bovenfoto

Columns:

Sinds april 2006 is er elke week de natuurcolumn 'Ontdek de Flora en Fauna van de Haarlemmermeer' verschenen in de Hoofddorpse Courant.
Deze column heeft ten doel belangstelling voor de verrassende verscheidenheid van planten en dieren in onze leefomgeving te wekken.

 

Hieronder staat de column van deze week en daar onder kunnen alle tot dusver verschenen columns opgevraagd worden. U kunt deze selecteren en sorteren op categorie, onderwerp, het jaar en de tijd van het jaar. Combinaties zijn ook mogelijk. Ga naar de oudere columns

florafauna

fluweelpootje, 6 jan 2018

 fluweelpootjecombi

Dit is de tijd van de winterpaddenstoelen. In herfst en zomer schieten de paddenstoelen als rakketten uit de grond en zijn ook binnen een paar dagen weer weg. Die moeten dus heel snel hun sporen rijp laten worden. In de winter gaat alles veel langzamer. De winterpaddenstoelen zijn daarom ook maandenlang te bewonderen en de hebben lange tijd om zoveel mogelijk sporen te laten verwaaien. Vele winterpaddenstoelen zijn eetbaar. Dat geldt bv voor de Judasoor die je veel in Chinese gerechten vindt. Ze ontlenen hun naam aan hun oorvorm en de overlevering dat ze er groeien sinds Judas met z’n oor aan de scherpe punt van de afgebroken vliertak bleef hangen toen hij er uit schuldgevoel een einde aan wilde maken. Ze smaken zoals ze eruit zien: Een stevige bite van kraakbeen met een peperachtige nasmaak. Het fluweelpootje is ook een heel algemene winterpaddenstoel, die als delicatesse geldt in de horeca en zoetig smaakt. Vooral

de hoed. In Azië worden ze gekweekt zonder licht en zien ze er heel wit uit (inzet).

Bijzonder

Hoewel de hoed het lekkerst smaakt (ook rauw) bevat de wat taaiere steel eens immuunsysteem versterkende stof en het mycelium in het hout een werkzame stof tegen kanker. Fluweelpootjes smaken zoetig omdat ze een antivries aanmaken in de vorm van suiker. Dat komt ze goed van pas, want ze komen in de witter pas tevoorschijn na de eerst vorst en kunnen ook vorst goed verdragen. Pas recentelijk is ontdekt dat de makkelijk herkenbare soort toch complexer in elkaar zit. Op basis van sporenkenmerken zijn 3 soorten een variëteit onderscheiden.

De kweekversie van Fluweel pootje is door de NASA meegenomen in de ruimte om het effect van zwaartekracht te onderzoeken. In de ruimte werden de strak gerichte dichte bundels paddenstoelen een wirwar van steeltjes en hoedjes.

Waar

Fluweelpootjes zijn een onmiskenbare en algemene paddenstoel door z’n steel die met fluweel begroeid lijkt en in bundels voorkomt op dood en ziekloofhout van wilgen ,elzen, populieren e.d.(foto)





Meldingen van bijzondere dieren en planten kunt u doorgeven aan info@stichtingmeergroen.nl .

Persoonlijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkdagen tussen 9:00 en 12.30
en op woensdag tot 17:00 uur bij De Heimanshof, Wieger Bruinlaan 1-7 in Hoofddorp.


Oudere columns:

 

SELECTIEMENU; selecteer op:

categorie
en/of
titel zoekterm

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/of
maand
en/of
jaar
 
 

SORTEREN: klik op de kopjes in de titelbalk om de sortering te veranderen

 

Blz [ 11 ] Ga naar vorige<<… 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 …>> volgende

thumb

categorie: titel: datum: maand:

open/dicht

 plantenTripmadam1 jun 2013juni

Tripmadam, 1 jun 2013

 tripmadam

Achter de intrigerende naam tripmadam schuilt een vetplant uit het geslacht van de sedums of vetkruiden. Dit geslacht kent nog meer illustere leden, zoals de hemelsleutel, wit vetkruid, huislook en muurpeper. De naam tripmadam is een verbastering van de Franse naam Triquemadame. Deze naam en ook de Latijnse naam ‘reflexum’ refereren aan het feit dat het nog niet bloeiende plantje een kenmerkende knik in het topgedeelte heeft(hoofdfoto) . Zodra tripmadam bloeit met heldergele bloemen richt deze knikkende top zich op (inzet). Ik kwam dit plantje tegen op de sedum daken die in de ‘antroposofisch’ gebouwde wijk in Toolenburg veel voorkomen (bv Rosa Spiers straat).

Bijzonder

Tripmadam is een laag liggend vetplantje, waarvan de opgerichte bloeistengels

35-40 cm hoog kunnen worden. Het is in het wild uiterst zeldzaam in Nederland, omdat het een voorkeur heeft voor voedselarme kalkrijke stenige terreinen. En in ons modderige delta land zijn die dun gezaaid. Net als andere Sedums, zoals muurpeper, is Tripmadam eetbaar zolang het niet bloeit en dat is het grootste deel van het jaar, want het is een vorstbestendige altijd groene plant die het hele jaar doorgroeit. Bloeien doet het alleen tijdens de (hele) zomer. Het wordt in salades verwerkt en heeft net als muurpeper een peperachtige smaak.

Waar

De Duitse naam rotsmuurpeper geeft aan dat tripmadam houdt van stenige voedselarme groeiplakken (inzet foto). Bij rijkere grond kan deze soort niet concurreren tegen hoger opgaande grassen en kruiden. Ook op schrale zandgronden kan het een mooie grondbedekker zijn. Zoals reeds aangegeven wordt de soort toegepast op groene daken en in rotstuinen. Ook op De Heimanshof kan tripmadam het hele jaar door aangetroffen worden in muurvegetaties en op natuurmuren. Het verspreidingsgebied loopt van Zuid-Noorwegen en Ierland tot in Rusland en in Zuid-Europa tot het zuiden van Italië en Griekenland.

 vogelsOeverloper25 mei 2013mei

Oeverloper, 25 mei 2013

 oeverloper

Vorige week hebben we de kluut besproken. Dit is een van de grotere soorten steltlopers. Deze week liep ik een aantal keren tegen een oeverloper op. Dat is een van de kleinere soorten. De oeverloper heet niet voor niets zo. Hij fourageert langs de oevers van sloten , meren en plassen. Ik zag een aantal langs het kanaal achter het Groene Carré en voor het eerst een achter mijn huis langs de Geniedijk in Hoofddorp.

Veel onervaren vogelaars verbazen zich erover hoe een ervaren vogelaar op grote afstand zo trefzeker soorten kan herkennen. De oeverloper is een soort waarbij dat op grote afstand kan. Ten eerste maakt hij een zeer karakteristiek ‘tjiewiewie’ geluid en verder vliegt hij altijd op een zeer kenmerkende manier weg: namelijk laag over het water in bochtjes langs de oever met karakteristiek laaggehouden trillende vleugels. Er is geen

andere vogel die dit zo doet. Als je hem ergens foeragerend aantreft, doet hij dat ook heel karakteristiek, met een permanent nerveus wippend achterlijf.

Bijzonder

De oeverloper zoekt zijn voedsel aan de rand van kleine modderpoelen, waterplassen en meren waar hij kleine insecten uit de bodem haalt. Hij vangt soms kleine insecten uit de lucht. De oeverloper nestelt op de grond in de buurt van zoetwater. Als er een dreiging is, klimmen de jongen op de rug zodat ze in veiligheid gebracht kunnen worden doordat de moeder ze naar een andere plek vliegt.

Waar

De oeverloper zoekt zijn broedseizoen altijd langs beken, rivieren en meren, meestal met rotsachtige oevers. Op trek is hij op veel plekken aan te treffen. De oeverloper broedt vooral in Scandinavië en Oost-Europa en slechts bij hoge uitzondering in Nederland. Op weg naar het overwintergebied rond het Middellandse zee gebied trekken veel vogels door Nederland, een klein aantal vogels blijft in Nederland overwinteren. In de Haarlemmermeer is de soort regelmatig aan te treffen langs sloten en vaarten met ondiepe oevers zoals langs het Groene Carré Zuid.

 vogelsKluut19 mei 2013mei

Kluut, 19 mei 2013

 kluut

Steltlopers zijn vogels met relatief lange poten en lange snavels die als voorkeurs leefgebied (vochtige) weilanden, slikken en wadden hebben. Er zijn tientallen soorten steltlopers. Een aantal soorten zijn ook in onze polder regelmatig te zien, zoals de kievit en de scholekster. Onze Haarlemmermeerse klei is voor de meeste soorten echter meestal te hard om er hun voedsel te kunnen vinden. Toch trekken er veel soorten door met name in het voorjaar en nazomer. En in bepaalde speciale terreinen blijven ze nog wel eens hangen en broeden. Zo ligt er vlak bij de A4 op het Groene Carré Zuid een ondiepe plas, waar vogels met lange poten net kunnen waden. Op die plek zitten elk jaar groepen kluten, die op de eilandjes waar mogelijk ook broeden.

Bijzonder

De kluut is in een aantal opzichten een bijzondere verschijning. Zijn smetteloos zwart

met witte veren kleed is bijzonder fraai, en contrasteert mooi met bijna blauwe poten en zijn snavel heeft een bijzonder vorm (zie foto). Met deze omhoog gebogen snavel foerageren ze het liefst in water met een fijne sliblaag, waar ze met deze snavel op een kiertje open, doorheen maaien. Zodra er een garnaaltje of iets dergelijks naar binnen zwemt, klapt de kluut haar snavel direct dicht. De kluut jaagt zowel op zicht als op gevoel.

Waar

In Nederland is de kluut tijdens het broedseizoen voornamelijk langs de waddengebieden zoals het Lauwersmeer aanwezig. De soort overwintert langs de kust van de Middellandse Zee en de Atlantische kust van Frankrijk en Portugal en een deel in de Westerschelde. Buiten broedseizoen tref je ze ook aan bij ondiepe open waterplekken met modderige bodems in het binnenland. De kluut broedt in kolonies, meestal op zanderige vlaktes, moerassige weilanden, opspuitterreinen, etc., meestal bij water (ook brak en zout). De grootste kans om kluten te zien in de Haarlemmermeer is bij de ondiepe poelen van het Groene Carré (de ‘bulten’ in het akkerland tussen de A4 en het Haarlemmermeerse Bos langs de rondweg Hoofddorp).

 bomenIepenzaad12 mei 2013mei

Iepenzaad, 12 mei 2013

 iepenzaad

Deze week vraag ik niet uw aandacht voor een soort, maar voor een verschijnsel. Half tot eind mei zijn we allemaal in voorjaarstemming en dan dwarrelen er opeens kruiwagers vol aan ‘dode’ bladeren van de bomen. Veel mensen schrikken daarvan. Indien je goed kijkt en weet wat er speelt, hoeft dat niet. In vele gevallen is dit ‘bruine’ blad namelijk van de zaden van iepen (zie foto) . Alle soorten iepen (veldiep, Hollandse iep, gladde iep, bergiep, goudiep, etc) kennen dit verschijnsel. Iepen bloeien namelijk al in maart met vrij onopvallende rode bloemetjes. In de loop van april en mei lijkt de iep dan in blad te komen, maar dit zijn de groene vliesjes die om de zaden zitten. Deze vliesjes geven de zaden ‘vleugels’ zodat ze verder mee waaien met de wind. De iep heeft dus nog geen blad, maar zit wel vol met zaden. Zo omstreeks half mei rijpen de zaden af, worden

bruin en vallen af. In een goed jaar kunnen de zaden zo massaal geproduceerd worden dat de hele straat vol waait met grote hopen. Pas dan gaat de iep blad maken.

Bijzonder

Het kenmerk van alle iepenbladeren is, dat ze een scheve bladvoet hebben en een gezaagde rand die eindigt in een punt. Een scheve bladvoet betekent dat links en rechts van het steeltje het blad niet op dezelfde plek begint. En verder hebben alle iepen een karakteristieke ‘visgraat’ manier om zowel hun bladeren en hun jonge takken te plaatsen. D.w.z. zowel de takken als de bladeren staan in hetzelfde vlak strak in een regelmatig patroon.

Waar

Vroeger groeiden iepen in dichte bossen in Europa op vruchtbare grond. Die bossen zijn er niet meer omdat die grond ingenomen is door landbouw. De iep is een majestueuze boom met hele gunstige eigenschappen voor een stedelijk omgeving. Zijn takken breken niet bij storm (autolak!), zijn wortels zijn oppervlakkig en wrikken geen rioolpijpen open. Daarom vinden we heel veel iepen in steden. Jammer dat sinds 1919 tot 3x toe een iepenziekte plaag 90 % van de iepen heeft uitgeroeid.

 plantenKievitsbloem5 mei 2013mei

Kievitsbloem, 5 mei 2013

 kievitsbloem

De kievitsbloem is een in het wild in Nederland zeer zeldzaam voorkomend bolgewas. De bloem komt voor met paars geblokte of witte bloemblaadjes. De planten doen er 4-8 jaar over om in bloei te komen. De zaden zijn relatief groot en verspreiden zich drijvend op het water. De plant heet voor z′n verspreiding van de zaden volledig afhankelijk te zijn van overstromingen en een hoge waterstand in de winter. Echter in en om De Heimanshof verschijnen kievitsbloemen vaak spontaan op allerlei plekken in bos en bosranden. Misschien slepen mieren ook met zaad. De kievitsbloem kwam veel voor in voedselarme blauwgraslanden in het Groene Hart en werd daar ook wel veentulp genoemd. De naam kievitsbloem komt van de overeenkomst van de paarse bloem variant met de kleur van kievitseieren. Men kwam de kievitsbloemen in het weiland

tegen als men naar kievitseieren zocht.

Bijzonder

De kievitsbloem werd als bloemgewas al vroeg gewaardeerd. Rond 1820- 1830 werden er zoveel ‘veentulpen’ geplukt dat mensen zich gingen realiseren dat deze gewaardeerde wilde plant wel eens zou kunnen uitsterven. De allereerste natuurwet die in Nederland werd uitgevaardigd ging dan ook over de bescherming van de kievitsbloem. Nog steeds is deze plant bedreigd. Nu niet meer zozeer vanwege overmatige pluk, maar vanwege overmatige mest toediening. De kievitsbloem richt i.t.t. de meeste bloemen zijn bloem hoofdje niet naar de zon, maar hangt als een klokje naar beneden, Voor zijn bestuiving is deze soort vooral afhankelijk van grote hommelsoorten zoals de aardhommel (Zie foto).

Waar

De belangrijkste groeiplaats van de wilde kievitsbloem is langs de oevers van de Vecht en het Zwarte Water in Zwolle. Van oudsher kwam de kievitsbloem voor in gebieden met klei-op-veen en dan vooral de gebieden die ′s winters onder water stonden. De plant kan slecht tegen aanpassingen aan het grondwaterpeil en is op de meeste plaatsen al voor de Tweede Wereldoorlog uitgestorven. In De Heimanshof staat een bloeiende populatie.

 kleine dierenRegenworm (4)28 apr 2013april

Regenworm (4), 28 apr 2013

 regenworm4

Regenwormen danken hun naam aan het feit dat ze vooral te zien zijn als het regent en alleen dan over het bodemoppervlak kruipen. Ze kunnen een regenbui waarnemen door de trillingen in de bodem, die veroorzaakt worden door de vallende regendruppels.

Een ander bekend misverstand over regenwormen is, dat ze proberen te ontsnappen aan de regen omdat ze kunnen verdrinken als hun holletje volloopt. De regenworm leeft vaak in waterige omstandigheden zoals onder de grondwaterspiegel. Ze nemen zuurstof op door hun dunne huid, wat ook onder water werkt. Aangezien regenwater rijk is aan zuurstof, hebben regenwormen niet veel te vrezen van een bui. Als echter zuurstofarm grondwater omhoog komt, kan een regenworm verdrinken en zal naar de oppervlakte kruipen.

Ze komen wel bovengronds tijdens een bui omdat ze regen verwarren met de trillingen van een vijand, zoals een gravende mol of om te paren. Deze trillingen kunnen worden nagebootst door een stok in de grond

te steken en deze te laten trillen. De regenwormen zullen dan massaal naar boven kruipen, ongeacht de weersomstandigheden.

Waar

Regenwormen komen voor in Noord-Amerika , Eurazië en het Midden-Oosten. Wereldwijd zijn er ongeveer 670 soorten regenwormen bekend die in lengte variëren van enkele centimeters tot decimeters.

In Nederland komen 22 soorten voor. Regenwormen leven niet allemaal ondergronds, veel soorten zijn diepgravers die lange verticale gangen maken zoals de veel voorkomende dauwpier of gewone regenworm die 9 tot 30 cm lang wordt en de rode worm die tot 15 cm lang wordt.

Er zijn er ook die in de strooisellaag leven zoals de mestpier die 6 tot 13 cm lang wordt en door zijn rode kleur en soms oranje dwarsbanden wel tijgerworm wordt genoemd. Ook veel voorkomend is een grijsblauwe soort die geen Nederlandse naam heeft. De mest- of tijgerworm en de blauwe regenworm staan op de foto.

 regenworm4a

 kleine dierenRegenworm (3)22 apr 2013april

Regenworm (3), 22 apr 2013

 regenworm3

De regenworm heeft een verdikking aan de voorzijde van het lichaam, die vaak lichter van kleur is ten opzichte van de rest van het lijf. Deze band wordt het zadel genoemd. Vaak wordt gedacht dat het verdikte zadel de geslachtsorganen of eieren bevat maar dit is niet juist.

Het zadel is een groep van slijmproducerende cellen. Het slijm dat wordt afgescheiden dient als ′reageerbuis′ waarin de eitjes en het sperma samenkomen en droogt later in tot een cocon dat de eieren beschermd tegen uitdroging.

Onder vochtige omstandigheden kruipen de dieren naar boven en komen uit hun gang op zoek naar een partner. Omdat ze gevoelig zijn voor uitdroging, gebeurt dit meestal in de schemering of na een regenbui.

Regenwormen bevruchten elkaar niet tijdens de paring maar wisselen

alleen zaadcellen uit. Als eieren voldoende zijn ontwikkeld, vindt de uiteindelijk de bevruchting plaats. Hierbij wordt een slijmlaag rond het zadel gevormd, dat als een gordel om de worm zit. In het slijm zitten voedingsstoffen voor de zich ontwikkelende embryo′s. Zodra de slijmband is gevormd, ‘wurmt’ de worm deze band naar voren tot over de vrouwelijke geslachtopening. Daar worden de eieren afgezet in het slijm. Nadat de slijmkoker van (nog onbevruchte) eieren is voorzien wordt deze verder afgestroopt tot de blaasjes waar het sperma bewaard wordt. Met het bewaarde sperma uit zakjes worden de eieren bevrucht. Dan stroopt de worm de slijmkoker volledig van het lichaam en verdroogt deze tot een harde cocon ter grootte van een erwt met een kenmerkende citroenvorm (Zie foto).

Hoewel de cocon meerdere levensvatbare eieren bevat, kruipt uit de meeste cocons maar één jonge worm. De gewone regenworm kruipt na 1-5 maanden uit de cocon, afhankelijk van de omstandigheden. 0.5-1.5 jaar later is de worm geslachtsrijp. De levensduur van de gewone regenworm in het wild is enkele jaren, maar weinig exemplaren leven lang genoeg om de maximale lengte van 30 centimeter te bereiken. Ze kunnen 6 jaar oud worden.

 kleine dierenRegenworm (2)15 apr 2013april

Regenworm (2), 15 apr 2013

 regenworm2

Bijna alle lichaamssegmenten van regenwormen hebben kleine borstels, die grip geven bij graven.
Regenwormen worden op basis van hun levenswijze ingedeeld in 3 groepen.

Soorten die leven in de strooisellaag blijven klein en graven geen gangen. Deze soorten verkleinen bladafval.

Andere soorten leven in de toplaag van de bodem en graven horizontale tunnels. Deze wormen breken bladafval af en zorgen voor beluchting.

De 3e groep graaft diepe, verticale tunnels. Deze soorten hebben kleuren en worden het grootst. Door hun tunnels wordt de bodem beter belucht en kan water worden afgevoerd. Bij het graven van gangen wordt veel materiaal opgenomen, maar grond bevat maar een deel van het benodigde voedsel. Een ander deel bestaat uit plantendelen die in het hol worden getrokken en vervolgens worden voorverteerd in de mond en door bacteriën.

Regenwormen staan aan de basis van vele voedselketens en dienen als voedsel voor veel vogels, zoogdieren, insecten, naaktslakken en platwormen . Vooral (spits)muizen en mollen eten veel regenwormen.

Bijzonder

Regenwormen kunnen niet overleven in te zure grond, zoals veen. Hierdoor worden plantenresten niet op grote schaal omgezet in mineralen, en kan turf ontstaan.

De gewone regenworm kan een totale lichaamslengte van 30 cm bereiken. De reuzenregenworm uit Australië wel 3 m. De regenworm speelt een zeer belangrijke rol in het verbeteren van de bodemstructuur. Hij graaft lange tunnels waardoor de bodem wordt belucht. Dit heeft als gevolg dat bacteriën dieper in de bodem kunnen leven, die de afbraak van organische stoffen verder versnellen. Door de tunnels van regenwormen kunnen plantenwortels makkelijker en dieper de bodem in. Daarnaast wordt de waterhuishouding van de grond beter, omdat water door de tunnels beter in en uit de bodem en vastgehouden kan worden, al naar de omstandigheden. Ook de omzetting van bladafval in mineralen is belangrijk voor de bodem en plantengroei. Door wormen is (onbetreden) bosgrond los en luchtig.

 kleine dierenRegenwormen (1)7 apr 2013april

Regenwormen (1), 7 apr 2013

 regenworm1

Iedereen kent regenwormen. Maar ze zijn zo interessant en er bestaan zoveel misconcepties over, dat er 4 columns nodig zijn voor een redelijke behandeling.

Regenwormen behoren tot de ringwormen. Dit is zijn wormen die de zee verlaten hebben en in zoetwater maar ook op het land kunnen leven. Regenwormen zijn meestal in grote aantallen te vinden. Het lichaam van regenwormen is net als bij alle ringwormen opgebouwd uit segmenten of ringen. De segmenten zijn binnen in het lichaam gescheiden door een wand. Door deze segmentwanden heen lopen de spijsverteringskolom, de aderen, de zenuwstreng en bepaalde klieren. Deze klieren werken als nieren, waarmee stoffen als urinezuur, zouten en ammoniak worden afgevoerd en water wordt teruggewonnen uit afvalstoffen.

Het lichaam van de regenworm kan bestaan uit 100-150

segmenten. Verharde structuren zoals tanden of kaken ontbreken. Een regenworm heeft geen ogen of oren maar kan wel trillingen en geschikte voedingsbronnen waarnemen. De lichaamsholten zijn met een vloeistof gevuld en staan onder druk, wat de worm stevigheid geeft.

Net als andere ongewervelde dieren hebben ze geen hersenen maar een aantal knooppunten waar de zenuwen samenkomen, bv in de mondflap. De mondflap is een belangrijk lichaamsdeel omdat het dient als een tastzintuig bij het zoeken naar voedsel. Deze ‘bovenlip’ dient ook als grijporgaan. Regenwormen hebben geen ogen, maar zijn wel gevoelig voor licht. De regenworm heeft geen speciale ademhalingsorganen, maar wel een gesloten bloedvatensysteem, waarmee door de huid zuurstof opgenomen wordt en uit de darm opgenomen voedingsstoffen worden getransporteerd.

De gewone regenworm heeft vijf paar harten en dus tien harten in totaal. Om het lichaam van zuurstof te voorzien, hebben regenwormen net als gewervelde dieren rood bloed, maar geen rode bloedcellen. Omdat regenwormen soms in zuurstofarme omstandigheden belanden, zoals bij langdurige overstromingen van het land, kan hun bloed veel zuurstof opnemen.

 vogelsRoodborstlijster31 mrt 2013maart

Roodborstlijster, 31 mrt 2013

 roodborstlijster

De roodborstlijster is een prachtig gekleurde lijsterachtige die in Amerika algemeen is. Het is een trekvogel die net als de Kramsvogel en de Koperwiek een krachtige vlucht heeft. Het wordt ook onder de Europese vogels gerekend als een zeer zeldzame dwaalgast (in 10 jaar 3 meldingen in Nederland). Recentelijk was er opwinding in vogelaarsland toen er in Hoofddorp bij het station een en mogelijk 2 exemplaren werden waargenomen. De roodborstlijster is een uitermate fraai gekleurde vogel(foto). Beide geslachten zijn vrijwel gelijk, alleen zijn de vrouwtjes wat doffer van kleur. De mannen hebben een nagenoeg zwarte kop met een zwart-wit gestreepte keel. Om het oog zit een opvallende, onderbroken witte ring. Aan de oranjerode borstkleur hebben de vogels hun naam te danken. Die kleur doet denken

aan de borstkleur van het bekende Europese roodborstje. Om die reden wordt deze vogel in Amerika Robin (Roodborstje) genoemd.

Bijzonder

De roodborstlijster zou je de Amerikaanse merel kunnen noemen, want de gedragingen van deze vogelsoort komen op heel wat punten overeen met onze merel. Zo heeft hij zich, net als de merel in Europa, van schuwe bosvogel ontwikkeld tot een cultuurvolger. De vogel heeft een groot deel van zijn aangeboren schuwheid afgelegd, leeft graag in de buurt van mensen en is tot in de grote steden te vinden in tuinen, parken en op sportterreinen etc. Als er maar bosjes, gecombineerd met grasvelden of gazons zijn, dan is hij er te vinden. Hij nestelt, evenals zijn neef de merel, op de meest uiteenlopende plaatsen.

Waar

De roodborstlijster is een echte trekvogel. Met name uit Alaska en uit Canada komen vogels die ieder jaar grote trektochten ondernemen tot in Mexico. De roodborstlijsters uit het midden en zuiden van de V.S. zijn standvogels. Soms raken de vogels tijdens stormen uit de koers boven de Atlantische oceaan. Tijdens zo’n tocht wordt er onderweg soms meegelift op zeeschepen en bereiken ze soms de kusten van Europa.

 insectenTepelgalvlieg23 mrt 2013maart

Tepelgalvlieg, 23 mrt 2013

 tepelgalvlieg1

In deze column hebben we al eens een aantal soorten wespen behandeld, die voor hun larven en hun nageslacht een comfortabele plek hebben weten te creëren door planten aan te zetten tot de vorming van gallen. Gallen, die aan de buiten kant een harde beschermlaag vormen en aan de binnenkant een eetbare substantie. Geen wonder dat er alleen al in Nederland ruim 2000 galvormende insecten zijn ontstaan, waaronder ook muggen,vliegen en motten. Op bladeren en stengels worden de meeste gallen gevonden, maar ook op eikels, knoppen en bloemen en wortels van alle denkbare soorten zijn er gallen te ontdekken. Maar de soort die we vandaag behandelen, heeft wel een hele curieuze manier ontwikkeld: De tepelgalvlieg legt zijn eieren onder een meerjarige verhoutende paddenstoel: De platte tonderzwam. Dat hij onder de brede hoed van de tonderzwam groeit, is natuurlijk handig tegen de regen. De platte tonderzwamtepelgalvlieg is 4-5 mm lang en behoort tot de familie van breedvoetvliegen (foto onder) . Er bestaan 250 soorten breedvoetvliegen wereldwijd. In Europa

is dit de enige breedvoetvlieg die gallen op paddenstoelen vormt.

Bijzonder

Omdat de platte tonderzwam meerjarig is, blijven de gallen lang onder de zwam zitten. De zwam vormt tijdens en na de galvorming nieuw sporenvormend weefsel om de gal heen (zie foto boven). Uiteindelijk verdwijnen de gallen in dit weefsel, waarop in volgende jaren weer nieuwe gallen kunnen worden gevormd. Er zijn in en op zo’n tonderzwam wel eens 600 gallen geteld. Verschillende graafwespen, solitaire bijen en sluipwespen nestelen graag in oude, verlaten gallen. Galbewoners hebben zoals vele andere organismen ook hun vijanden. Niet alleen vogels weten de larven in de gallen te vinden, ook bepaalde parasieten kraken het huisje van de galverwekker. Zo zijn sluipwespen geduchte vijanden van galbewoners.

Waar

De tonderzwamtepelgalvlieg komt voor in het noorden van Azië en in Europa en natuurlijk alleen waar tonderzwammen groeien.

 tepelgalvlieg2

 kleine dierenWaterspitsmuis (3)17 mrt 2013maart

Waterspitsmuis (3), 17 mrt 2013

 waterspitsmuis3

In de perioden dat de waterspitsmuis actief is, is hij op zoek naar voedsel, waarbij hij continu in beweging is. Deze actieve periodes duren enkele minuten tot 2 uur en worden onderbroken door rustperiodes. Ze rusten nooit langer dan een uur. De rustperioden worden doorgebracht in ondergrondse holen. Er bestaan 2 groepen spitsmuizen op basis van hun tanden. De helft van de soorten heeft witte tanden. De andere helft, waaronder de waterspitsmuis heeft tanden met rode punten, die hun schedels (vaak in braakballen) een bloeddorstig uiterlijk geven. Op de foto staan drie spitsmuissoorten met rode tandpunten. De tanden zijn spits om levende prooien te kunnen vastpakken en verscheuren.

Waar

De waterspitsmuis komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij

snel stromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Dat is vaak bij beken, rivieren, sloten, plassen en daar waar schoon grondwater opwelt. Ook wordt hij aangetroffen langs de binnenduinrand, natuurlijke duinmeren en kunstmatige infiltratiegebieden. Bovendien moet er in de oevers voldoende schuilmogelijkheid zijn waar de waterspitsmuis zich kan terugtrekken om zijn prooien op te eten. Het verspreidingsgebied van de waterspitsmuis ligt in een groot deel van Europa. Van de Middellandse zee tot in het noorden van Scandinavië. In Nederland heeft de waterspitsmuis een zeer versnipperde verspreiding, maar hij komt het meest voor in de waterrijke provincies Friesland en Overijssel. In Oost- en Zuid-Nederland komt zijn verspreiding overeen met beek- en rivierdalen van de zand- en lössgronden, in laag Nederland betreft het vooral kwelgebieden. Ook in De Heimanshof is de waterspitsmuis in het verleden aangetroffen. De populatie in Poelbroek vlak buiten de Haarlemmermeer bij Vijfhuizen geeft hoop dat deze soort ook in de vochtige veenpolder rond de Eendenkooi Stokman kan voorkomen en langs de steeds frequenter aangelegde ecologische oevers in onze polder.