bovenfoto

Columns:

Sinds april 2006 is er elke week de natuurcolumn 'Ontdek de Flora en Fauna van de Haarlemmermeer' verschenen in de Hoofddorpse Courant.
Deze column heeft ten doel belangstelling voor de verrassende verscheidenheid van planten en dieren in onze leefomgeving te wekken.

 

Hieronder staat de column van deze week en daar onder kunnen alle tot dusver verschenen columns opgevraagd worden. U kunt deze selecteren en sorteren op categorie, onderwerp, het jaar en de tijd van het jaar. Combinaties zijn ook mogelijk. Ga naar de oudere columns

florafauna

Pissebed, 31 mrt 2018

 pissebed-kelder

Met het voorjaar in aankomst worden er weer horden planten en dieren actief. In de 12 jaar van deze columns hebben we er al meer dan 500 soorten behandeld, maar er blijft nog voor jaren genoeg te ontdekken en te verbazen over. Deze week een inkijkje in een vaak ondergewaardeerde groep dieren: de pissebedden. In totaal zijner tot dusver meer dan 35 soorten van ontdekt en beschreven in Nederland. De meest algemene soorten zijn de ruwe pissebed die gaal donker gekleurd is, de grijs gekleurde kelderpissebed en de oprolpissebed.

Bijzonder

Pissebedden zijn kreeftachtigen. Dat zijn van oorsprong waterdieren. Er bestaan ook zoetwaterpissebedden die talrijk zijn in sloten en vijvers. Net als kreeften ademen pissebedden via kieuwen. Die moeten altijd vochtig blijven. Het pantser van landpissebedden ziet er degelijker uit dan

het is. Het is nl door latend voor ammoniak- en water waardoor ze continu transpireren. De pissebed hoeft ondanks de naam nooit te plassen, omdat de stikstofverbindingen (ammoniak) verdampt. Misschien heeft de naam pissebed te maken met de geur van ammoniak (urine) die soms te ruiken is. Een pissebed leeft van plantaardig materiaal, zoals rottend hout en bladeren en heeft vele vijanden, waaronder insecten, spinnen, amfibieën en vogels. Blauwe of paarse pissebedden zijn geen andere soort, maar hebben een virusinfectie waardoor ze na 1 of 2 weken sterven.

Waar

Veel landpissebedden zijn cultuurvolgers die oorspronkelijk uit Europa komen, maar tegenwoordig tot in Nieuw-Zeeland te vinden zijn. Landpissebedden leven in een microhabitat, de omstandigheden maakt ze weinig uit, als het maar vochtig is en er schuilplaatsen en voedsel zijn. Pissebedden komen in allerlei habitats voor, van bossen tot graslanden en ook tuinen zijn geschikte leefgebieden waarvan veel mensen pissebedden kennen Uit drogen is het grootste gevaar voor pissebedden.Ze komen dan ook altijd voor in vochtige ruimtes zoals kelders of onder schors, strooisel laag of hout en stenen e.d.





Meldingen van bijzondere dieren en planten kunt u doorgeven aan info@stichtingmeergroen.nl .

Persoonlijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkdagen tussen 9:00 en 12.30
en op woensdag tot 17:00 uur bij De Heimanshof, Wieger Bruinlaan 1-7 in Hoofddorp.


Oudere columns:

 

SELECTIEMENU; selecteer op:

categorie
en/of
titel zoekterm

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/of
maand
en/of
jaar
 
 

SORTEREN: klik op de kopjes in de titelbalk om de sortering te veranderen

 

Blz [ 11 ] Ga naar vorige<<… 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 …>> volgende

thumb

categorie: titel: datum: maand:

open/dicht

 kleine dierenSchorshoorntje (Balea perversa)9 nov 2008november

Schorshoorntje (Balea perversa), 9 nov 2008

 schorshorentje1

Als het kouder en donkerder wordt, wordt de natuur niet minder interessant. ‘s Winters wordt ons land b.v. overspoeld door trekvogels, die ons klimaat hier perfect vinden. En wat te denken van slakken. Het droge en warme deel van de zomer brengen slakken vaak in schuilplaatsen door, maar echt actief worden ze pas weer in de herfst. 80-90 % van de gevallen bladeren worden door miljoenen slakken opgepeuzeld. Sommige slakken doen dat zo netjes, b.v. bij populierenbladeren, dat ze het complete geraamte van nerven intact laten. Naast de bekende naakt- en huisjesslakken bestaan er honderden soorten minder bekende slakken, zowel op het land als in het water. Voor één van die onbekende slakjes wil ik vandaag uw aandacht vragen. Het is een minuscuul 6-8 mm lang huisjesslakje dat Schorshoorntje heet (zie foto met mm strepen). Van dit soort kleine hoorntjesvormende slakjes bestaan er tientallen soorten. Met een sterke loep kan een kenner de soort bepalen aan het aantal welvingen en tandjes en aan de vorm van de opening. Het schorshoorntje wordt gekenmerkt door een vrij mooie en gave ronde opening zonder welvingen of tandjes.

Bijzonder

Slakken

zijn hermafrodiet, d.w.z. elk dier kan zowel de rol van man als vrouw spelen. Verder planten slakken zich voort met eieren. Die eieren lijken op mini- pingpongballen en worden in groepjes van 50-100 in vochtige holtes gelegd. Het schorshoorntje doet dat helemaal anders. Het diertje is weliswaar ook hermafrodiet, maar het legt geen eieren. De soort is nl. ovovivipaar: de eieren blijven in het lichaam tot ze uitgekomen zijn. Bijzonder is ook nog dat er maar één jong per keer ′uitkomt′. Het schorshoorntje komt, zoal de naam al zegt, bij voorkeur voor op en onder schors van bomen en dan vooral van wilgen. Daar vindt het ook zijn voedsel: het schorshoorntje leeft van korstmossen.

Waar

Het schorshoorntje komt in heel Europa voor van het uiterste zuiden tot vrij noordelijk. In Nederland komt de soort vooral in de duinen voor en sporadisch in het binnenland. De soort werd recentelijk voor het eerst in de Haarlemmermeer waargenomen onder schors van dode wilgen in De Heimanshof

 schorshorentje2

 vogelsKuifeend20 nov 2008november

Kuifeend, 20 nov 2008

 kuifeendmangroot

In alle brede vaarten, plassen en kanalen (b.v in de hoofdvaart) tref je in deze tijd kleine eendjes aan die bedrijvig aan het duiken zijn. De vrouwtjes zijn bescheiden bruin gekleurd, maar de mannetjes zijn opvallend zwart met een witte flank. Ook hebben de mannetjes een duidelijke zwarte kuif. Bij het vrouwtje is deze kuif kleiner. Beide seksen hebben een prachtig diep geel of oranje gekleurd oog. De kuifeend is een tamelijk talrijke broedvogel van onze streken, maar in de winter zijn ze massaal aanwezig. Het kuifeendje hoort bij de groep van duikeenden. Van deze groep komen in onze polder ook de tafeleend, de toppereend en de krooneend voor. Het voedsel van de kuifeend bestaat voornamelijk uit slakken, mossels en waterinsecten en soms ook waterplanten, die tijdens lange duiken op de waterbodem worden gezocht. Doordat de kuifeend langer onder water kan blijven dan de meeste andere duikeenden, komt hij vaker voor in dieper water. Hij maakt zijn nest bij of in het water en soms zoekt hij bescherming bij kolonies meeuwen of sterns. Hij

broedt i.t.t. de wilde eend laat en maar eenmaal op 6-14 eieren. De jongen kunnen na ca 6 weken vliegen.

Bijzonder

De kuifeend is de afgelopen 30 jaar enorm in aantal toegenomen. Broedden er in Nederland in 1950 nog maar enkele tientallen paren, op het ogenblik wordt het aantal op ruim 10.000 paar geschat. Een mogelijke oorzaak is de snelle verspreiding van het driehoeksmosseltje (een exoot uit Amerika). Maar de kuifeend neemt ook als broedvogel toe in gebieden waar dit mosseltje niet voorkomt.

Waar

De kuifeend is een trek- en zwerfvogel. Hij komt voor in Midden- en West-Europa. en in delen van Azië. Dit eendje houdt van wateren met een rijke oevervegetatie. Je ziet ze vaak op grote meren en diepe sloten. Vooral de Hollandse polders en duinen zijn geliefde broedgebieden. In de winter zoekt de kuifeend vaak open water op, waarbij de Nederlandse populatie aangevuld wordt met heel veel vogels uit het noorden.

 kuifeendpaar

 vogelsGrauwe Gans23 nov 2008november

Grauwe Gans, 23 nov 2008

 grauwegansgroot

‘s Winters trekken er overal ganzen in lange V-vormige slierten over de Haarlemmermeer, die soms op akkers en graslanden neerstrijken. De meest voorkomende soorten zijn kolgans, rietgans en grauwe gans. De grauwe gans is een van de (vele) goed nieuws natuurverhalen van de laatste tijd. In de 50-tiger jaren was de gans als broedvogel in Nederland praktisch uitgestorven (als wintergast bleef de soort wel algemeen). Jacht, gebrek aan geschikte gebieden en wellicht ook pesticiden hadden daaraan bijgedragen. De drooglegging van de Flevopolders en vooral de Oostvaardersplassen hebben er sterk aan bijgedragen dat ze weer bleven om te broeden. De toename ging daarna explosief. De 150 paar uit 1970 waren in 2005 toegenomen tot zo’n 25.000 paar en de aantallen nemen nog steeds toe. Grauwe ganzen broeden graag op de grond in bosjes met grasland en riet in de buurt. Die vinden ze zelfs, nu de Oostvaarderplassen vol zijn, op allerlei curieuze plaatsen, zoals kruisingen van snelwegen.

Bijzonder

De grauwe gans is de stamvader van de tamme gans en maakt hetzelfde geluid. Tijdens het broedseizoen

verliest een gans al zijn slagpennen tegelijkertijd en kan dan een tijd niet vliegen. In die tijd houdt hij zich het liefste schuil in rietvelden. Daar kan hij, door het eten van jong riet de (excessieve) verspreiding van deze soort tegengaan. Dat de Oostvaardersplassen niet zijn dichtgegroeid, is vooral hieraan te danken. Het broedsucces van de grauwe gans heeft in de Haarlemmermeer tot een speciaal probleem geleid. De vogel weegt wel 3-4 kg en kan aanzienlijk schade aan vliegtuigmotoren aanrichten als hij aangezogen wordt. Daarom worden ganzen tot in de wijde omtrek rond Schiphol zwaar vervolgd. Of dit veel zin heeft als de ganzen van half Europa naar Nederland komen, waar de ecologische omstandigheden verder ideaal zijn, is de vraag.

Waar

In Nederland broeden grauwe ganzen in moerassen en andere vochtige gebieden. In de winter overwinteren ganzen uit heel Noord- en Oost-Europa in Nederland. Broedende grauwe ganzen kunnen in de buurt van de Haarlemmermeer aangetroffen worden in de Kagerplassen, in de kruising van de A9 en de A2 en aan de Ouderkerkerplas. Voor meldingen van broedgevallen in de polder zelf, houden wij ons aanbevolen.

 grauwegans

 plantenHangende zegge30 nov 2008november

Hangende zegge, 30 nov 2008

 hangendezegge

Grassen en zeggen spreken meestal niet tot de verbeelding. Dat komt o.a. omdat hun kleine groene bloempjes niet erg opvallen. Toch steekt er achter een heleboel van deze soorten een interessant verhaal. Vandaag het verhaal van de hangende zegge: Zeggen zijn familie van de grassen. Ze worden gekenmerkt door het feit dat ze een driekantige stengel hebben en apart gegroepeerde mannelijk en vrouwelijke aartjes. Verder hebben de meeste zeggen een voorkeur voor natte of vochtige plaatsen. De hangende zegge is een forse meerjarige plant die groeit in pollen. Het is een trage groeier, maar over de jaren kan hij flinke afmetingen krijgen. Een pol kan wel een diameter van een meter krijgen, waar de decoratieve bloeistengels met hun sierlijke 1.5 m hoge hangende aren dan nog uitsteken. Deze zijn ook bruikbaar in droogboeketten. Om deze verschijningswijze wordt de hangende zegge ook als tuinplant gewaardeerd.. De groenbruine

bloemen bloeien in juni en juli, soms tot augustus.

Bijzonder

De plant staat op de Nederlandse Rode Lijst van planten als zeer zeldzaam en stabiel of toegenomen. Daarom is het des te opvallend dat deze plant het in de Haarlemmermeer bijzonder goed doet en zich op grote schaal uit zaad voortplant op allerlei plaatsen. In De Heimanshof is b.v. nodig gebleken om een groot aantal exemplaren uit te steken of elders uit te zetten. En ook elders is de plant op allerlei plaatsen te vinden. Zo kwam ik het afgelopen weekend 20 exemplaren ‘wild’ tegen in het plantsoen langs de Paxlaan in Hoofddorp. Interessant is verder dat de ‘nootjes’ van de hangende zegge voorzien zijn van mierenbroodjes. Dat is een zoet aangroeisel waar mieren dol op zijn, met als resultaat dat ze het zaad naar hun nest verslepen. En dat is precies de bedoeling, want zo kan hij zich verspreiden.

Waar

De plant komt van nature voor in Eurazië en Noord-Afrika en dan vooral op natte grond langs bronnen en beekjes in loofbossen en groeit het beste in halfschaduw. De hangende zegge is een kenmerkende soort voor het essenbronbos in Limburg. De bronnetjes vormen zich uit kwelwater uit de grond. Zelfs in zijn natuurlijke gebied in Limburg is de hangende zegge zeer zeldzaam.

 paddenstoelenSinasappelschilzwam11 dec 2008december

Sinasappelschilzwam, 11 dec 2008

 sinasappelschilzwamgroot

De grote oranje bekerzwam groeit op kale grond, die meestal recentelijk omgewoeld is en is feloranje aan de binnenkant van zijn bekers. De bekers kunnen ook schotelvormig zijn en worden tussen de 2 en 10 cm in diameter. Door de feloranje kleur die wel iets weg heeft van de kleur van een sinasappel en door zijn vorm, is deze soort aan zijn bijnaam van sinaasppelschilzwam gekomen. Deze week vond ik deze zwam in de kruidentuin van De Heimanshof op de plaats waar we dit jaar een boom hadden uitgegraven. De soort leeft van de vertering van organische stoffen (dode boomwortels b.v.) in de grond.

Bijzonder

De sinasappelschilzwam behoort tot de kelkzwammen,

die in een grote variatie in vormen en (al of niet briljante) kleuren voorkomt. Eerder heb ik in januari 2008 de krulhaarkelkzwam behandeld, die even briljant rood is, als de oranje kelkzwam oranje. En in april 2006 vormde de vondst van de cedergrondbekerzwam de start voor deze column. Uit in het wild verzamelde vruchtlichamen van de grote oranje bekerzwam wordt de stof lectine gewonnen, om zijn tumorremmende werking.

Waar

De grote oranje bekerzwam komt meestal voor in groepen in de nazomer of herfst op vrijwel kale bodem of voedselrijke klei, leem of zand in loof- en gemengd bos en is in Nederland niet zeldzaam. De soort komt in een groot deel van Europa en Noord- Amerika voor.

 sinasppelschilzwam

 vogelsHuismus14 dec 2008december

Huismus, 14 dec 2008

 huismus

Bijna dagelijks fiets ik langs een huis met een mooie vuurdoorn op het zuiden. Als het dezer dagen droog of mooi weer is, vergaat horen en zien je bij die struik. Het lijkt wel of alle huismussen uit de buurt zich daar hebben verzameld en elke dag ruim genoeg stof tot overleg hebben. De huismus eet zaden en insecten. Het lied van dit ‘zang’vogeltje beperkt zich tot getjilp. De mus is een standvogel: hij blijft jaarrond binnen een paar honderd meter van zijn nestplaats. Het mannetje is te onderscheiden van het vrouwtje, omdat hij uitgesprokener getekend is (zie illustratie). Een mussenpaar bouwt samen een nest, waarin het vrouwtje 4-7 eieren legt. Na ongeveer 12 dagen broeden, komen de eieren uit. De eerste dagen worden de kuikens door beide ouders met insecten gevoed, maar al snel wordt het dieet gevarieerder en plantaardiger. Na ongeveer 2 weken vliegen de jongen uit.

Bijzonder

In Nederland zijn de huismussen de laatste decennia sterk afgenomen van 1-2 naar 0.5 - 1 miljoen broedparen. Hoewel het nog een algemene vogel is, staat de soort daarom sinds 2004 als ′zorgelijk′ op de Rode Lijst voor bedreigde vogelsoorten. Deze dalende trend, die nog steeds doorgaat, heeft vele oorzaken, b.v. in de steden: huizen worden gebouwd zonder dakpannen, of zo goed geïsoleerd, dat er geen broedholletjes zijn. Het betegelen van tuinen neemt zijn tol evenals het in onbruik raken van het buiten uitkloppen van tafelkleden. Door het netheidsstreven in de wijken zijn er minder wilde hoekjes met zaden en insecten. Verder speelt de sterke toename van het aantal katten sinds

de 90-tiger jaren een rol. In de landbouw: het verbouwen van andere gewassen (mais) dan granen. Het afdekken van mest, waar voorheen veel insecten bij rondvlogen. Efficiënter oogsten waardoor er minder voor de mussen blijft liggen. Natuurlijke oorzaken: door afnemend pesticidegebruik neemt de roofvogelstand toe, waaronder de sperwer. Een nest jonge sperwers wordt met zo’n 700 vogels grootgebracht, waaronder veel mussen.

Waar

De huismus leeft bijna overal ter wereld, i.i.g. in bijna alle gematigde en subtropische streken, vaak dichtbij of in woongebieden van mensen. Voor een deel is de verspreiding op een natuurlijke wijze verlopen, voor een deel is de huismus door de mens verspreid en geldt als cultuurvolger. Speciale oproep: Actieplan huismus Om de huismus voor verdere teruggang te behoeden heeft Vogelbescherming Nederland en actieplan opgesteld, waaraan gemeentes, bouwbedrijven, hoveniers en burgers een bijdrage aan kunnen leveren. Huismussen zijn standvogels en groepsdieren, die niet ver vliegen. Herkolonisatie kan alleen vanuit bestaande kolonies. De belangrijkste aanbevelingen in het plan zijn: holtes (her)openen en/of nestkasten plaatsen in groepen, het planten van halfhoge inheemse struiken en het inrichten of laten bestaan van ruigtes. En natuurlijk helpt het ook als u uw tafelkleed weer dagelijks uitklopt of kruimels strooit. Graag krijgen we meldingen waar groepen mussen zich nog gehandhaafd hebben in de Haarlemmermeer en ook wie er belangstelling heeft om mee te werken aan het actieplan voor de huismus. Misschien een leuke kerstgedachte of voornemen voor het nieuwe jaar.

 huismusgrootman

 vlindersKleine Wintervlinder20 dec 2008december

Kleine Wintervlinder, 20 dec 2008

 kleinewintervlinder

Bij insecten denkt iedereen aan warme dagen. Toch zijn er het hele jaar door insecten waar te nemen, ook bij koud en nat weer. Zo zijn de gallen van galwespen, zoals de knikkergal op de eik juist in de winter beter te vinden. Maar ook zijn er midden in de winter, verrassend genoeg, nog actieve insecten te vinden. Deze week gaan we het hebben over de kleine wintervlinder die op dit moment vrij algemeen is waar te nemen in de bebouwde kom. Het is een nachtvlindertje van ongeveer 1.5 cm lang met weinig spectaculaire kleuren (zie foto). Op de foto is de beharing goed te zien waarmee ze de, voor insecten, barre temperaturen in de winter kunnen weerstaan. Rupsen van de kleine wintervlinder zijn te vinden van april-juni. Als ze volgroeid zijn laten zich aan een zijden draad op de grond zakken, waarna ze zich in een stevige cocon verpoppen. De soort overwintert als ei op een twijg of in een bastspleet dicht bij een bladknop. De mannetjes vliegen meestal pas uit na de eerste nachtvorst vanaf oktober tot en met december. Ze vliegen hoofdzakelijk in de avondschemering bij

vochtig en nevelig weer en bij een temperatuur net boven 0°C. Tijdens zachte winters vliegen ze soms tot half januari. De vlinders zijn vaak op verlichte vensters aan te treffen. Zowel de mannetjes als de vrouwtjes kunnen in het donker rustend of omhoog kruipend op boomstammen worden waargenomen.

Bijzonder

Alleen de mannetjes van de kleine wintervlinder kunnen vliegen. De vrouwtjes hebben alleen vleugelstompjes en kruipen wat rond op takken, tot de mannetjes ze vinden en bevruchten. De mannetjes nemen de vrouwtjes tijdens de paring soms mee in de vlucht. De kleine wintervlinder is één van de vlinders die verantwoordelijk is voor de "rupsenpiek" in het voorjaar, die ervoor zorgt dat zangvogels na de trek en voor hun jongen aan extra veel voedsel kunnen komen. Door stijging van de temperatuur bleken, op zeker moment, de rupsen echter al uit het ei te komen voordat er blad aan de bomen was, waardoor deze rupsen stierven door gebrek aan voedsel. Andere rupsen die later uitkwamen hadden meer geluk en hebben de soort behoed voor uitsterven.De rupsen kunnen in sommige jaren, door hun grote aantallen, schade veroorzaken aan vruchtbomen

Waar

De kleine wintervlinder komt in heel Nederland voor in tuinen, parken, loofbossen, boomgaarden en andere lommerrijke gebieden.

 vogelsbokje2 jan 2009januari

bokje, 2 jan 2009

 Bokje

Vorige week maakte de Geniedijk zich voor mij weer eens waar als ecologische verbindingsroute. Wat was het geval: met het invallen van de vorst waren de ondiepe kuilen, die ontstaan waren bij het slopen van het Hoofdvaartcollege op het toekomstige Jansoniusterrein als eerste dichtgevroren. Voor de jeugd van het Oude Buurtje, waaronder mijn zoon, trok dit ijs als een magneet. Bij het verkennen van de sterkte van het ijs, struinden zij door de dichte bosjes van elzen en wilgen, die de afgelopen 2 jaar waren opgeschoten. Uit die bosjes vlogen enige tientallen vogels op, waarvan hun beschrijving klonk als een kruising tussen een watersnip en een oeverloper. Daar moest ik het fijne van weten. Met 10-15 kinderen, al of niet op de schaats, in mijn kielzog verkende ik zelf de bosjes en tot mijn niet geringe enthousiasme vlogen er een aantal bokjes op. Bokjes zijn de kleinste en zeldzaamste van de snipachtigen. Net als de houtsnip vertrouwen ze sterk op hun schutkleur en blijven rustig zitten tot iemand vlak bij is. Watersnippen zijn veel schuwer en gaan al op grote afstand

op de wieken. Hoewel het bokje lijkt op de watersnip, is hij veel kleiner en heeft een korte snavel, wat de kinderen haarfijn hadden waargenomen. Er lopen twee roomkleurige strepen langs de kruin die overgaan in twee strepen op de rug (zie foto). Het bokje is een schuwe vogel, die vooral ′s nachts en in de schemering actief is.

Bijzonder

Bokjes zijn solitaire vogels, waarvan je er zelden meer dan 2-5 bij elkaar ziet. Dat er 20-30 bij elkaar zaten op het Jansoniusterrein is naast hun zeldzaamheid dus dubbel bijzonder. Het bokje is meestal zwijgzaam, in tegenstelling tot de watersnip, die luid krassend wegvliegt. In de baltsvlucht maakt hij echter een geluid als van ‘een galopperend paard in de verte’. Snippen zijn geliefde jachtvogels. Niet zozeer omdat ze zo lekker zijn, maar omdat ze bij het (onverwachts) opvliegen snelle haakse bewegingen maken. Dat maakt ze moeilijk te raken en daarmee voor jagers blijkbaar extra interessant om neer te leggen.

Waar

Het bokje maakt zijn nest in de uitgestrekte hoogveengebieden in het noorden van Scandinavië en Rusland. De soort overwintert in West-Europa en in het Middellandse-Zeegebied in vochtige gebieden met voldoende beschutting. Het (huidige) Jansonius-terrein past perfect in dat profiel.

 vlindersLandkaartje26 jul 2009juli

Landkaartje, 26 jul 2009

 landkaartjeonderkant

De eerste associatie met insecten van veel mensen is ´eng´ tot ´steekt´ of ´jeukt´. Dat de meeste insecten eerder een oordeel verdienen als ´fascinerend´ of ´nuttig´ heb ik al vaker proberen te onderstrepen. U kunt dit zelf op het insectenpad in het Haarlememrmeerse Bos constateren. Gelukkig zijn er ook insectengroepen die aan dit oordeel ontsnappen en de vlinders is daar één van. Dat vlinders heel populair zijn blijkt uit de aandacht voor vlindertuinen, maar ook aan de grote aantallen mensen die aan vlindertellingen meedoen. Dit weekend (1 en 2 augustus) is er een grote landelijke tuinvlindertelling waar iedereen aan mee kan doen. Ik roep iedereen hierbij op om daaraan mee te doen en de vlinderpopulatie van onze polder ´op de kaart´ te zetten. Alle informatie vindt u op www.vlindermee.nl. Een van de vlinders die u daarbij kunt tegenkomen is het landkaartje. Het is een dagvlinder uit de familie van de vossen, parelmoervlinders en weerschijnvlinders. Het landkaartje dankt zijn naam aan het netwerk van lijnen op de onderkant van zijn vleugels (zie foto 1). De waardplant van de rupsen is de brandnetel. De eitjes worden in snoertjes aan de onderkant van de bladeren gelegd.

De rups van het landkaartje is zwart met roodbruine doorns. Ook de verpopping vindt op de waardplant plaats. De pop overwintert.

Bijzonder

Het landkaartje komt voor in twee totaal verschillende vormen. De eerste generatie in het voorjaar (eind april tot juni) is oranjerood (zie foto 2) met zwarte vlekken terwijl de zomergeneratie (eind juli tot oktober) zwart is met een witte band (zie foto3) . De zomervorm vliegt op dit moment. Het landkaartje is één van de dagvlindersoorten die de laatste decennia algemener zijn geworden.

Waar

Het landkaartje komt voor in gemengd bos, zoals stedelijke parken en tuinen als daar maar brandnetels staan. Er bestaan trekvlinders (die van Afrika komen), zwerfvlinders(die het hele land doortrekken) en standvlinders. Het landkaartje is van het laatste type en vliegt niet ver van waar hij uit de pop komt. Op de Heimanshof zit er al 2 weten een stel op een vaste plaats. Het is een vrij algemeen soort van heel Europa, die het ook in Nederland goed doet. De soort heeft zijn leefgebied weten uit te breiden van alleen het oosten en zuiden van Nederland (vroeger) tot het gehele land (nu).

 landkaartjevorm2

 kleine dierenZoetwatergarnaal2 aug 2009augustus

Zoetwatergarnaal, 2 aug 2009

 zoetwatergarnaal

Bij garnalen denkt iedereen bijna vanzelfsprekend aan zeewater. Het is echter maar weinig bekend dat er ook zoetwatergarnalen bestaan en zelfs een Europese zoetwatergarnalensoort. De vondst van een aantal van deze zoetwatergarnalen in een sloot in Burgerveen, bij één van onze Heimansvrijwilligers, was de reden om mij eens in deze soort te verdiepen. De zoetwatergarnaal kan maximaal 2,5 cm groot worden, maar is meestal tussen de 15 en 20 mm groot. Het garnaaltje wordt meestal niet ouder dan 13-16 maanden. De voorjaarsgeneratie is al geslachtsrijp na een maand of 3 bij 15-17 mm lengte. Deze tweede generatie uit augustus/september plant zich voort rond april/mei van het volgende jaar. Een vrouwtje draagt

tussen de 500 en 1000 eitjes met zich mee tot de larfjes uitkomen.

Bijzonder

Het vinden van zoetwatergarnalen in een waterlichaam is een teken dat het water van goede kwaliteit is, want deze soort is, net als soorten als kokerwormen, eendagsvliegen en waternimfen, erg gevoelig voor vervuiling. De zoetwatergarnaal leeft bij voorkeur tussen oevervegetatie en liefst, maar niet uitsluitend in stromend water.

Waar

De Europese zoetwatergarnaal komt oorspronkelijk uit het Middellandse zeegebied en Noord-Afrika. Sinds een jaar of honderd wordt hij ook in Nederland en België aan getroffen en sinds kort rukt hij ook op naar het Oosten zoals in Tsjechië. Behalve uit Burgerveen vond ik in onze regio waarnemingen uit de Ringvaart bij Badhoevedorp, de Fortgracht bij Fort Aasmeer en in andere vaarten en kanalen rond Amsterdam. De soort lijkt daarom vrij algemeen maar wordt eigenlijk weinig waargenomen omdat bij inventarisaties grote zoete wateren niet vaak bemonsterd worden en omdat hij net als zijn zeewaterverwanten doorzichtig is en daardoor weinig opvalt.

 insectenWormkruidzijdebij9 aug 2009augustus

Wormkruidzijdebij, 9 aug 2009

 wormkruidbijvrouw

Sinds kort bloeit het boerenwormkruid. Dat is een plant uit de composietenfamilie (waar ook margriet, madeliefje en paardenbloem bij horen), die zijn lintbloemen heeft afgeschaft en alleen zijn gele nectar- en stuifmeelbloemhoofdjes heeft overgehouden. Deze plant is de waardplant van een soort solitaire bij, die om die reden ook nu pas verschenen is op de insectenhotels in De Heimanshof. Hij is op dit moment zelfs bijna de enige bijensoort die druk nesten aan het bouwen is. Zijdebijen hebben in verhouding een korte tong en een niet echt goed ontwikkeld verzamelapparaat voor het vervoer van stuifmeel: gewoon vrij los in de haren aan de achterpoten(zie foto). De soort nestelt van nature in vrij harde leem- en zandwanden en maakt daarin nestgangen tot zo´n 5 cm diep. Deze zijn min of meer horizontaal en soms vertakt. Vaak liggen honderden of zelfs duizenden nestopeningen dicht bij elkaar. Ze hebben stevige kaken waarmee ze zelfs in zachte steensoorten een nestgang kunnen uitkauwen. Een nestblok met gaten van 6 mm is ook aantrekkelijk. De larven overwinteren als ´rustlarve´ in een cocon en verpopping vindt

plaats in het voorjaar.

Bijzonder

De wormkruidzijdebij volgt in de insectenhotels in De Heimanshof de metselbij (maart - juni), en de behangersbij (juni-juli) op, die respectievelijk hun larven beveiligen met propjes klei en met stukjes blad, waarmee het hele hol kunstige bekleed wordt. De zijdebij heeft weer een andere manier om zijn jongen te beschermen tegen rovers: zijn naam dankt zij aan de zijdeachtige weerschijn van hun nestruimte. Ze bekleden de nestgang met een zelf via een mondklier geproduceerde vloeistof. Deze bekleding lijkt op cellofaan, wat een zijdeglans geeft.

Waar

Wormkruidzijdebijen hebben een voorkeur voor zonnige, zandige of lemige steilwanden, b.v. in groeven, langs grindafgravingen of holle wegen. Het is de meest algemene soort van de 10 zijdebijen, die in Nederland en België voorkomen. De wormkruidzijde komt voor vooral voor op de hogere zandgronden in het Oosten en Zuiden van Nederland en is in het westen zeldzamer. En natuurlijk moet er boerenwormkruid in de buurt staan. In de Haarlemmermeer kennen we deze bij alleen uit De Heimanshof, maar we houden ons aanbevolen voor meldingen uit andere locaties.

 wormkruidbijman

 plantenGenadekruid16 aug 2009augustus

Genadekruid, 16 aug 2009

 genadekruid

Een jaar of drie geleden verscheen er spontaan een onbekend plantje aan de moerasoever van mijn tuin aan de Geniedijk. Het gedijde zo goed dat ik het ook in De Heimanshof introduceerde en nadat ik de naam uitvond ook in de tuin bij het bezinningscentrum De Stal op het Kaageiland. Zolang het maar met zijn voeten in het water stond, groeide het overal prima. We hebben het over genadekruid, een overblijvende plant uit de helmkruidfamilie. Het heeft prachtige witte bloemen die lang, van juni tot in augustus bloeien.

Bijzonder

Genadekruid is natuurlijk een zeer aansprekende naam. Het heeft in verdunde vorm veel medische en homeopathische (b.v Gratiola D3) toepassingen. Dodonaeus in zijn Cruydeboeck uit 1554 schreef het voor bij jicht, huid- en leveraandoeningen, tegen wormen en als laxeermiddel. De giftigheid uit echter dermate hoog dat het tegen wormen en als laxeermiddel niet meer gebruikt wordt. De verklaring voor de bijzondere naam van deze plant kan samenhangen met het feit dat al rond het jaar 800 bekend was dat genadekruid, (latijnse naam:Gratiola officinalis)

de geslachtsdrift bij nymfomane vrouwen temperde. Men vond, dat deze plant de vrouw zo´n dienst bewees, dat ze Genadekruid werd genoemd. In Duitsland noemt men de plant zelfs Gottes-Gnadekraut.

Waar

De plant komt voor op in de winter overstroomde, vrij voedselrijke grond langs rivieren en beken. De plant komt van nature voor in Midden- en Zuid-Europa en in Centraal-Azië. In Nederland heeft de plant ongeveer zijn noordelijkste grens van voorkomen. Genadekruid blijkt een bijzonder zeldzame plant, die op waarneming.nl maar een paar keer vermeld wordt, die in Wallonië uitgestorven is, in Vlaanderen bedreigd wordt met uitsterven en ook in Nederland alleen zeer zeldzaam in het rivierengebied voorkomt en zeer sterk is afgenomen. De reden hiervan is, dat we als samenleving nauwelijks meer ´s winters overstromende beken en rivieren tolereren. Genadekruid staat daarom overal op de rode lijst als een zeer sterk afgenomen en bedreigde soort. Ik ben nog op zoek naar de oorzaken, waarom deze blijkbaar zo gevoelige plant het langs de Geniedijk en vooral op het Kaageiland zo goed doet.

 genadekruidgroot