bovenfoto

Columns:

Sinds april 2006 is er elke week de natuurcolumn 'Ontdek de Flora en Fauna van de Haarlemmermeer' verschenen in de Hoofddorpse Courant.
Deze column heeft ten doel belangstelling voor de verrassende verscheidenheid van planten en dieren in onze leefomgeving te wekken.

 

Hieronder staat de column van deze week en daar onder kunnen alle tot dusver verschenen columns opgevraagd worden. U kunt deze selecteren en sorteren op categorie, onderwerp, het jaar en de tijd van het jaar. Combinaties zijn ook mogelijk. Ga naar de oudere columns

florafauna

Pissebed, 31 mrt 2018

 pissebed-kelder

Met het voorjaar in aankomst worden er weer horden planten en dieren actief. In de 12 jaar van deze columns hebben we er al meer dan 500 soorten behandeld, maar er blijft nog voor jaren genoeg te ontdekken en te verbazen over. Deze week een inkijkje in een vaak ondergewaardeerde groep dieren: de pissebedden. In totaal zijner tot dusver meer dan 35 soorten van ontdekt en beschreven in Nederland. De meest algemene soorten zijn de ruwe pissebed die gaal donker gekleurd is, de grijs gekleurde kelderpissebed en de oprolpissebed.

Bijzonder

Pissebedden zijn kreeftachtigen. Dat zijn van oorsprong waterdieren. Er bestaan ook zoetwaterpissebedden die talrijk zijn in sloten en vijvers. Net als kreeften ademen pissebedden via kieuwen. Die moeten altijd vochtig blijven. Het pantser van landpissebedden ziet er degelijker uit dan

het is. Het is nl door latend voor ammoniak- en water waardoor ze continu transpireren. De pissebed hoeft ondanks de naam nooit te plassen, omdat de stikstofverbindingen (ammoniak) verdampt. Misschien heeft de naam pissebed te maken met de geur van ammoniak (urine) die soms te ruiken is. Een pissebed leeft van plantaardig materiaal, zoals rottend hout en bladeren en heeft vele vijanden, waaronder insecten, spinnen, amfibieën en vogels. Blauwe of paarse pissebedden zijn geen andere soort, maar hebben een virusinfectie waardoor ze na 1 of 2 weken sterven.

Waar

Veel landpissebedden zijn cultuurvolgers die oorspronkelijk uit Europa komen, maar tegenwoordig tot in Nieuw-Zeeland te vinden zijn. Landpissebedden leven in een microhabitat, de omstandigheden maakt ze weinig uit, als het maar vochtig is en er schuilplaatsen en voedsel zijn. Pissebedden komen in allerlei habitats voor, van bossen tot graslanden en ook tuinen zijn geschikte leefgebieden waarvan veel mensen pissebedden kennen Uit drogen is het grootste gevaar voor pissebedden.Ze komen dan ook altijd voor in vochtige ruimtes zoals kelders of onder schors, strooisel laag of hout en stenen e.d.





Meldingen van bijzondere dieren en planten kunt u doorgeven aan info@stichtingmeergroen.nl .

Persoonlijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkdagen tussen 9:00 en 12.30
en op woensdag tot 17:00 uur bij De Heimanshof, Wieger Bruinlaan 1-7 in Hoofddorp.


Oudere columns:

 

SELECTIEMENU; selecteer op:

categorie
en/of
titel zoekterm

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/of
maand
en/of
jaar
 
 

SORTEREN: klik op de kopjes in de titelbalk om de sortering te veranderen

 

Blz [ 19 ] Ga naar vorige<<… 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 …>> volgende

thumb

categorie: titel: datum: maand:

open/dicht

 vlindersAgaatvlinder10 sep 2011september

Agaatvlinder, 10 sep 2011

 agaatvlinder

De herfst lijkt al in volle gang en met al die regen verwacht je nauwelijks meer insecten te zien. Maar er zijn soorten die zich ook in kil weer en zelfs in de winter goed kunnen handhaven en actief blijven. Een van die soorten is de agaatvlinder. Dat is een nachtvlinder die ook overdag actief is. De vlinder is het gehele jaar waar te nemen, maar er zijn twee pieken in de vliegperiode: april tot juni en augustus tot oktober. Ook de rups is het gehele jaar aan te treffen. De rups is een echte alleseter, die voorkomt in een groene vorm en een bruine vorm. Hij wordt ca. 4 cm lang en 6 mm dik Waardplanten van de rups zijn vooral brandnetel, dovenetel, zuring. Maar ook op ooievaarsbek, winde, framboos en wilg komt de rups voor. Overdag rust de agaatvlinder onbeschut op muren en paaltjes of in de vegetatie. Daarbij vertrouwd hij op zijn prachtige schutkleur (zie foto), waardoor hij er uit ziet als een verdord blaadje.

Bijzonder

Zowel de vlinder, pop en rups

kunnen in Nederland de winter overleven. Veel rupsen, poppen en volwassen insecten komen in de winter en tijdens natte perioden om door verdrinking of verschimmeling. Doordat de rups van de agaatvlinder in de winter actief blijft, is de soort minder gevoelig voor biotopen die "s winters onder water staan. Dat draagt met zijn niet kieskeurige voedselvoorkeur eraan bij dat deze vlinder zo algemeen is. Tijdens milde winterdagen gaat de rups door met foerageren. De verpopping vindt gewoonlijk plaats in een cocon in de grond; soms in een voeg in een muur.

Waar

De agaatvlinder is een vrij algemene soort, die in Nederland op allerlei grondsoorten voorkomt. Vooral in meer vochtige gebieden, maar ook in de steden (onder andere in tuinen en parken). De vlinders vertonen zowel zwerf- als trekgedrag. De agaatvlinder trekt jaarlijks in wisselende aantallen in het voorjaar vanuit het Middellandse Zeegebied naar het noorden. Een deel van de vlinders trekt in de herfst weer terug naar het zuiden.

 agaatvlinder2

 vogelsOoievaar3 sep 2011september

Ooievaar, 3 sep 2011

 ooievaar

Er staan in de Haarlemmermeer verschillende ooievaarspalen: b.v. bij fort Aalsmeer en bij gemaal Buitenkaag, maar gebroed wordt er in onze polder nog niet. Wellicht duurt dat niet meer zo lang, want het gaat goed met de ooievaarsstand in Nederland. En één van die paren broedt al een jaar of wat op 50m van de Haarlemmermeer in Bennenbroek. In de Haarlemmermeer tegenover het nest zijn de afgelopen weken t.b.v. de bollenteelt een aantal percelen land onder water gezet. Dit soort ondiepe waterpartijen trekken als een magneet allerlei soorten vogels aan, waaronder maar liefst 10 ooievaars.

Bijzonder

De Nederlandse ooievaars waren trekvogels, die overwinterden in Zuid- Afrika en daarbij aan veel gevaren bloot stonden. Ook chemische bestrijding en nattere zomers hebben het aantal grote insecten sterk doen afnemen en het voedsel voor de ooievaars beperkt. Dat er nog steeds ooievaars zijn, is te danken aan Vogelbescherming Nederland, dat in 1969 het ooievaarsdorp "Het Liesveld"

oprichtte. Hier werden ooievaars in gevangenschap gehouden, die minder ver in West-Afrika overwinterden. Succesvolle broedparen werden uitgezet en de jongen die ze daar kregen werden volledig in vrijheid gelaten. Er vliegen nu weer meer dan 300 broedparen vrij rond en er wordt niet meer gefokt. De ooievaar is nog wel een rode lijst soort. Een deel van deze vogels overwintert in Nederland en een deel heeft zijn natuurlijke trek hervat. Voor de reis naar het zuiden moet flink gebunkerd worden. Iemand zag eens een ooievaar binnen een uur 44 muizen, 2 ratten en 1 kikvors verorberen. Voor de terugreis van 10000 km naar het noorden vormen sprinkhanen(plagen) vaak de brandstof.

Waar

In zijn broedgebied leeft de Europese ooievaar van veldmuizen, mollen, kevers, sprinkhanen en andere grote insecten in rijke, bultige graslanden met poelen en sloten. Vooral in Oost-Europa met minder gerationaliseerde landbouw zijn nog veel ooievaars. Elk najaar rekken over de Bosporus nog ca. 500.000 ooievaars naar Afrika.

 ooievaarfazantenlaan

 insectenGewone vliegendoder28 aug 2011augustus

Gewone vliegendoder, 28 aug 2011

 gewonevliegendoder

De meeste mensen krijgen geen positieve gedachten bij wespen. Dat is te "danken" aan de gewone limonade wesp. Dat er duizenden andere wespensoorten in Nederland leven, waar we nooit last van hebben en die een fascinerende verscheidenheid van leefwijzen hebben is niet zo bekend. Wat (de meeste) wespensoorten van bijen onderscheid, is dat zij hun jongen groot brengen met levende prooien, terwijl bijen hun larven voeren met stuifmeel als eiwitbron. Verreweg de meeste wespensoorten zijn sluipwespen. Bijna voor elke soort insect bestaat er wel een gespecialiseerde sluipwespensoort. Daarmee vervullen ze een belangrijke rol in het handhaven van evenwicht in de natuur. Een andere groep wespen bestaat uit graafwespen. Zij ontlenen hun naam aan het feit dat ze gangen graven en deze vullen met 1 of meer prooien, waarbij zij hun eieren leggen. Graafwespen zijn vanwege dit

zware werk meestal nogal groot (2-4 cm). Ook bij deze groep bestaat er een specialisatie naar prooidieren, die in hun namen tot uitdrukking komt: vliegendoders, rupsendoders, spinnendoders, etc. De meeste graafwespen maken nesten in los zand in de zon. Afgelopen week ontdekten we een hele kolonie van graafwespen, die in een diep beschaduwd bos op De Heimanshof tientallen gangen had gegraven.

Bijzonder

De graafwespnesten waren van de gewone vliegendoder. Deze wespen maken holen die loodrecht 30- 40 cm de grond in gaan. Prooidieren zijn vliegen uit de dazen-, wapenvliegen- en snipvliegenfamilies. Afhankelijk van hun grootte, worden er tussen 5-10 vliegen in een nest gebracht. Elk vrouwtje graaft zo"n 10 holen. Om de vliegen te vangen, worden schermbloemigen en vooral berenklauw bloeiwijzen afgezocht, maar ook bij mest wordt er gejaagd. De gewone vliegendoder is een soort die tot diep in oktober actief blijft.

Waar

De gewone vliegendoder is een vrij algemene graafwespensoort. De soort heeft een voorkeur voor open, zandige tot lemige plekken en komt ook voor in stedelijke gebieden.

 plantenPeperkers19 aug 2011augustus

Peperkers, 19 aug 2011

 peperkers

Reeds een aantal malen heb ik in deze column bijzondere soorten behandeld, die gewoon vanuit de auto langs de weg of bij een verkeerslicht bleken te staan. Deze week vonden we weer een dergelijke rariteit en wel bij de oprit van de A4 vanaf de Kruisweg. Deze plek is bij uitstek een plek waar vrachtauto"s uit heel Europa langskomen en zaden kunnen verliezen. De plant leek zo bijzonder dat een aantal deskundigen er eerst zelfs niet achter konden komen, bij welke familie hij hoorde. Maar met enig spitwerk bleek het om een kruisbloemige te gaan, een familie waar ook koolzaad bij hoort. De bloempjes zijn echter zo klein dat, dat niet opvalt. Het bleek te gaan om de peperkers, een soort die zo heet omdat hij een fijne kersachtige smaak heeft, vergelijkbaar met radijs en Oost- Indische kers. In gebieden waar hij veel voorkomt

worden de jonge planten in de sla of als spinazie gegeten. Meestal wordt hij 0.3 - 1 m hoog, maar hij kan ook 2 m hoog worden.

Bijzonder

Peperkers is in Nederland en België zo zeldzaam dat hij op een wettelijk beschermde rode lijst staat. Dat betekent dat plukken of afsnijden een (maximum) boete van �500 kan opleveren. Des te verbazingwekkender is het, dat deze soort in de Verenigde staten als een plaag beschouwd wordt. Een verklaring daarvan kan zijn, dat deze plant vooral in droge hete gebieden heel goed gedijt en zich tot een plaag kan ontwikkelen. De voornaamste reden daarvoor lijkt te zijn dat de plant bijzonder diep (2.5 m!) kan wortelen en vanuit wortels weer opkomt en doorgroeit. Bijna de helft van de biomassa van de plant zit onder de grond.

Waar

Peperkers houdt van zonnige plaatsen op vrij vochtige tot droge, voedselrijke, vaak iets brakke grond. Hij wordt wel gevonden tussen stenen beschoeiingen van IJsselmeerdijken, langs dijken, op droge ruige plaatsen in de duinen en kanaalkanten. De meest bekende groeiplaatsen in Nederland zijn ruigten met brak grondwater langs de Maas. De soort komt in het hele noordelijke halfrond voor.

 vogelsLepelaar13 aug 2011augustus

Lepelaar, 13 aug 2011

 lepelaarnestinboom

Het is niet gebruikelijk in deze column om een zelfde soort 2x te behandelen. Sinds juni 2006 toen de eerste lepelaars in de polder verschenen, die de aanleiding waren voor de 1e column, is er echter veel gebeurd. In die tijd bestond de indruk dat de in de polder foeragerende dieren uit het Naardermeer kwamen. De werkelijkheid bleek later veel opwindender te zijn. De afgelopen 2 jaar krijg ik in de zomer wekelijks meldingen van aantallen oplopend tot wel 20 stuks. Wat is er aan de hand: Lepelaars zijn overwegend grondbroeders, die slechts in een paar landen buiten Nederland voorkomen. Belangrijke kolonies leven er in het Naardermeer, de Wadden en de Oostvaardersplassen. Door o.a de toename van de vos worden veel lepelaarjongen niet volwassen. Mogelijk in reactie daarop, hebben sommige lepelaars zich aangepast door in bomen te gaan

broeden. Rond 2006 hebben zich een aantal lepelaars opgedrongen in een reigerkolonie net buiten de Haarlemmermeer bij Haarlem. In 2009 waren er 5 nesten, in 2010 8 en dit jaar zijn 14 reigerparen van hun nest verdreven. Bij een bezoek aan deze kolonie dit voorjaar konden we constateren dat alle nesten 2-4 bijna volwassen jongen telden. Bij gemiddeld 3 jongen zouden er dus wel 42 jongen grootgebracht zijn! Het zijn een deel van deze lepelaars (vooral als de jongen zelf kunnen vliegen) die hun voedsel gaan zoeken in de Haarlemmermeer. Daarbij hebben ze een voorkeur voor ondiepe sloten en vaarten. Vroeger waren deze er nauwelijks in de polder, maar tegenwoordig worden er steeds meer natuurvriendelijke oevers aangelegd, die voor lepelaars geschikt lijken.

Bijzonder

In het wandelbos in Hoofddorp is ook een reigerkolonie. In juli dit jaar is er geconstateerd dat er een lepelaar op een van deze reigernesten was neergestreken. Dat zou kunnen betekenen dat een of meer exemplaren de situatie daar aan het verkennen zijn en dat ze volgend jaar ook in de polder komen broeden! Laten we hopen dat deze ontwikkeling zich doorzet.

 insectenEikenbladwesp11 aug 2011augustus

Eikenbladwesp, 11 aug 2011

 eikenbladwesp

Eiken zijn bomen die al heel lang in deze regio groeien. Hoe langer een soort ergens voorkomt, hoe meer andere soorten de neiging hebben om de mogelijkheden van die soort te benutten. De eik is daar een perfect voorbeeld van. Er leven honderden soorten met en van de eik. Bv. de Vlaamse gaai en de bosmuis verspreiden zijn eikels. Een paar honderd soorten schimmels leven samen met zijn wortels en krijgen suikers geleverd en zorgen zelf voor mineralen in retour. Ook het legioen insecten dat in en van de eik leeft is groot de vliegend hert larve en boktorren leven in zijn hout en wel 40 soorten galwespen hebben ontdekt dat het veilig toeven is in zwellingen (gallen) die zij produceren door het uitscheiden en inspuiten van een plantenhormoon: de buitenkant van die gallen is een veilige harde beschermlaag en de binnenkant is zacht en geschikt als voedsel voor de larve. En dan zijn

er ook nog tientallen tot honderden kevers en (nacht) vlinders, die van de eikengastvrijheid ge- en misbruik maken.

Bijzonder

De meeste wespen brengen hun larven groot met dierlijke prooien. Daarmee zijn wespen belangrijke plaagbestrijders. Maar in de natuur zijn er altijd uitzonderingen. Bij een heel andere groep wespen, die bladwespen genoemd worden, voeden de larven zich met plantendelen en kunnen bij massaoptreden vooral in rozen en in elzen economische schade veroorzaken. Op de eik komt een groep wespen voor waarvan de larven er uitzien als een kleine naaktslak. Vanwege hun uiterlijk worden ze ook wel bastaardrupsen genoemd. Zij hebben zich gespecialiseerd in het "skelletiseren" van bladeren, d.w.z. zij ontdoen het blad van alle cellen met bladgroen en laten alleen bovenste doorzichtige beschermlaag intact. Je vindt die larfjes door goed op deels licht verkleurende eikenbladeren te letten. Als je die om draait zie je groepjes larven zoals op de foto.

Waar

Eikenbladwespen zijn gebonden aan het voorkomen van eiken in de gematigde loofbossen van het noordelijk halfrond.

 plantenBitterling4 aug 2011augustus

Bitterling, 4 aug 2011

 bitterling

Er komen in Nederland ca 1400 wilde zaadplantensoorten (inclusief grassen) voor. Een paar honderd soorten daarvan domineren het landschap op de meeste plaatsen en dat zijn meestal de soorten van voedselrijke omstandigheden. Want die zijn in Nederland als rivierdelta alom tegenwoordig. Verreweg de meeste soorten hebben een beperkte verspreiding omdat zij zich toegelegd hebben op een speciale combinatie van groeiomstandigheden. En een zeer groot aantal van deze soorten zijn ronduit zeldzaam of bedreigd in hun bestaan. Voedselarme en extreme milieus zijn daarom vaak interessant en soortenrijk. Voor veel bijzondere soorten is ook belangrijk dat groeiomstandigheden zich rustig kunnen ontwikkelen en dus dat er niet om de haverklap grondwerken worden uitgevoerd. Gelukkig zijn wij ook in de Haarlemmermeer gezegend met een aantal gebieden, die niet al te voedselrijk zijn.

Ook het zout en kalk(schelpen) in onze bodems zijn floristisch gezien vaak verrijkende factoren. Een van die potentieel soortenrijke gebieden die zich gestaag ontwikkelen, ligt in het Groene Carré Zuid en met name in de orchideeënweide rond de amfibieënpoel. Daar dook vorig jaar een uiterst zeldzame soort op, die zich dit jaar weer verder uitbreidde: de bitterling.

Bijzonder

De bitterling is een 50 cm hoge blauwgroene plant met heldergele bloemen. Er bestaan 2 ondersoorten. De inheemse herfstbitterling is zeer zeldzaam en valt in de hoogte categorie van wettelijk beschermde (en dus bedreigde) rode lijst soorten. De zomerbitterling is ook heel zeldzaam, en komt voor bij Amsterdam en op Voorne. De Groene Carré bitterlingen zijn zomerbitterlingen.

Waar

Bitterling houdt van zonnige, open plaatsen op vochtige, voedselarme, kalkrijke, humusarme grond (zand met veel schelpgruis). De soort komt daarom vooral in duinvalleien en voormalige strandvlakten. Het is een zuidelijk soort die in Nederland op de noordelijke rand van zijn verspreidingsgebied leeft.

 plantenGuichelheil28 jul 2011juli

Guichelheil, 28 jul 2011

 guichelheilrood

Guichelheil is een interessante plant. Vaak is zijn Engelse naam: Scarlet pimpernel bekender. Die naam verwijst naar de felrode kleur van de meest algemene van de 3 soorten guichelheil die in ons land voorkomen: de rode guichelheil. De blauwe guichelheil is net zo mooi helder blauw als de rode rood is. En dan is er nog teer guichelheil, die een prachtig roze tapijt van bloemetjes vormt. Rood guichelheil is vrij algemeen op kleiakkers en open terreinen en doet het ook goed in tuinen. Alle drie de soorten bloeien in de zomer. De bloemen staan niet open bij bewolkt, regenachtig weer en ook meestal niet voor 8 uur "s morgens en na 3 uur "s middags. Dat lijkt te wijzen op een grote voorkeur voor warm zonnig weer of op een aanpassing aan bestuivende insecten die alleen dan actief zijn. Rood guichelheil

is behoorlijk giftig en kan als hij nog niet bloeit met vogelmuur (wit bloemetje) verward worden wat wel eetbaar is.

Bijzonder

Alleen al de naam guichelheil maakt nieuwsgierig. Guichelen is een oud Nederlands woord dat refereert naar goochelen, gekkigheid maken of dol worden. En heil verwijst natuurlijk naar een geneeskrachtige werking. Het lijkt er op dat dit plantje zijn naam ontleent aan het feit, dat het in het verleden wel gebruikt werd als een (behoorlijk riskant) geneesmiddel tegen hondsdolheid.

Waar

Rood guichelheil komt in geheel Europa voor op bouwland, langs wegen en op onbebouwde plaatsen. Deze soort is in Nederland vrij algemeen, vooral op klei en löss en komt bijna niet voor op (zure) veengrond. Teer guichelheil is zeer zeldzaam en ook wettelijk beschermd als rode lijst soort. Het groeit vrijwel alleen nog op Texel in natte duinvalleien. Zowel rood als teer guichelheil kan op De Heimanshof worden aangetroffen. Rood guichelheil ook elders in de polder op akkers. Blauw Guichelheil komt voor in graanvelden op vochtige, kalkrijke grond. Sommige jaren verschijnt er een exemplaar in De Heimanshof. Het plantje is niet erg winterhard.

 plantenMuurpeper21 jul 2011juli

Muurpeper, 21 jul 2011

 muurpeper

De randen van snelwegen zijn vaak voedselarm en er komt vaak extra veel water (aan de afwaterkant) of juist heel weinig (aan de hoge kant). En gladheid bestrijding levert een extreem hoge concentratie aan zout. Kortom, een snelwegrand kan een vrij extreem biotoop zijn en dus kunnen er leuke planten en dieren voorkomen die zich bij dit soort vrij ongewone omstandigheden nog thuis voelen. Op dit moment van het jaar vallen er grote stroken lage felgele plantjes op. Deze lage vetplantjes heten muurpeper omdat ze scherp smaken. Muurpeper kan 10 cm hoog worden, maar wordt meestal niet hoger dan 5 cm. Daardoor raken ze op de meeste plaatsen snel overgroeit door andere planten. Op muren met een minimale grondlaag er op en op extreem arme en/of zoute plekken, waar andere planten niet kunnen gedijen, daar

kunnen ze zich handhaven.

Bijzonder

Vetplanten zijn planten met vlezige bladeren die weinig water verdampen bij droogte en hitte. Ze hebben een dikke huid met daarop nog een waslaagje. Muurpeper gaat daarbij nog een stapje verder: door overdag zijn verdamping volledig stil te leggen (huidmondjes gesloten) verliest de plant maar heel weinig water. Probleem is dan wel dat de plant ook geen CO2 kan opnemen (iets wat overdag moet gebeuren). Muurpeper lost dit op, door "s nachts CO2 op te nemen en dit als appelzuur op te slaan in zijn bladeren. Dit appelzuur samen met andere stoffen geeft de scherpe "peper"smaak. Deze smaak is daarom "s morgens sterker dan "s avonds, want dan is het appelzuur weer omgezet. Muurpeper wordt dikwijls in tuinen als bodembedekker voor en ook als onderdeel van groene daken. Als ze in de zon staan kunnen ze overvloedig bloeien en veel insecten aantrekken. Muurpeper herstelt zich makkelijk bij beschadiging. Uit alle afgebroken stukjes en bladeren kunnen nieuwe plantjes ontstaan.

Waar

Muurpeper komt voor op droge zandgrond, tussen stoeptegels langs kaden, muren en vaak op kalkhoudende grond.

 vlindersWitvlakvlinder 3 mannetje14 jul 2011juli

Witvlakvlinder 3 mannetje, 14 jul 2011

 witvlakvlinder3man

Direct nadat een vrouwtje uit de pop komt, begint zij met het verspreiden van feromonen (sekslokstoffen). Deze worden door de mannetjes met hun sterk geveerde voelsprieten opgemerkt (zie foto). Door tegen de wind in te vliegen en zo een steeds hogere concentratie van de feromonen te meten, zijn de mannetjes in staat om de vrouwtjes al van grote afstand te vinden. Meestal paart een wijfje al binnen een kwartier nadat zij ontpopt is. Doordat witvlakvlinders kort leven is het van belang om alle eitjes zo snel mogelijk af te zetten. Bij soorten die wel voedsel kunnen opnemen zijn de eitjes vaak nog niet volledig ontwikkeld als het wijfje uitkomt. Deze strategie zie je vooral terug bij soorten die afhankelijk zijn van één voedselplant (en van deze soort dus verschillende exemplaren moeten zoeken). Iedere strategie heeft zijn voor-

en nadelen. Een van de voordelen van de levensstrategie van de witvlakvlinder is dat er veel grote eitjes met veel reservevoedsel afgezet kunnen worden in korte tijd. Wanneer de omstandigheden ongunstig zijn, kan de rups toch overleven doordat het ei veel reservevoedsel bevat. Omdat de eitjes in een korte periode afgezet worden, is de kans dat ze sneuvelen, doordat bijvoorbeeld het vrouwtje opgegeten wordt, relatief klein. Nadelen zijn dat de eitjes niet op een geschikte plek afgezet worden en dat de eitjes niet verspreid worden, maar allemaal op dezelfde plek terechtkomen. De levenswijze van de rupsen is afgestemd op deze manier van ei-afzetten. De rups is niet kieskeurig, verspreid zich met de wind en eet van veel loofbomen en struiken, waaronder berk, hazelaar en wilg. Hierdoor is de kans op het vinden van geschikt voedsel erg groot.

Waar

De witvlakvlinder kotm voor van van Noord-Spanje, via heel West- en Midden-Europa tot in Oost-Azië. In het zuiden in Italië en op de Balkan; Naar het noorden tot IJsland en Scandinavië, ook boven de poolcirkel. In Canada en Chili is hij met mensen meegereisd.

 vlindersWitvlakvlinder 1 rups25 jun 2011juni

Witvlakvlinder 1 rups, 25 jun 2011

 wtvlakvlinder1rups

Uit Nieuw-Vennep kwam de melding van de zeer fraaie op de foto afgebeelde rups. Vanwege het exotische uiterlijk en het feit dat deze op een paprikaplant was aangetroffen dacht ik in eerste instantie aan een buitenlandse soort. Tot mijn niet geringe verrassing kon prof. Ernst, die mij al eerder bij lastige insectenvragen geholpen heeft, de rups thuisbrengen als een Nederlandse nachtvlinder: de witvlakvlinder. Deze vlinder is niet zeldzaam, maar uit de Haarlemmmermeer is hij niet eerder gerapporteerd. Mijn zoektocht naar wetenswaardigheden leverde genoeg materiaal op voor 3 columns. De vlinders vliegen van mei tot ver in oktober. Normaliter vindt de overwintering plaats in het ei-stadium, maar soms ook in het popstadium.

Bijzonder

Veel mensen denken

bij vlinders zelden aan de rups, maar je kunt de vlinder ook zien als de manier van de rups om zich voort te planten. De rupsen van de witvlakvlinder zijn in staat om zich over vele honderden meters te verspreiden. Ze maken hierbij gebruik van de wind. Pas uitgekomen rupsjes hebben al lange haren en beginnen direct na het uitkomen met het spinnen van lange draden. De rupsjes laten zich aan deze draden, als een soort pluisjes, meevoeren door de wind en verspreiden zich op die manier. Bij de witvlakvlinder is het opvallend dat de eitjes niet allemaal tegelijkertijd uitkomen; sommige eitjes komen al enkele weken na de bevruchting uit, andere pas vele weken later. Dit is een voorbeeld van risicospreiding. De rupsen van de familie van de donsvlinders, waartoe ook de witvlakvlinder behoort, hebben allemaal op segment 6 en 7 van het achterlijf aan de rugzijde een klier. De functie van deze klier is onbekend. Het zou met afweer tegen predatie te maken kunnen hebben. Ook wordt gedacht dat de klieren een stof produceren die voor verharding van de haren zorgt, wat weer gunstig zou zijn voor de windverspreiding. Het is in ieder geval opmerkelijk dat de klieren uitgestulpt worden bij aanraking. Volgende week deel 2

 vlindersWitvlakvlinder 2 vrouwtje21 jun 2011juni

Witvlakvlinder 2 vrouwtje, 21 jun 2011

 witvlakvlinder2vrouw

Deel 2 van 3: Bij sommige soorten vlinders vindt verspreiding plaats in het rupsstadium en is de volwassen vlinder alleen verantwoordelijk voor het maken van nageslacht. Bij de witvlakvlinder is deze strategie zeer ver doorgevoerd. Volwassen witvlakvlinders kunnen geen voedsel opnemen omdat zij geen bruikbare roltong meer hebben. Ze teren op de vetreserves die in het rupsstadium zijn opgebouwd. De vrouwtjes zijn ook nog eens vleugelloos en hebben een dermate dik lichaam - vol met eitjes - dat ze zich nauwelijks kunnen verplaatsen (zie foto) . Het verspreiden van de eitjes door de vrouwtjes is hierdoor onmogelijk. De plek waar de eitjes afgezet worden, moet niet alleen voldoende bescherming bieden aan de eitjes, maar later ook voedsel en bescherming aan de jonge pas uitgekomen

rupsjes. De meeste vlindervrouwtjes zijn erg kieskeurig als het gaat om geschikte ei-afzet locaties. Er zijn ook soorten die het minder nauw nemen en de eitjes bijvoorbeeld gewoon tijdens de vlucht uitstrooien boven de vegetatie. Vrouwtjes van de witvlakvlinder zetten meestal alle eitjes af op de cocon waar ze uitgekomen zijn en beginnen daar al vrij snel na de paring mee. Wat direct opvalt bij deze eitjes is dat ze groot zijn voor een vlinder en ook dat er veel eitjes worden afgezet. Grote eitjes bevatten meer reservevoedsel en daardoor kan het uitgekomen rupsje enige dagen zonder voedsel overleven. Nadeel van grote eitjes is natuurlijk dat er minder eitjes in het lichaam van het vrouwtje passen. Ook neemt het vliegvermogen sterk af naarmate er meer (zware) eitjes in het lichaam worden meegedragen. Bij de sommige vlinders zijn vrouwtjes zo zwaar dat zij de eerste lading eitjes meestal klakkeloos afzetten (om gewicht te verliezen) en daarna pas vliegend op zoek gaan naar echt geschikte locaties om de overige eitjes af te zetten. Dergelijke strategieën zie je vooral terug bij kortlevende vlindersoorten die niet over een werkende roltong beschikken.