bovenfoto

Columns:

Sinds april 2006 is er elke week de natuurcolumn 'Ontdek de Flora en Fauna van de Haarlemmermeer' verschenen in de Hoofddorpse Courant.
Deze column heeft ten doel belangstelling voor de verrassende verscheidenheid van planten en dieren in onze leefomgeving te wekken.

 

Hieronder staat de column van deze week en daar onder kunnen alle tot dusver verschenen columns opgevraagd worden. U kunt deze selecteren en sorteren op categorie, onderwerp, het jaar en de tijd van het jaar. Combinaties zijn ook mogelijk. Ga naar de oudere columns

florafauna

fluweelpootje, 6 jan 2018

 fluweelpootjecombi

Dit is de tijd van de winterpaddenstoelen. In herfst en zomer schieten de paddenstoelen als rakketten uit de grond en zijn ook binnen een paar dagen weer weg. Die moeten dus heel snel hun sporen rijp laten worden. In de winter gaat alles veel langzamer. De winterpaddenstoelen zijn daarom ook maandenlang te bewonderen en de hebben lange tijd om zoveel mogelijk sporen te laten verwaaien. Vele winterpaddenstoelen zijn eetbaar. Dat geldt bv voor de Judasoor die je veel in Chinese gerechten vindt. Ze ontlenen hun naam aan hun oorvorm en de overlevering dat ze er groeien sinds Judas met z’n oor aan de scherpe punt van de afgebroken vliertak bleef hangen toen hij er uit schuldgevoel een einde aan wilde maken. Ze smaken zoals ze eruit zien: Een stevige bite van kraakbeen met een peperachtige nasmaak. Het fluweelpootje is ook een heel algemene winterpaddenstoel, die als delicatesse geldt in de horeca en zoetig smaakt. Vooral

de hoed. In Azië worden ze gekweekt zonder licht en zien ze er heel wit uit (inzet).

Bijzonder

Hoewel de hoed het lekkerst smaakt (ook rauw) bevat de wat taaiere steel eens immuunsysteem versterkende stof en het mycelium in het hout een werkzame stof tegen kanker. Fluweelpootjes smaken zoetig omdat ze een antivries aanmaken in de vorm van suiker. Dat komt ze goed van pas, want ze komen in de witter pas tevoorschijn na de eerst vorst en kunnen ook vorst goed verdragen. Pas recentelijk is ontdekt dat de makkelijk herkenbare soort toch complexer in elkaar zit. Op basis van sporenkenmerken zijn 3 soorten een variëteit onderscheiden.

De kweekversie van Fluweel pootje is door de NASA meegenomen in de ruimte om het effect van zwaartekracht te onderzoeken. In de ruimte werden de strak gerichte dichte bundels paddenstoelen een wirwar van steeltjes en hoedjes.

Waar

Fluweelpootjes zijn een onmiskenbare en algemene paddenstoel door z’n steel die met fluweel begroeid lijkt en in bundels voorkomt op dood en ziekloofhout van wilgen ,elzen, populieren e.d.(foto)





Meldingen van bijzondere dieren en planten kunt u doorgeven aan info@stichtingmeergroen.nl .

Persoonlijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkdagen tussen 9:00 en 12.30
en op woensdag tot 17:00 uur bij De Heimanshof, Wieger Bruinlaan 1-7 in Hoofddorp.


Oudere columns:

 

SELECTIEMENU; selecteer op:

categorie
en/of
titel zoekterm

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/of
maand
en/of
jaar
 
 

SORTEREN: klik op de kopjes in de titelbalk om de sortering te veranderen

 

Blz [ 10 ] Ga naar vorige1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 …>> volgende

thumb

categorie: titel: datum: maand:

open/dicht

 vissenKleine mod­derkruiper18 okt 2014oktober

Kleine mod­derkruiper, 18 okt 2014

 kleine-modderkruiper

Door het maken van de onder­wa­ter ont­dek­w­ereld op De Heiman­shof bestaande uit ca 20 aquaria met daarin zoveel mogelijk van de onder­wa­ter­soorten die in de Haar­lem­mer­meer voorkomen, ben ik steeds meer gefasci­neerd door de bij­zon­der­he­den, die er in die mod­derige en donkere wereld zijn aan te tre­f­fen. We kun­nen inmid­dels ruim 40 soorten tonen en dat is nog lang niet alles.

Een van de mooiste vis­sensoorten in onze polder, is de kleine mod­derkruiper. Het is een visje van slechts 8 - 14 cm, dat op en in de bodem leeft. Naast de kleine mod­derkruiper die behoor­lijk alge­meen is in onze wateren bestaat er ook een grote mod­derkruiper, waar­van het onzeker is of die ook hier voorkomt. Kleine mod­derkruipers zijn met name in de schemer­ing en ’s nachts actief, overdag rusten ze ver­sc­holen tussen de veg­e­tatie of inge­graven in de bodem met enkel hun kop eruit stek­end.

Ze voe­den zich door mod­der op te hap­pen en daaruit eet­bare deelt­jes te fil­teren. Het dieet bestaat uit water­vlooien, kleine diert­jes, algen en dood organ­isch mate­ri­aal.

Bij­zon­der

De kleine mod­derkruiper is een zeer bewegelijk wor­mvormig visje ‚met een mooie teken­ing: een rij zwarte vlekken op zijn flanken. Hij kan zowel in stromend zuurstofrijk als stil­stand water voorkomen. Als het water erg zuursto­farm wordt, heeft de kleine mod­derkruiper een bij­zon­dere oploss­ing: hij kan dan lucht hap­pen aan de opper­vlakte en zuurstof opne­men via zijn darmkanaal.

Waar

De soort heeft een voorkeur voor stil­staand tot langzaam stromende ondiepe wateren met een rijke planten­be­groei­ing en een zandige of met dunne sli­blaag bedekte bodem. Kleine mod­derkruipers komen in vri­jwel heel Ned­er­land voor in sloten, vaarten, kanalen, riv­iert­jes, beken, plassen en meren. De kleine mod­derkruiper heeft een ver­sprei­d­ings­ge­bied in Europa boven de Alpen tot aan de Oeral. In een groot deel van dit gebied is de soort zeldzaam, maar niet in Ned­er­land. Maar om die reden staat de kleine mod­derkruiper wel op de lijst van bedreigde Europese soorten.

 vissenGiebel (2)9 dec 2013december

Giebel (2), 9 dec 2013

 giebel2goudvis

De Giebel is de wilde vorm van de goudvis (foto). Naast de normale wijze van voortplanting, blijkt de giebel over een bijzondere strategie te beschikken: Paairijpe vrouwtjes giebels dringen zich tussen de paaiende karpers en zetten hun eieren af. Daarbij bleek, dat de zaadcellen van (kroes)karpers, de eicellen van de giebel prikkelden om zich te gaan ontwikkelen. De zaadcellen dringen hiervoor de eicel binnen, maar er vindt geen versmelting plaats zoals in het normale voortplantingsproces. Er is daarom geen sprake van bevruchting. De eicellen bevatten daardoor uitsluitend vrouwelijke eigenschappen, met als gevolg dat er ook alleen maar vrouwelijke nakomelingen uit worden geboren. Deze zijn in uiterlijk en erfelijk opzicht precies gelijk aan de oudergiebel. Men noemt dit ook wel "klonen". Deze unieke wijze van voortplanting (gynogenese), heeft ertoe heeft bijgedragen dat de giebel zich in korte tijd over grote delen

van Azië en Europa heeft kunnen verspreiden.

Buiten de "hulp" van karper en kroeskarper, bleek de giebel zich ook succesvol te kunnen voortplanten met behulp van blankvoorn, zeelt, grote modderkruiper en zelfs regenboogforel.

Gynogese is dus een bijzondere vorm van maagdelijke voortplanting.

Extra bijzonder bij de Giebel is ook nog dat deze vis niet 2 sets chromosomen heeft in zijn celkern (dat heet diploid: zoals bijna alle hogere planten en dieren) maar drie: de soort is dus triploid.

Waar

De natuurlijke verspreiding van de Giebel is van West-Siberië tot Roemenië, Bulgarije, Griekenland en Turkije. De soort komt al sinds de zeventiende eeuw in Duitsland voor. Er is maar weinig bekend over de levenswijze van de giebel. In grote lijn komt deze waarschijnlijk overeen met de levenswijze van de kroeskarper. Water met een weelderige plantengroei en een zachte modderige bodem hebben de voorkeur van de giebel. De giebel is een sterke vis die goed tegen vervuild water kan. Het is vaak een van de laatste vissoorten die in vervuild water gevonden wordt.

 vissenGiebel (1)27 nov 2013november

Giebel (1), 27 nov 2013

 giebel1

In de Heimanshof hebben we sinds juni een nieuw element aan de ecologische variatie in de tuin toegevoegd: onze onderwater-ontdekwereld.

Inmiddels leven in onze 12 aquaria zo’n 30 soorten vissen, kreeften, mossels, amfibieën en andere onderwater dieren en planten. Het is fascinerend om meer te leren over het gedrag en de leefcondities van de vele organismen die er onzichtbaar onder water naast ons leven.

Een van mijn vele onderwater ontdekkingen was de Giebel. Achter deze ietwat lachwekkende naam schuilt een brons- of goudkleurige vis, die niet inheems was, maar inmiddels zoals zoveel soorten wel ingeburgerd is (foto). Het is een Aziatische karpersoort waaruit in China, al zo’n 4000 jaar geleden, goudvissen zijn gekweekt.

De giebel is een grondelaar. Daardoor draagt hij bij aan vertroebeling

van het water, net als brasems en kapers. Het is een alleseter: naast dierlijk voedsel als dierlijk plankton, insectenlarven en kleine kreeftachtigen, eet de giebel ook algen en plantendelen. In de winter stopt de voedselopname. Veel Giebels zijn waarschijnlijk afstammelingen van uitgezette goudvissen die hun rode of oranje kleur verloren hebben. In de vrije natuur verdwijnen deze kleurvormen doordat ze te veel opvallen en als eerste ten prooi vallen aan rovers. Zo blijven er op termijn alleen wildkleurige exemplaren over.

Bijzonder

De giebel kan vanaf het tweede jaar geslachtsrijp zijn. Het aantal eieren kan oplopen tot circa 400.000 per vis per jaar. Daardoor is de giebel in staat voor grote aantallen nakomelingen te zorgen. Bij afwezigheid van regulerende roofvissen treedt binnen enkele jaren "vergiebeling" op. Naast de normale wijze van voortplanting, blijkt de giebel over een bijzondere strategie te beschikken: Paairijpe vrouwtjesgiebels dringen zich tussen de paaiende karpers en zetten hun eieren af. Daarbij bleek dat de zaadcellen van (kroes)karpers de eicellen van de giebel prikkelden om zich te gaan ontwikkelen. Volgende column meer (over 2 weken).

 vissenAlver22 jan 2011januari

Alver, 22 jan 2011

 alver

De dooi na 6 weken ijs met sneeuw erop, heeft vissen indringend in beeld gebracht. In het achterkanaal van de Geniedijk bij het oude Buurtje dreven maar liefst 60 enorme vissen: 1 snoek en een paling van 80 cm; 10 karpers van 5-20 kg en brasems van 2-5 kg. Mogelijk is de hele volwassen vispopulatie door zuurstofgebrek onder het ijs omgekomen. Als dat overal gebeurt is..! Opvallend was dat er geen kleine vissen bij zaten, alsof die niet zo diep zwemmen, waar nog wel zuurstof overbleef. Maar kleine vissen kampen weer met andere problemen. Een van die kleine vissen is de alver die 10-20 jaar geleden in scholen van soms duizenden exemplaren voorkwam in onze polder. En dat zie je tegenwoordig niet meer. Een beroepsvisser wijt dit aan de toename van de aalscholver in de polder, die alle vis van 10-20 cm lengte wegvangt. Hij vreest dat de alver en ook beschermde kleine soorten zoals bittervoorn en vetje binnen afzienbare tijd uit zullen sterven. Ik zie als voornaamste reden dat alle waterwegen op doorvoer van water worden beheerd zodat er geen waterplanten en

schuilplaatsen overblijven.

Bijzonder

De alver is een zijdelings afgeplat, zilverachtig visje. Ze kunnen 25 cm worden, maar zijn meestal kleiner dan 15 cm. In direct zonlicht vallen parelmoerachtige kleuren op van de guaninekristallen in de schubben. Er was een commerciële visserij voor de winning van deze kristallen, om er kunstparels van te maken. De alver is een vis die in scholen aan het oppervlak van het water leeft, voor de uitgang van gemalen, maar ook wel in stilstaand water. Een alver voedt zich vooral met plankton en met insecten, maar ook met larven en wormen. Vroeger kwam de alver zeer algemeen voor, tegenwoordig steeds minder door vervuiling, de aalscholver en het oeverbeheer.

Waar

Alvers komen voor van West Europa tot aan de Wolga. De vis is vrij algemeen in Nederland, met een voorkeur voor grotere wateren of rivieren. In heldere beekjes en slootjes wil de alver plaatselijk nog wel eens talrijk voorkomen

 alvergroot

 vissenKarper (2)10 jul 2010juli

Karper (2), 10 jul 2010

 karper20kgbijkarper2

Karpers zijn omnivoren. Zij eten alles wat ze tegenkomen. Net zoals mensen kunnen karpers voedsel eerste proeven. Dat doen ze meestal door proeven met de lippen. Als ze het voedsel vertrouwen, kunnen ze ´schrokken´ door het op te zuigen met een vacuüm. Wilde karpers staan op de Europese lijst van bedreigde diersoorten. Ook in Nederland wordt de boerenkarper bedreigd door vermenging met grote hoeveelheden uitgezette karpers t.b.v. de sportvisserij. Uitzetten wordt gedaan, omdat de omstandigheden (temperatuur, roofvissen, beroepsvisserij) van het Nederlandse water niet optimaal zijn voor voortplanting. Karpervissen is sinds begin jaren negentig erg populair geworden vanwege de kracht en omvang (gewicht) van de dieren. Meestal wordt de term Koi gebruikt voor de gekweekte felgekleurde variant die als siervis in vijvers wordt

gehouden Enkel in Japan zelf betekent het Japanse woord Koi (karper) de ´consumptievis-karper´, terwijl Nishikigoi verwijst naar de sierkarper. De grootste karper ter wereld tot nu toe, gevangen in Frankrijk weegt 42,6 kg. Een vis van meer dan 35 kilo is zeldzaam. Het Nederlands record is een karper bij Nieuwkoop van ruim boven de dertig kilo.

Waar

De oorsprong van de karper ligt rond de Zwarte Zee, de Kaspische Zee en het Aral Meer. Vandaar heeft de karper zich al dan niet met behulp van de mens verspreid van de delta van de Rijn tot aan de Amoer in Noord China en zijn een oostelijke en een westelijke ondersoort ontstaan. De karper heeft het imago van een vis van stilstaand water maar komt van nature voor in rivieren en rivierdelta´s waar hij zich voortplant in overstromingsvlakten. De oudste archeologische resten van de karpers dateren uit de twaalfde eeuw. In Zeeland, de Flevopolder en de Haarlemmermeer komen karpers voor met een wat meer afgeplat lijf, een lichte knik achter de kop en rode vinnen. Deze karpers planten zich ook al generaties lang gewoon voort en zijn verwilderde nakomelingen van gekweekte karpers.

 vissenKarper (1)3 jul 2010juli

Karper (1), 3 jul 2010

 karper1

De Europese karper kan tot 120 cm lang worden. De karper is herkenbaar aan zijn 4 baarddraden en de lange rugvin met zeer sterke eerste vinstralen. In de natuur kan hij 30-40 jaar worden. De karper houdt i.t.t. de brasem, die bij 12 graden paait, van warm water en paait in water van meer dan 20 graden. Er bestaan soorten en variëteiten, die het best aan het schubbenpatroon af te lezen zijn: De schubkarper en wilde karper zijn normaal beschubd, de spiegelkarper heeft enkele abnormaal gevormde grote schubben, de rijenkarper een rij van zulke schubben horizontaal over de flank, de lederkarper heeft maar een paar schubben en de huid is erg dik waardoor ze leerachtig aanvoelt. In de Zaanstreek en de kop van Noord-Holland leeft een wilde karpersoort, de boerenkarper. Deze heeft visvlees dat over het hele lichaam roodgekleurd is. Daardoor hebben ze een groter uithoudingsvermogen en doordat het lichaam meer in balans is zijn ze ook beweeglijker en daardoor moeilijker

te vangen dan gekweekte soorten. De naam schubkarper wordt gereserveerd voor gekweekte exemplaren, die hoger en breder gebouwd zijn. De kroeskarper heeft geen baarddraden, een wat hoog en gedrongen postuur en wordt meestal niet zo groot. Ook verwilderde goudvissen komen voor. De meest bekende ´chinese karpers´ zijn de graskarper, de grootkopkarper en de zilverkarper. De Chinese karpers planten zich hier niet voort, omdat ze voor hun voortplanting stromend water van meer dan 25 ·C nodig hebben. De karper is net als de brasem een vis die de bodem omwoelt. Dit heet azen. In tegenstelling tot de brasem aast karper ook in de ondiepe sterk begroeide gedeeltes van het water en dicht tegen de oever. Door deze manier van azen worden komen fosfaten uit de bodem weer in het water. Bij een voedselrijke bodem en een flinke populatie karpers leidt dit tot groei van algen. Samen met de omgewoelde bodemdeeltjes leidt dit tot het troebel worden van het water en tot afname van de plantengroei.

 Karper3typen

 vissenBrasem6 mei 2010mei

Brasem, 6 mei 2010

 brasem

Wie dezer dagen langs een sloot, vaart of kanaal met oevervegetatie wandelt, kan het bijna niet missen: op vele plaatsen zijn grote vissen (50- 70 cm) aan het plonzen dat het een lieve lust is. Dat is een teken dat het water al weer opgewarmd is tot een graad of 12. En bij die temperatuur krijgen brasems het op hun heupen om te paaien. Dat doen ze op zeer ondiepe plekken tussen oevervegetatie. De mannetjes verdedigen kleine territoria, waar ze andere mannetjes uit verjagen. Vrouwtjes produceren 90.000 tot 300.000 kleverige eitjes, die op plantenmateriaal worden afgezet. De brasem is een scholenvis, zelfs de hele grote exemplaren komen nog in kleine groepjes voor. Op gunstige plaatsen graven de brasems samen in de modder, waar ze eetbare bodemdiertjes uitfilteren. Modder en plantendelen worden weer uitgespuugd.

Bijzonder

De

brasem heeft een woord aan de Nederlandse taal toegevoegd: verbraseming. Dat is een proces waarbij oppervlaktewater vertroebeld raakt. In helder water begint dit vaak door het wegvallen (of vangen) van jagers zoals de snoek. Hierdoor treedt een enorm geboorte-overschot van voornal jonge brasems op. Deze jonge brasems (tot 45 cm) eten eerst het dierlijk plankton op, dat zich met plantaardig plankton pleegt te voeden. Dat levert de eerste vertroebeling op. Grotere brasems moeten daarna overschakelen op bodemvoedsel (muggenlarven), dat niet in voldoende hoeveelheid aanwezig is. Daardoor woelen zij op zoek naar voedsel extra veel bodemmateriaal op. Hierdoor neemt de vertroebeling nog meer toe. In wateren met deze structurele vertroebeling gedijen de meeste ander soorten vis slecht en krijgt de brasem een soort monopolie. Terugdringen van verbraseming lukt soms door het terugdringen van voedselrijkdom van water en het introduceren van waterplanten en driehoeksmossels (die veel water filteren).

Waar

Brasem is een van de algemeenste zoetwatervissen van Nederland. Ze komen veel voor in kleine en grote rivieren, polderwater, zandafgravingen en kanalen.

 vissenBaars20 dec 2009december

Baars, 20 dec 2009

 baars

Veel mensen gaan naar verre landen om daar te snorkelen en het onderwater leven te bekijken. Maar ook in Nederland is het (als je de goede plekken weet) zeer de moeite waard om eens onder water te gaan kijken. Zie op de illustratie, hoe mooi het is om te midden van een school halfwas baarzen in de Toolenburgse plas te zwemmen. Ze hebben rode vinnen, zwarte camouflage strepen op hun zijden en stekels in hun voorste rugvin. Een baars kan in 16 jaar 50 cm lang en 3 kg zwaar worden. Baarzen paaien van maart tot juni in zeer ondiep water, soms al als het water nog maar 7-8 graden is; een vrouwtje legt soms wel 200.000 eieren in lange netvormige linten. De baars is één van de eerste vissen die nieuw aangelegde wateren koloniseert. Ze leven in scholen en jagen ook samen. Hoe kleiner de baarzen, hoe groter de school en reuzenbaarzen zijn vaak verstokte eenlingen. De baars is ondanks zijn stekels een gewilde prooi van de snoek. Net als snoeken staan ze bekend om kannibalisme. In de zomer komen vaak grote scholen met jonge baars voor die voor hun wat oudere soortgenoten

een gewilde prooi vormen. Ze eten graag kleine visjes, kreeftachtigen, zoetwatergarnalen, allerlei soorten larven en regenwormen.

Bijzonder

Baarzen zijn lekker en in de meeste Europese landen wordt vrij veel baars gegeten. Jaarlijks wordt in Europa 30.000.000 kg baars gevangen voor consumptie. Ook in Nederland vangt men nog baarzen met commerciële doeleinden, vooral in het IJsselmeer. Dat er in Nederland weinig of geen baars gegeten wordt, komt door de overtuiging dat de baars ongeschikt is voor consumptie omdat onze wateren te vuil zijn en doordat hij teveel graten zou bevatten.

Waar

De baars leeft in bijna heel Europa en Noord-Azië. Hij komt voor in meren, plassen, moerasland, rivieren en brakwater. De baars is een zichtjager en heeft dus helder water nodig. Ze houden van een steenachtige bodem en zoeken vaak rietkragen en overhangende struiken op. In de Haarlemmermeer is de baars algemeen.

 baarzentoolenburgseplas

 vissenRiviergrondel20 nov 2009november

Riviergrondel, 20 nov 2009

 riviergrondel

Het is schouwtijd van het waterschap. Dat betekent dat er flinke boetes uitgedeeld worden als de afwatering belemmerd wordt door enigerlei oever- en waterplanten. Voorafgaand aan de schouwen is er dan ook veel activiteit langs watergangen. Zo prettig als het voor ons laaglanders is dat overtollig water afgevoerd wordt, zo diep slikken is het voor natuurliefhebbers en ecologen. Veel zeldzame of beschermde rode lijstsoorten worden met grof geweld op de vaste wal getrokken en komen daar jammerlijk om. Mijn vaste Heimanshoflid in Burgerveen heeft dan een drukke tijd om salamanders, kikkers, zwanenbloemen terug in het water te zetten. Naast andere bijzonderheden zoals de rivierdonderpad (zie column juni 2009) kwamen er deze week een aantal riviergrondeltjes te voorschijn. De riviergrondel is een bodemvisje dat maximaal 20 cm lang wordt en met zijn onderstandige bek aangepast is

aan eten van de bodem. De paaitijd is van half april tot eind juli. Het is een fraai visje met 5-6 zwarte vlekken op zijn rug aan beide zijden. Na 2-3 jaar is de vis geslachtsrijp bij een lengte van ca. 9 cm. Ze worden maximaal 6 jaar oud.

Bijzonder

De riviergrondel was een zeer algemeen visje dat in massale scholen voorkwam voor 1900. In die tijd was het voedsel voor de armen. Door het voedselrijker en daarom troebeler worden van het water is de stand sterk gereduceerd. Toch is de soort (omdat deze zich aangepast heeft aan troebel water?) nog in heel Nederland aan te treffen. Omdat het visje klein is en zich graag ophoudt tussen takken, op de grond en achter beschoeiingen is de aalscholver die veel ander soorten decimeert geen groot probleem.

Waar

De riviergrondel houdt van een beetje stroming in het water. Voor een succesvolle voortplanting heeft hij een zand- of grindbodem nodig en oevers met waterplanten. De soort is niet zeldzaam in Nederland en kan ook overal in de Haarlemmermeer worden aangetroffen, zowel in de grote wateren als de hoofdvaart als in kleinere vaarten en kanalen.

 vissenVetje18 feb 2007februari

Vetje, 18 feb 2007

 vetjemetenzonderparasiet

Het vetje is een karperachtig visje dat leeft in stilstaande en langzaam stromende wateren. Het vetje is een opvallend klein visje met relatief grote schubben en bek. Het heeft een groenbruine rug en een zilverwit tot blauwachtige buik. Het grote (witte) oog is ook karakteristiek. Het vetje voedt zich voornamelijk met watervlooien en met eieren en larven van vis. De soort waardeert schoon water met onderwaterplanten en begroeide oevers.
Een bedreiging voor de soort is het verdwijnen van onderwaterplanten door vermesting en vervuiling. Bij veldonderzoek bleek dat vetjes zich dan maar één generatie lang konden handhaven. Soms komt het vetje massaal voor. De vis is geslachtsrijp als het een lengte van ongeveer 6 centimeter heeft bereikt. De maximale lengte bedraagt 14 centimeter. Exemplaren van meer dan 7 centimeter worden zelden gevangen.

Bijzonder

Pas

sinds 1921 is het vetje bekend uit Nederland. Daarvoor werd hij over het hoofd gezien, of beschouwd als jong ‘witvisje’.
Een groot probleem is het oprukken van een nieuwe parasiet. Deze komt voor bij de de Aziatische Blauwband (een verwante vissoort) die 40 jaar geleden in Roemenië is uitgezet en aan een opmars in heel Europa bezig is. De stand van het vetje loopt sinds die tijd gestaag terug en het dier is daarom op de rode lijst van bedreigde zoetwatervissen gekomen.
Als het vetje in contact komt met het water waarin de blauwband gezwommen heeft, wordt er geen kuit meer geproduceerd en sterft zo’n 70 procent van de populatie elk jaar. De gestorven dieren hebben aanzienlijk schade aan de ingewanden en in het bijzonder aan de geslachtsorganen. Zie de foto voor het verschil van een vis met (onder) en zonder (boven) parasieten.

Waar

Het visje komt op diverse plaatsen door heel Nederland voor, maar als hij een keer wordt gevangen, herkennen vissers het vetje vaak niet. Ook in de Haarlemmermeer komt het vetje voor, vooral in peilvakken met achtervakbemaling en het liefst bij bruggen en waar het water stroomt. Sterfte door de parasiet is hier nog niet waargenomen. Meestal komt het vetje in scholen voor, maar is nergens algemeen.

 vissenRivierprik5 jan 2007januari

Rivierprik, 5 jan 2007

 rivierprik

De rivierprik lijkt op het eerste gezicht op een paling. Maar er zijn er grote verschillen. De vis heeft bijvoorbeeld aan beide zijden zeven opvallende kieuwopeningen (zie foto). Verder heeft de rivierprik een zuigbek met kleine tandjes, die werken als een rasp. Met die bek zuigen prikken zich vast aan vissen waarna ze met de rasp de flank openen en leven van het bloed en vlees. Het zijn dus visparasieten. Behalve de rivierprik, die 50 cm lang kan worden, zijn er beek- en zeeprikken, die respectievelijk veel kleiner en veel groter zijn.
De rivierprik leeft ongeveer vier jaar als larve in de bodem van stromende wateren. De tandeloze larven zeven in die tijd voedseldeeltjes uit het water. Als volgroeide prik trekt hij naar zee, leeft daar 2-3 jaar als bloedzuigende parasiet en komt dan als geslachtsrijp dier weer terug om te paaien. Na het paaien sterft hij.

Bijzonder

Het zusje van de rivierprik, de beekprik, is beschermd in de Flora- en Faunawet. Doordat de larven van de rivierprik

grote gelijkenis vertonen met de larven van de beekprik, vallen de rivierprikken tot 15 centimeter eveneens onder de bescherming van de Flora- en Faunawet.

Waar

De rivierprik paait boven grof zand- en grindbeddingen in de middenlopen van rivieren en grote beken. De rivierprik was voor 1945 zeer algemeen in de grote rivieren. In de jaren zestig en zeventig is de rivierprik nog steeds aanwezig in de grote rivieren. Tussen 1986 en 1996 vindt een opmerkelijke toename plaats. Het is opvallend dat het verdwijnen en weer terugkomen van de rivierprik samengaat met de ontdekking van DDT en het verbod op veel pesticiden. De rivierprik wordt in de Haarlemmermeer uitsluitend in de ringvaart gevonden. De vangst is al tientallen jaren hetzelfde met 8-10 exemplaren. De vangsten (in palingfuiken) worden gedaan in de tijd van de palingtrek. Het betreft altijd volwassen exemplaren van een pond of meer. Het is niet bekend of deze dieren in deze omgeving paaien. Mogelijk betreft het dieren, die uit de Rijn afgedwaald zijn.

 rivierprikbek

 plantenPurpersteeltje23 dec 2017december

Purpersteeltje, 23 dec 2017

 purpersteeltje

In de winter trekken de kruiden zich terug in zaad of wortelstokken en ook de meeste bomen gaan in rust. De afwezigheid van grote concurrenten die hen overschaduwen, is een kans voor een zeer oude groep kleine plantjes, nl de mossen. Deze hebben het vermogen om ook bij zeer lage temperaturen te groeien. En in herfst, winter en vroege voorjaar grijpen zij hun kans en groeien maximaal. Mossen behoren tot de oudste organismen die op land konden leven. Ze zijn zo klein omdat ze geen wortels en stengels met vaten hebben en moeten het hebben van diffusie van vocht en voedsel door hun dunne eencellige bladeren.

Bijzonder

Er bestaan veenmossen die in moerassen groeien en meters lang kunnen worden, slaapmossen met liggende stengels en topkapselmossen die rechtop staan. Ze vermenigvuldigen zich allemaal via afgebroken ’stekjes’

en sporen. Een van de meest algemene (topkapsel)mossen is het purpersteeltje. Het is een piepklein mosje van 1-2 cm hoog dat alleen opvalt als het sporenkapsels draagt die een kenmerkende purperen kleur hebben. Omdat purpersteeltje dichte matten vormt, is deze soort daarmee van grote afstand te herkennen. En om dat deze winter zo zacht is, is dat sporenvomingsproces volop gaande. Je hebt bij het purpersteeltje mannelijk en vrouwelijke plantjes. De mannetjes maken spermacellen en die zwemmen bij regenachtig weer naar de vrouwtjes toe. En net is ontdekt dat insecten zoals springstaarten, die zich in de mosplakkaten verschuilen bij dat transport ook een rol spelen. Als de vrouwtjes bevrucht zijn, groeit uit de bevruchte eicel een sporenkapsel op de lange purperen steel. In het kapsel groeien de ongeslachtelijke sporen die zich ver kunnen verspreiden en wel 16 jaar kiemkrachtig kunnen blijven. Deze afwisseling van geslachtelijke voortplanting tussen mannetjes en vrouwtjes en sporenvorming heet generatiewisseling, wat bij de meeste mossoorten voorkomt.

Waar

Purpersteeltje komt voor in de bebouwde kom, langs paden en wegen en op droge zandgrond.