerste muskusrat op in Brabant. In 1970 werden de eerste muskusratten in Zuid Holland gevangen. Toen het aantal muskusratten te groot werd, is er een landelijke organisatie op poten gezet in elke provincie. In 2003 werden in Nederland 400.000 muskusratten gevangen. In de Haarlemmermeer werden de eerste muskusratten in 1986 gevangen. In 2006 waren dat er 916. In 2007 zijn tot op heden al 155 dieren gevangen, dit is 30% minder t.o.v. vorig jaar. De verwachting is dat bij voldoende bestrijdingsdruk de populatie verder zal dalen tot aanvaardbare aantallen. Maar net als het konijn, de nijlgans en de wolhandkrab lijkt deze exoot een blijver.

 vogelsGrote Bonte Specht20 apr 2007april

Grote Bonte Specht, 20 apr 2007

 Spechtgrotebonte

De grote bonte specht is een vrij grote, kleurrijke vogel van ongeveer 25 cm. Opvallend zijn de zwart witte patronen op zijn rug en het rood op het achterhoofd en de onderbuik. Hij voedt zich met insecten, vooral met de larven van kevers die zich onder de bast ingraven, maar hij eet ook noten, bessen en zaden. Hij hakt zijn nest het liefst uit, in wat zachtere houtsoorten en begint een aantal verschillende gaten te hakken voor hij er één uitkiest om te nestelen. Nestkastjes hebben bij deze vogels geen nut omdat het maken van een nest een onderdeel is van het baltsgedrag. Het wijfje legt 4-6 witte eieren.

Bijzonder

De grote bonte specht is één van de vogelsoorten die sterk in aantal toenemen. Eén oorzaak daarvan is ongetwijfeld het gewijzigde boombeleid, waarin meer ruimte is voor dode takken en stammen. Een andere

reden is dat de soort zich goed aanpast aan de (door de mens bepaalde) omstandigheden. Een leuk voorbeeld daarvan is het volgende: De grote bonte specht markeert zijn territorium door op een resonerende dode tak te roffelen. In het voorjaar van 2007 kregen wij van twee plaatsen door dat spechten ontdekt hebben, dat metaal beter resoneert dan hout: nl. de lichtmasten van het hockeyveld aan de Wieger Bruinlaan en een schoorsteenkap in Toolenburg. Een spechtensmidse is een zelf uitgehakte of natuurlijke holte waarin het dier noten of denneappels in vastklemt om ze open te maken. De halsbandparkiet is een snel in aantal toenemende concurrent die de neiging heeft om spechtenholen in bezit te nemen. De meningen zijn nog verdeeld of dit de spechtenstand wezenlijk schaadt, of dat deze gewoon een nieuw hol uithakt.

Waar

Het verspreidingsgebied beslaat een groot deel van Europa en Noord-Azië. Hij heeft een voorkeur voor dennenbossen, maar neemt dermate in aantal toe dat hij vaak in en om woonwijken komt, vooral als het boombestand wat ouder wordt. In de Haarlemmermeer komen inmiddels honderden paren voor.

Voorkomen: Vrij algemene broed- en standvoel

Status: niet speciaal beschermd

 plantenBont Kroonkruid20 apr 2007april

Bont Kroonkruid, 20 apr 2007

 bontkroonkruid1

Bont kroonkruid is een vaste plant uit de vlinderbloemenfamilie. Hij wordt 30 tot 120 cm hoog en heeft een liggende tot opstijgende, kantige stengel.
Bont kroonkruid bloeit lang, van juni tot minstens september. De roze met witte bloemen vormen op elke stengel en zijtak een scherm of krans met 5 tot 20 bloemen. De naam van de plant komt van het feit dat deze krans aan een kroon doet denken (zie detailfoto) Soms komen ook geheel witte bloemen voor. Het resultaat is vaak een indrukwekkende roze bol van ruim een meter hoog en soms 2 meter in diameter.

Bijzonder

Bont kroonkruid komt in het wild voor, maar wordt ook geteeld voor bodemverbetering omdat hij veel organisch materiaal en stikstof in de bodem brengt. Verder is de plant heel geschikt voor het tegengaan van erosie op hellingen en als fraai bloeiende bermbeplanting. Wel is de plant giftig.

Waar

Bont Kroonkruid komt van nature voor

in Midden- en Zuid-Europa en is van daaruit verbreid naar West- en Noord-Europa. Inmiddels is de plant een geaccepteerde inheemse soort. Hij heeft een voorkeur voor matig vochtige, kalkrijke grond op dijkhellingen, spoordijken, in bermen en duinen. Op De Heimanshof is de plant een gewaardeerde bloeier op de Limburgse mergelheuvel. Dat de Haarlemmermeerse grond genoeg kalk bevat en dat het klimaat ook steeds gunstiger wordt voor deze soort, blijkt uit het feit dat hij op steeds meer plaatsen gemeld wordt. B.v. in het Haarlemmermeerse Bos bij het Natuurpad en langs de Ijtocht.

Terugmeldingen

Naar aanleiding van dit artikel is Bont Kroonkruid van veel meer plaatsen gemeld. De grootste groeiplaats is op de oude spoordijk bij de ecologische oever van Hoofddorp tot Vijfhuizen op minstens 50 plaatsen. Verder langs de Van Heuven Goedhartlaan naast de GSM mast bij het Skagerrak, langs de toegangsweg naar het Arnolduspark en langs het insectenpad in het Haarlemmermeerse Bos.

Status: niet beschermd

 bontkroonkruid2

 vogelsBlauwborst20 apr 2007april

Blauwborst, 20 apr 2007

 blauwborst

De blauwborst is een vrij schuwe trekvogel die vooral voorkomt in natte gebieden met veel struiken en riet. Blauwborsten eten vooral insecten en slakken, spinnen en wormen, maar soms ook bessen (vooral in de herfst) De geleidelijke overgang van rietmoerassen naar moerasbos vormt een uitstekend leefgebied. Er bestaan twee soorten blauwborsten. De witgesterde Blauwborst (zie foto) is het meest algemeen. De roodgesterde Scandinavische vorm is hier aanzienlijk zeldzamer. Blauwborsten zijn prachtige vogels om te zien én om

te horen. De meeste vogels hebben of een kleurig verenpak of een uitbundig lied. De blauwborst heeft beide.

Bijzonder

Het aantal blauwborsten in Nederland is de afgelopen tijd spectaculair toegenomen. Rond 1970 werden ongeveer 1000 paren vastgesteld, in het jaar 2000 werd dit aantal al geschat op 9.000 tot 11.000 paren. Het is een van de weinige soorten die zelfs van een Rode Lijst is geschrapt, omdat het zo goed gaat.

Waar

De meeste blauwborsten broeden in moerasgebieden zoals de Peel, de kop van Overijssel, de Oostvaardersplassen en de Biesbosch. Ook in kleine moerashoekjes kan hij zich vestigen. In het voorjaar van 2007 is een blauwborst neergestreken aan de rand van Toolenburg. Indien deze verkenner een maatje vindt zou het een leuke aanwinst voor de fauna van de Haarlemmermeer betekenen.

Status: tot voor kort rode lijst soort; niet meer

 vogelsAlbinisme bij spreeuwen18 mei 2007mei

Albinisme bij spreeuwen, 18 mei 2007

 albinospreeuwbijna

Meestal bespreken we hier bijzondere dieren of planten. Deze keer gaat het over een gewone spreeuw. Maar ook over algemene dieren zijn vaak bijzondere dingen te vertellen. Midden in Overbos (Hoofddorp) is namelijk een bijna witte spreeuw opgedoken. Nu bestaan er bijzondere spreeuwensoorten zoals de roze spreeuw en er bestaan van alle soorten ook (zeldzame) albino vormen. Deze dieren kunnen door een genetisch defect geen melanine (kleurstof) aanmaken in hun veren. Meestal overleven deze albino dieren niet lang, omdat ze zich moeilijk kunnen verstoppen of omdat hun ogen door gebrek aan kleurstof niet goed tegen de zon kunnen, en vaak gaan ontsteken.

Bijzonder

De spreeuw in dit geval in echter geen albino, omdat hij geen rode ogen heeft. Verder is de definitie van albino dat hij een volledig gebrek aan pigment moet hebben. Een beetje albino kan dus niet.
Dit beest is

kennelijk bij het aanmaken van de veren niet in staat geweest om voldoende pigment aan te maken. Dit zou aan zijn voedsel of spijsverteringssysteem kunnen liggen maar meer waarschijnlijk heeft hij een niet goed werkend hormoonsysteem.
Een echte albino spreeuw is de 2e foto hiernaast.

Waar

De spreeuw is een van de algemeenste vogels van Nederland. Ondanks het feit dat hij het hele jaar door te zien is, is het een trekvogel. De spreeuwen die wij hier ′s zomers zien, zitten ′s winters zuidelijker en onze winterspreeuwen bevinden zich ′s zomers noordelijker. Hun verenkleed is glanzend zwart met, vooral in het zonnetje, een weerschijn van bronsgroen (kop en achterhoofd) en verschillende variaties purper. In de winter is het kleed duidelijker gespikkeld dan in de zomer. Jonge spreeuwen zijn grijsbruin met een lichte keel. Aan het eind van de zomer ruilen ze dit verenpak om voor dat van de volwassenen.

 albinospreeuw1