bovenfoto

Columns:

Sinds april 2006 is er elke week de natuurcolumn 'Ontdek de Flora en Fauna van de Haarlemmermeer' verschenen in de Hoofddorpse Courant.
Deze column heeft ten doel belangstelling voor de verrassende verscheidenheid van planten en dieren in onze leefomgeving te wekken.

 

Hieronder staat de column van deze week en daar onder kunnen alle tot dusver verschenen columns opgevraagd worden. U kunt deze selecteren en sorteren op categorie, onderwerp, het jaar en de tijd van het jaar. Combinaties zijn ook mogelijk. Ga naar de oudere columns

florafauna

Buxusproblemen?, 20 jul 2018

 buxusproblemen

Dit jaar heb ik bij het lopen voor collectes wel 1000 huizen, dus ook voortuinen bezocht. In wel 400 van die tuinen stonden buxusstruikjes. Hetzij solitair of in al-of-niet tuin dominerende heggen. En van die 400 buxuscreaties waren er nog ongeveer 5 intact groen. Bij navraag bleek dat meestal te gaan om mensen die de bui van de buxusmot hadden zien aankomen en met (veel) gif gestrooid hadden. De buxusmot invasie die nu zo’n 2 jaar aan de gang is heeft dus aardig om zich heen gegrepen. Ik durf mijn steekproef nauwelijks om te rekenen naar de impact in de hele Haarlemmermeer, laat staan heel Nederland.

Bijzonder

In De Heimanshof hebben we ook buxusstruiken, vooral als heggetjes in de klooster-/kruidentuin. Ook daar kwam vorig jaar de buxusmot in en ik had me als beheerder al verzoend met de gedachte dat het ook bij ons afgelopen zou zijn dit jaar. Maar

wie schetst mijn verbazing dat week na week verstreek en dat ondanks het ideale (warme en droge) buxusmotweer de heggetjes geen schade kregen en de aangetaste stukken zich zelfs herstelden. (foto). Dat vraagt natuurlijk om een verklaring. Het enige wat ik kan bedenken is dat in het normale stedelijke milieu de biodiversiteit redelijk tot zeer beperkt is, zeker waar de meeste tuinen bestraat zijn (ook niet erg goed voor het opvangen van de te verwachten hoosbuien en hittestress van de klimaatverandering die er in hoog tempo aan zit te komen). Maar in De Heimanshof hebben we een maximale biodiversiteit, zowel veel vogels (in aantal en soorten) en enorm veel insecten: zowel insecten die planten eten, maar ook heel veel soorten die andere insecten lusten. Daarom denk ik dat in een milieu met veel biodiversiteit zoals in De Heimanshof het probleem zich zelf oplost of niet de vorm van de catastrofe aanneemt zoals in de rest van het stedelijk gebied.

Waar

?

Graag hoor ik van andere plekken waar het buxus probleem niet optreedt. Wie weet komt daar een structurele oplossing uit. Maar meer gevarieerd ecologisch groen overal, lijkt me sowieso een aanrader.





Meldingen van bijzondere dieren en planten kunt u doorgeven aan info@stichtingmeergroen.nl .

Persoonlijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkdagen tussen 9:00 en 12.30
en op woensdag tot 17:00 uur bij De Heimanshof, Wieger Bruinlaan 1-7 in Hoofddorp.


Oudere columns:

 

SELECTIEMENU; selecteer op:

categorie
en/of
titel zoekterm

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/of
maand
en/of
jaar
 
 

SORTEREN: klik op de kopjes in de titelbalk om de sortering te veranderen

 

Blz [ 3 ] Ga naar vorige1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 …>> volgende

thumb

categorie: titel: datum: maand:

open/dicht

 vogelsHeggenmus20 feb 2011februari

Heggenmus, 20 feb 2011

 heggenmus

In februari is het nog volop winter. Toch zijn er al veel signalen dat het voorjaar aan kracht wint. Vooral in het bosplantsoen ontstaat een hoopvolle groene gloed van jonge planten. Dit zijn vooral de bolgewassen die vanuit de opgeslagen energie in de bol omhoogschieten. Een tiental soorten daarvan bloeien zelfs al. Op een mooie winterdag kriebelt het ook bij de vogels. Eén van de vogels die elk jaar bij de eersten hoort, die gaat zingen, is de heggenmus. De eerste hoorde ik dit jaar op 8 februari. Dat was vroeger dan vorig jaar. Ondanks zijn vroege zang broedt hij pas half april, hij wil alvast zijn territorium zeker stellen. De heggenmus is een bescheiden vogeltje dat tussen de struiken en heggen scharrelt. Hij is ongeveer zo groot als een roodborst. Het is een egaal gekleurd vrij donker vogeltje met een grijze kop en roodbruine poten. Hij lijkt op een vrouwtje huismus,

maar de grijze kop en zijn dunne snaveltje maken een duidelijk verschil. Wat ook duidelijk verschillend is, is de zang. De zang van de heggenmus lijkt niet op het getjilp van mussen. Het is echt een liedje, maar wel één waar weinig melodie in zit.

Bijzonder

Heggenmussen zoeken hun voedsel op de grond, maar altijd in de buurt van dekking. Het is een echte insecteneter maar in de winter eten ze noodgedwongen ook wel brood van de voedertafel. De heggenmus nestelt in dicht struikgewas of onderin een conifeer. Het vrouwtje legt dan 4 a 5 blauwe eieren. Buiten het broedseizoen leeft hij alleen. De soort is zeer algemeen met een geschat aantal broedparen in Nederland van rond de 200.000.

Waar

De heggenmus heeft een voorkeur voor naaldbossen en gemengde bossen met veel ondergroei. Daarom is hij ook veel te vinden in parken en tuinen. De heggenmus is in Nederland een standvogel. Alleen als de bevolkingsdichtheid te groot is trekt hij naar aangrenzende gebieden. In noord en oost Europa is het een trekvogel, daar wordt het voor een insecteneter te koud in de winter.

 vogelsWilde Zwaan13 feb 2011februari

Wilde Zwaan, 13 feb 2011

 wide zwaangroot

Naar aanleiding van de column over de kleine wilde zwaan, kwamen er meer meldingen over zwanen. Zwarte zwanen zwommen in de Hoofdvaart bij Abbenes, in de Toolenburgse plas en bij Schiphol-Rijk en in de sneeuw bij de Boseilanden was een hele familiegroep wilde zwanen, bestaande uit een tiental volwassen en jonge exemplaren neergestreken (zie foto).En ook vloog er één zoekend over de Heimanshof. De kleine zwaan en de wilde zwaan hebben beide geel op de snavel. Bij de wilde zwaan is het geel veel prominenter en de soort is bijna zo goot als een knobbelzwaan. De wilde zwaan eet vrijwel uitsluitend waterplanten. In de winter eet hij ook knollen, gevallen en ontkiemend graan en ander plantaardig materiaal.

Bijzonder

Van de zwanen die in het wild voorkomen is dit de minst algemene soort in Nederland. 1500 exemplaren in een winter is al vrij veel. Een stuk minder talrijk dan de kleine zwaan dus. Ook de wilde zwaan is een echte wintergast die afwezig is van mei tot en met september.

In het Frans heet de wilde zwaan zingende zwaan om de luide trompetachtige geluiden die hij vooral tijdens de vlucht maakt. Naast het trompetgeluid kan de wilde zwaan ook vliegend van de knobbelzwaan worden onderscheiden. Zijn vleugelslag maakt itt die van de knobbelzwaan geen fluitend geluid en zijn nek blijft helemaal recht i.p.v. de sierlijke bocht waarin de knobbelzwaan hem houdt.

Waar

Wilde zwanen broeden langs poelen op toendra´s, in veenmoerassen en bij kleine meren in afgelegen gebieden in Scandinavië en het noorden van Rusland en Siberië. In het najaar trekken wilde zwanen naar het zuiden om te overwinteren op de weiden en in plassen. De broedgebieden van de wilde zwaan liggen dichterbij dan die van de kleine zwaan. In zuid Zweden broeden ze al. Maar de meeste broeden in Noord Rusland, Siberië en IJsland. Het lijkt erop dat de Wilde zwanen die op IJsland broeden niet in Nederland overwinteren. De vogels die in Nederland overwinteren komen dus van Scandinavië en Rusland.

 wildezwaanboseilanden

 vogelsKleine Zwaan2 jan 2011januari

Kleine Zwaan, 2 jan 2011

 kleinezwaan

Een oplettende lezeres attendeerde mij op een aantal Kleine Zwanen, die langs de N205 zaten. Al jaren speur ik naar deze soort en zijn familielid de Grote Wilde Zwaan. Er zijn er namelijk elke winter vele duizenden van in Nederland, maar ook op waarneming.nl bleef onze polder een witte vlek. Nu hebben er een paar de weg gevonden en mogelijk worden het er meer. In hun broedgebied eten de kleine zwanen hoofdzakelijk wortels, bladeren en stengels van waterplanten. De jongen eten ook insecten en insectenlarven. In herfst en winter eten de kleine zwanen het liefst wortelknolletjes van fonteinkruid. Helaas is vanaf de jaren vijftig deze soort sterk afgenomen door vervuiling en knobbelzwanen. Hierdoor zijn de wilde zwanen overgestapt op ander voedsel zoals gras en overgebleven oogstresten van o.a. bieten en aardappels. En die vinden

ze ook elders, zoals in onze polder.

Bijzonder

De jongen worden door beide ouders verzorgd en kunnen na 9-10 weken vliegen. Dat is nodig, omdat de winter in Siberië al rond half september begint en dan moeten ze sterk genoeg zijn voor een vliegtocht van 4.000 kilometer. De jongen blijven het 1e jaar bij hun ouders. Pas als de ouders weer in Siberië terug zijn valt het familieverband uit elkaar. De ouders gaan naar hun broedterritorium terwijl de jaarlingen in grote groepen (hangjongeren of ´hangzwanen´) samenscholen in de mondingen van rivieren en beschutte poelen. Veel van deze jaarlingen sluiten zich op de herfsttrek weer bij hun ouders aan. Op hun 3e of 4e jaar gaan ze zelf een partner zoeken. Kleine zwanen behoren tot de meest partnertrouwe vogels ter wereld. De band is altijd voor het leven en uit ringonderzoek is gebleken dat echtscheidingen eigenlijk nooit voorkomen. Het langst bekende huwelijk was 19 jaar.

Waar

Kleine zwanen broeden in het toendragebied van Noord-Rusland en Siberië. De populatie van 20-25000 vogels ten westen van de Oeral overwintert in Noordwest-Europa. Het grootste deel daarvan overwintert in Nederland

 vogelsGoudplevier19 dec 2010december

Goudplevier, 19 dec 2010

 goudplevierwinterkleed

Iedereen kent de kievit. Het is een steltloper, die gespecialiseerd is in jagen op het oog. Daarom leeft deze soort op kale akkerlanden en korte graslanden. Andere steltlopers zoals de grutto en de wulp jagen op het gevoel. Met hun lange gevoelige snavels prikken ze in de (zachte) grond. De kievit maakt deel uit van een veel grotere groep oogjagers: de plevieren. In de Nederlandse vogelgidsen staan wel 13 soorten plevieren. Eén van deze soorten, de goudplevier, is een regelmatige bezoeker van onze polder gedurende de trek. Je treft hem aan tussen de grote groepen kieviten die langs de A4 op de kale velden voedsel zoeken, gedurende de hele winter. Tenminste zolang het niet te hard vriest, want dan verhuist iedereen voor de vorstgrens uit, naar het zuiden. De goudplevier is in zijn zomerkleed een prachtige verschijning. Zie foto. In zijn winterkleed is hij heel wat minder deftig (zie inzet). In de herfst zijn er echter nog heel wat exemplaren die geheel of gedeeltelijk in ´prachtkleed´ zijn.

Bijzonder

Het verlies van biotoop

is de oorzaak dat de goudplevier in Nederland geen broedvogel meer is. Het laatste broedgeval werd in 1974 vastgesteld bij Budel en dat was de eerste keer na het voorlaatste broedgeval bij Fochteloo in 1937. Wellicht dat het Plan Goudplevier van Natuurmonumenten in Drenthe weer mogelijkheden biedt. Als trekvogel gaat het niet slecht met de goudplevier. Tussen 1980 en 2006 namen de aantallen toe, steeds met een maximum van enige honderduizenden in de maand november over heel Nederland. De goudplevier was het onderwerp van discussie tussen de directeuren van de Guinness Brouwerijen aan het begin van de jaren vijftig. Eén van de heren dacht dat deze vogel de snelste ter wereld was. Uiteindelijk is uit deze discussie het Guinness Book of Records ontstaan.

Waar

In Nederland zijn goudplevieren het meest in het voorjaar (maart-april) en in het najaar (september-december) te zien. Ze broeden ´s zomers in Scandinavië en Rusland.

 goudplevierzomerkleed

 vogelsKauw24 nov 2010november

Kauw, 24 nov 2010

 kauw

Tegen de schemer in deze winterdagen kun je grote groepen kauwtjes tegenkomen. Zij verzamelen zich in deze periode voor de slaaptrek. Slaaptrek is een verschijnsel dat zich bij allerlei vogels voordoet, zoals bij spreeuwen, meeuwen en kraaiachtigen. Dit zijn sociale vogels die overdag alleen of in paren voedsel zoeken en ´s avonds veiligheid bij elkaar zoeken in grote aantallen op vaak vaste plaatsen. Bij kauwtjes en spreeuwen gaat dit vaak gepaard met spectaculaire en speelse sociale uitingen. Bij stormachtig weer worden vooral kauwtjes geïnspireerd tot spectaculaire toeren. Interessant is om te zien dat de band tussen stelletjes zo sterk is dat ze ook in de acrobatische acties prachtig in paren bij elkaar blijven vliegen.

Bijzonder

De kauw is de kleinste soort kraai. Het is een slimme alleseter, die

zowel in cultuur- als natuurgebieden voorkomt. Kauwen sluiten een band voor het leven en zijn onafscheidelijk. De kauw is een holenbroeder, die zich thuis voelt in boomholtes , schoorstenen en gebouwen. Zo komt hij aan de volksnaam torenkraai. Vroeger, toen een papagaai te duur was om aan te schaffen als huisdier, werd een kauwtje vaak als vervanger uit het nest gehaald. Als huisdier wordt een kauw snel tam (en brutaal) maar kwijnt weg in een kooi. Tegenwoordig mag een kauw daarom niet meer als huisdier gehouden worden. Voor een kauw is het eerste levensjaar het moeilijkst om door te komen. Als dat lukt kunnen ze wel 30-50 jaar oud worden.

Waar

De kauw komt in heel Europa en Noord-Afrika voor tot aan de Oeral. In Nederland is het met rond 200.000 paar een algemene vogel, die nog steeds in aantal toeneemt. In de winter komt er een veelvoud uit noordelijke streken bij ons overwinteren. Die aantallen nemen licht af. In de Haarlemmermeer is de kauw vooral een schoorsteenbroeder van wat oudere wijken. Ook in schuren van boerderijen broedt hij veel en in het wandelbos van Hoofddorp in oude bomen met holtes. In torenvalk- en uilennestkasten vormen kauwen soms een plaag.

 vogelsPestvogel13 nov 2010november

Pestvogel, 13 nov 2010

 pestvogel

Hoewel het af en toe behoorlijk kan regenen, is het zeer de moeite waard om in deze tijd wandelend of fietsend over straat te gaan. Er is namelijk weer een invasie van pestvogels gaande. De meeste vogels worden in de duinstreek waargenomen maar er zijn (net als vorig jaar) ook groepen pestvogels die zich door de Haarlemmermeer bewegen. De grootste kans om deze bijzondere soort te zien, is waar bessen van de Gelderse Roos groeien. De pestvogel is trouwens de enige soort die gek is op deze bessen (die door andere vogels pas als er niets anders meer is, genuttigd worden).

Bijzonder

De naam van de pestvogel stamt van een bijgeloof in de Middeleeuwen. De pestvogel is een invasievogel die in sommige jaren massaal deze kant op komt. In de tijd van de pestepidemieën

is zo´n invasie blijkbaar samengevallen met een of meer uitbraken. Er is een trend dat de pestvogel tegenwoordig veel vaker deze kant op komt.

Bijzonder

aan de pestvogel is niet alleen zijn uiterlijk met een mooie kuif en kleuren, maar ook zijn rinkelend stemgeluid en het feit dat hij meestal in vrij grote groepen rondtrekt. Ze strijken dan op bessendragende struiken neer, tot die leeggegeten zijn. De pestvogel is zo groot als een spreeuw en meestal niet schuw.

Waar

Pestvogels zijn vogels van de noordelijke bossen. Ze houden zich bij voorkeur op in dichte naaldbossen met hoge bomen en een onderbegroeiing van besdragende struiken. Daarnaast worden ze ook regelmatig gesignaleerd aan de randen van moerassen en aan de oevers van rivieren, mits daar voldoende insecten aanwezig zijn. Pestvogels zijn in staat om buitengewoon strenge en lange winters rond en boven de poolcirkel te overleven. Doordat het beschikbaar zijn van voldoende voedsel van jaar tot jaar sterk kan verschillen, worden de pestvogels in bepaalde landen zeer onregelmatig waargenomen. Bij voedseltekorten ondernemen ze trektochten tot in Nederland, België en de Britse eilanden.

 vogelsKoekoek (2)3 jul 2010juli

Koekoek (2), 3 jul 2010

 koekoek

Koekoeken eten insectenlarven, kevers, vliegen, waterjuffers, vlinders en motten, waaronder schadelijke soorten voor de landbouw, zoals meikevers en koolwitjes. Ze zijn speciaal bekend door het eten van harige en giftigde rupsen, die meestal door andere vogels met rust worden gelaten (zie foto) Koekoeken overwinteren in tropisch zuidelijk Afrika. Ze trekken hier weg en ook wel door van juli tot half september en keren terug van begin april tot diep in mei. Iedere vogel reist alleen. De koekoek staat nog als veilig op de internationale IUCN rode lijst, maar is in 2004 als kwetsbaar op de Nederlandse rode lijst gezet. Voornaamste oorzaak voor de teruggang van de koekoek is de uitdunning van het bestand van zijn waardvogels. Dit is het gevolg van verstoring en vernietiging van het leefgebied door landbouw. Ook het

afnemen van vlinders en kevers t.g.v. gifstoffen is een van de oorzaken. Ook klimaatverandering heeft een negatief effect: veel waardvogels passen hun broedgedrag aan de omgevingstemperatuur aan, maar de koekoek oriënteert zic op de lengte van dag en nacht. Bij aankomst in het broedgebied zijn er daarom steeds minder geschikte nesten, die aan het begin van de broedperiode staan. Volgens SOVON daalde het aantal Nederlandse broedparen in de periode 1990-2007. Het aantal broedparen schommelt nu rond de 7-8000.

Waar

Koekoeken komen vooral voor in relatief open gebieden met enkele hoge uitkijkposten, vanwaar ze speuren naar nesten van geschikte waardvogels. De koekoek komt in vrijwel geheel Europa voor met uitzondering van IJsland en verder van Noord-Afrika tot in China en Japan. Ook in steden met veel parken is de koekoek te vinden, maar niet in dichtbebouwde centra. De belangrijkste voorwaarde is dat de juiste waardvogel er voorkomt. In de Haarlemmermeer hoorde ik verschillende koekoeken in de Groene Weelde. Roepende koekoeken zijn mannetjes die hun territorium aangeven.

 vogelsKoekoek (1)27 jun 2010juni

Koekoek (1), 27 jun 2010

 koekoeksjong

Bijna iedereen leert op school al over het parasitaire gedrag van de koekoek. Het komt niet prettig over, dat een vogel zijn eieren in de nesten van kleine zangvogels legt, wiens jongen er uitgegooid worden. Biologisch gezien is dit echter een principe, dat overal in de natuur wordt aangetroffen: van zoogdieren tot kleine insecten. Planten en schimmels doen het ook regelmatig. Zo ongewoon is het gedrag van de koekoek dus niet. Een vrouwtjeskoekoek specialiseert zich op een bepaalde vogelsoort of familie. Zo zijn er heggenmus-koekoeken, karekiet-koekoeken en kwikstaart-koekoeken. Hun eieren lijken zeer sterk op die van hun waardvogel en zijn vaak alleen door kenners te onderscheiden. Een koekoekvrouwtje legt per seizoen zo´n 15- 20 eieren in evenzoveel verschillende nesten. Vroeger dacht men dat

de koekoek haar ei op de grond legde en het daarna in de snavel naar het nest bracht. Maar het is nu bekend dat ze haar lichaam tegen het nest drukt en het ei door de nestopening heen werpt. Het ei komt uit na de 12e dag, wat meestal eerder is dan zijn nestgenoten. Het jong buit dit uit door alles wat zich in het nest bevindt naar buiten te gooien(zie foto). Na 3 weken verlaat de jonge koekoek het nest. De pleegouders voeren het nog steeds en moeten vaak op zijn rug gaan zitten om de insecten in de gapende bek te laten vallen. Heggenmussen, rietzangers, karekieten en kwikstaarten zijn favoriete soorten. Het zijn dan ook de leefgebieden van deze soorten waar koekoeken te vinden zijn. In Europa zijn meer dan 100 verschillende waardvogelsoorten bekend waarvan er maar zo´n 45 soorten succesvol zijn in het grootbrengen van een jonge koekoek. In 20 % van de gevallen wordt een geparasiteerd nest door de waardvogel opgegeven. De koekoek wordt in het tweede levensjaar geslachtsrijp. Het broedparasitisme als voortplantingsstrategie kan worden gezien als een aanpassing aan het korte verblijf in het broedgebied, met als voordeel dat er geen tijd nodig is om een nest te bouwen.

 vogelsGekraagde Roodstaart13 jun 2010juni

Gekraagde Roodstaart, 13 jun 2010

 gekraagde_roodstaart

De gekraagde roodstaart is een van de mooiste zangvogeltjes van Nederland. Helaas voor de Haarlemmermeer houdt hij niet van open polderlandschappen. Hij komt in Nederland vooral voor op de zandgronden in kleinschalige landschappen met afwisselend bos en open plekken. Verder is het voorkomen van lege spechten holen belangrijk om te kunnen broeden. Ik was dan ook niet weinig verrast toen ik tot tweemaal toe in mijn tuin op de Geniedijk een prachtig mannetje waarnam en binnen twee weken daarna ook een melding uit Nieuw- Vennep kreeg. Vooral het mannetje is spectaculair gekleurd, zijn bruine borst en roodbruine staart, steken fel af tegen zijn zilverkleurige kop met helderwit ´petje´. Het vrouwtje is grauwbruin maar heeft wel ook de rode staart.

Bijzonder

Volgens SOVON wisselde in de periode 1990-2007 het aantal broedparen sterk, zo was er tussen 1998 en 2005 sprake van een daling, maar daarna steeg het aantal weer. Rond

2007 broedden er nog ongeveer 26.500 paar in Nederland. De gekraagde roodstaart staat niet op de Nederlandse rode lijst. De gekraagde roodstaart is tegenwoordig niet meer zo algemeen als enkele decennia geleden.

Waar

De gekraagde roodstaart is een vogelsoort van oude, parkachtige bossen. Deze vogelsoort is vooral te vinden op de zandgronden. Open plekken, oude bomen, graslanden of heiden moeten elkaar afwisselen. Gekraagde roodstaarten zijn holenbroeders, welke ook wel van nestkasten gebruik maken. De aanwezigheid van een gekraagde roodstaart blijft vaak onopgemerkt: het is nogal een schuwe en onopvallende vogelsoort die vaak pas opvalt wanneer het mannetje uitbundig zit te zingen. De gekraagde roodstaart komt voor in de koele tot warme gematigde delen van Europa tot in Oost-Siberië. Graag krijg ik speciaal voor deze soort meldingen door over het voorkomen. Het kan zijn dat hij door het veranderen van ons polderlandschap we deze aanwinst erbij cadeau krijgen.

 gekraagderoodstaart2

 vogelsGierzwaluw12 jun 2010juni

Gierzwaluw, 12 jun 2010

 gierzwaluw

De Gierzwaluw heet ook wel 100-dagen vogel omdat hij pas in mei verschijnt en al weer in juli vertrekt. Hij behoort ondanks zijn naam niet tot de echte zwaluwen zoals de boerenzwaluw, maar is sterker verwant aan de kolibrie. De gierzwaluw heeft in verhouding zeer lange sikkelvormige vleugels met een spanwijdte van ca 45 cm. De snavel is relatief klein en kan ver geopend worden, om beter insecten te kunnen vangen in de vlucht. Door huizen als rotskliffen te gaan beschouwen hebben gierzwaluwen lang geleden hun oorspronkelijk broedareaal aanzienlijk verruimd. Met hun gierende vluchten geven ze zomeravonden in (oude) stadswijken een speciale sfeer. Omdat hij voor zijn voedselvoorziening volledig afhankelijk is van het aéroplankton, is de gierzwaluw zeer gevoelig voor slecht weer. Het zijn uiterst nuttige vogels die tot 15.000 insecten per dag verorberen. Het voedsel voor de jongen bestaat

uit speekselballetjes met 300 tot 500 insecten. De jongen kunnen tot 20 balletjes per dag krijgen.

Bijzonder

De gierzwaluwen zijn zeer sterk op het leven in de lucht aangepast. In feite vliegen ze altijd. Alleen in het nest als jong, of om te broeden vliegen ze niet. Gierzwaluwen brengen ook de nacht in de lucht door op een gemiddelde hoogte van 1.500 m. In duikvlucht halen ze meer dan 200 km/uur. Als er bij koud weer onvoldoende insecten zijn, kunnen jonge gierzwaluwen in een soort winterslaap betere tijden afwachten. Ook volwassen exemplaren kunnen dat, maar verkiezen vaker om gebieden met beter weer op te zoeken. Voor onze Haarlemmermeerse vogels kan dat Parijs zijn! De stand van de gierzwaluw is de laatste decennia afgenomen, door sloop en renovatie van oude stadswijken, en door betere isolatie. Het aantal broedparen in Nederland wordt geschat op 50.000 - 85.000.

Waar

Gierzwaluwen zijn lange-afstandstrekkers die de winter doorbrengen het gebied tussen Mali en Zaire. Het broedgebied betreft geheel Europa ten zuiden van de poolcirkel, en grote delen van Azië en Midden-Oosten.

 vogelsBoomklever22 mei 2010mei

Boomklever, 22 mei 2010

 boomklever

Afgelopen zaterdag hebben we met de jeugdclub van De Heimanshof alle in 2008 gebouwde nestkasten gecontroleerd. Van de 50 gecontroleerde kasten waren er 38 bewoond met totaal 280 jongen: meest pimpel- en koolmezen en gemiddeld 7.5 jongen per nest. In het Robin Hoodbos werd een kast bewoond door een nest boomhommels, maar de grootste verrassing was een boomklevernest in het Wandelbos, omdat het niet eens bekend was dat deze vogelsoort in onze polder voorkwam. De boomklever heeft een voorkeur voor oud hoog bos en dat hebben we niet veel. Maar het wandelbos uit 1935 voldoet blijkbaar aan zijn wensen. De boomklever broedt van eind april tot juli. Hij maakt het nest niet zelf, maar gebruikt oude, verlaten holen van spechten en nestkastjes. Hij pleistert de ingang dicht met klei vermengd met speeksel zodat hij er zelf nog net doorkan. Het voedsel bestaat vooral uit insecten die hij zoekt door met de snavel in de boombast te hakken. Hierbij klimt hij als enige Nederlandse vogel ook met de kop naar beneden omlaag. Behalve insecten worden vooral in de winter ook

noten en zaden gegeten. In het najaar legt de boomklever een ruime wintervoorraad van zaden en noten aan.

Bijzonder

Boomklever is een van de soorten die het de laatste tijd voor de wind gaat. Dat heeft wellicht te maken met modern bosbeheer, maar ook met het feit dat hij zich aan past aan menselijke bewoning en deels een cultuurvolger aan het worden is. Rond 1975 werd het aantal broedvogels in Nederland geschat op 5000 en nu op 18000. Boomklevers leven in een heel klein territorium; meestal niet groter dan 1000 m². In een eenmaal gevestigd territorium blijven ze het hele jaar door en komen er alleen uit in de winter, bij voedselschaarste.

Waar

Boomklevers broeden in vrijwel geheel Europa en de gematigde klimaatzone van Azië tot Japan. Het zijn vogels van oude bossen, parken en tuinen met veel loofhout. De volwassen vogels zijn standvogels, maar jonge vogels zwerven soms over kleine afstanden uit.

 boomkleverinnestkast

 vogelsZwartkop16 mei 2010mei

Zwartkop, 16 mei 2010

 zwartkopmanenvrouw

Het is volop voorjaar en dat betekent o.a. dat de meeste vogels druk bezig zijn met nestelen en het bevechten van een territorium, waarin ze hun jongen veilig groot kunnen brengen. Zangvogels ´bevechten´ hun territorium door luidkeels te zingen. Dat zingen is vooral bedoeld voor andere paartjes van dezelfde soort. Hoe overtuigender een mannetje zingt hoe meer zijn vrouwtje of vrouwtjes zich veilig voelen en hoe meer respect naburige mannetjes voor hem hebben. Eén van de zangvogel- soorten die het goed doet, dicht bij huizen voorkomt, maar toch niet erg bekend is, is de zwartkop. Dat is jammer want hij heeft een prachtige zang, die klinkt als een explosieve vorm van de merelzang. Zwartkop is eigenlijk alleen van toepassing op het mannetje, dat een soort alpinopet op heeft. Zijn vrouwtje

heeft een bruine alpinopet.(zie foto) Zwartkoppen maken een komvormig nest tussen de struiken. Dichte bramenstruiken zijn geliefde nestplaatsen. De nestbouw wordt eerst door het mannetje opgepakt. Hij begint met het ruwe werk en laat vervolgens het vrouwtje voor de afwerking zorgen. Zwartkoppen zijn insecteneters, maar lusten bij gebrek aan beter ook wel stukjes peer, appel, bessen of de krenten en rozijnen uit krentenbrood. De zwartkoppen overwinteren meestal in Zuid-Europa en rond de Middellandse zee en verschijnen in april weer bij ons om te broeden.

Bijzonder

De zwartkop is een van de vogelsoorten die sterk profiteert van het feit dat we de laatste tientallen jaren meer aandacht hebben voor natuurlijk bosbeheer.

Waar

De zwartkop leeft het liefst in gemengde bossen meteen struiklaag en redelijk grote bomen. Veel oudere tuinen voldoen hier ook aan. Alleen al in De Heimanshof broeden tegenwoordig 4-5 paartjes. De zwartkop komt bijna overal in Europa voor tot ver in Siberië, behalve in het hoge noorden.