bovenfoto

Columns:

Sinds april 2006 is er elke week de natuurcolumn 'Ontdek de Flora en Fauna van de Haarlemmermeer' verschenen in de Hoofddorpse Courant.
Deze column heeft ten doel belangstelling voor de verrassende verscheidenheid van planten en dieren in onze leefomgeving te wekken.

 

Hieronder staat de column van deze week en daar onder kunnen alle tot dusver verschenen columns opgevraagd worden. U kunt deze selecteren en sorteren op categorie, onderwerp, het jaar en de tijd van het jaar. Combinaties zijn ook mogelijk. Ga naar de oudere columns

florafauna

Lenteklokje, 17 feb 2018

 lenteklokje

Lenteklokje

Hoewel het nog winter zou moeten zijn, is het in de natuur al volop voorjaar. De vroege sneeuwklok is zelfs al uitgebloeid en is bezig zaad te maken, de gewone sneeuwklokken bloeien massaal, net als de winterakonieten en afgelopen week zijn ook de wilde en de grootbloemige krokussen massaal in bloei gegaan. Al deze soorten zijn wel bekend en maken het een lust voor het oog om naar buiten te gaan. Maar er zijn nog veel meer soorten die nu in bloei komen en die de moeite van het ontdekken waard zijn. Een daarvan is een van mijn favorieten: het lenteklokje. Hoewel de soort officieel ergens verwant is aan de narcis, doet hij een aan een grote sneeuwklok denken. Z’n bladeren zijn niet blauwgroen zoals bij de meeste sneeuwklokjes, maar donkergroen en z’n bloem is niet zo samengedrukt langwerpig maar staat breed uit (foto). Ook het lenteklokje is een stinsenplant die uiteen bolletje groeit waardoor

hij op reserve stoffen kan teren en minder van de warmte van de zon afhankelijk is om te groeien.

Bijzonder

Het lenteklokje heeft 1 verwante soort: het zomerklokje wat in mei bloeit en graag heel vochtig staat. Het is bijna een moerasplant. Het lenteklokje wordt 20-30 cm hoog en heeft 1 bloem per bloeistengel, maximaal 2 en het zomerklokje kan wel 60 cm hoog worden en heeft verschillende bloemen per bloei stengel. Hoewel het lenteklokje heet, bloeit deze soort in de winter in februari. Z’n bloem is fraai en bestaat uit 6 bloembladen, waarvan er 3 eigenlijk kelkbladen zijn, maar die zijn niet van de kroonbladen te onderscheiden. En elke bloemblad heeft een maanvormige groene vlek.

Waar

Het lenteklokje groeit in de strooisellaag van bossen en het liefst op voedselrijke en ietwat vochtige plekken. Oorspronkelijk kwam het ook in Nederland als wilde soort voor, maar dat is al lang verleden tijd. Maar als stinsenplant in landgoederen en in natuurtuinen is hij hier en daar wel te vinden. In de Heimanshof bloeit hij op dit moment massaal.

In Midden Europa komt de soort nog wel in het wild voor.





Meldingen van bijzondere dieren en planten kunt u doorgeven aan info@stichtingmeergroen.nl .

Persoonlijk kan Franke van der Laan u te woord staan op werkdagen tussen 9:00 en 12.30
en op woensdag tot 17:00 uur bij De Heimanshof, Wieger Bruinlaan 1-7 in Hoofddorp.


Oudere columns:

 

SELECTIEMENU; selecteer op:

categorie
en/of
titel zoekterm

Zoek op titel, vul (een
gedeelte ervan) in:

en/of
maand
en/of
jaar
 
 

SORTEREN: klik op de kopjes in de titelbalk om de sortering te veranderen

 

Blz [ 11 ] Ga naar vorige<<… 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 …>> volgende

thumb

categorie: titel: datum: maand:

open/dicht

 plantenGlanshaver22 jun 2013juni

Glanshaver, 22 jun 2013

 glanshaver

Vorige week was de langste dag en daarmee was het begin van de zomer een meteorologisch feit. Met alle koude weken van dit voorjaar is het ecologisch nog niet zo ver. Ook het voorjaar begon dit jaar niet op 21 maart maar pas rond 10 april. Dat was namelijk het moment dat de honderd duizenden Tjiftjafjes die in Zuid- Europa en Noord-Afrika overwinterd hadden, zich weer in elke tuin meldden. Voor mij is dat het echte begin van de lente (dat in veel jaren wel samenvalt met 21 maart) net zoals het rijp en geel worden van de glanshaver voor mij het echte begin van de zomer is.

Bijzonder

Glanshaver is een hoog tot zeer hoog gras dat van rijke klei en leembodems houdt. Wellicht is het leuk om eens op te letten als u over de N201 (rondweg Hoofddorp) rijdt van de A4 naar het ziekenhuis. De bermen van de A4 tot de brandweer zijn

van het ’rijke’ type. In die bermen domineren dicht op elkaar staande 1-1.5 m hoge grassen zoals glanshaver en kropaar, terwijl van de brandweer tot het ziekenhuis de grond arm en zandig is. Daar zijn de grassen maximaal een halve meter hoog en staan ver uit elkaar met daartussen fel groene vlinderbloemigen zoals rolklaver, die hun eigen ‘kunstmest’ aanmaken. In de komende weken voltooit glanshaver (vroeger heette deze soort Frans raaigras) zijn levenscyclus. Op dit moment bloeit de soort en binnen 2-3 weken wordt zaad gevormd en wordt deze soort geel. Met zijn 1-1.5 m steekt deze soort boven alle kruiden en andere gewassen uit en domineert als zij geel wordt het visuele beeld. Let u maar eens op. Jammer genoeg worden vele bermen massaal gemaaid, zodat u dit verschijnsel niet kunt waarnemen. maar er blijven altijd genoeg bermen over voor de oplettende waarnemer. En in De Heimanshof kunt u het altijd komen ervaren (hoewel we ook daar deze hoge grassen in veel biotopen met de hand verwijderen)

Waar

Glanshaver is een algemeen gras van rijke en matig voedselrijke bodems in heel Europa, Noord-Afrika en Noord-Amerika.

 plantenKlaproos (2) 16 jun 2013juni

Klaproos (2) , 16 jun 2013

 klaproos2.

Er bestaat geen onkruid: Elke plant heeft wel een voedingswaarde, een medicinale waarde of een essentiële rol in een ecosysteem. Alle klaproossoorten bevatten bv een melksap met een opwekkende of rustgevende werking, al naar gelang de dosis. Als dit sap ingedroogd is en verzameld wordt, heet dit opium. Alleen de ene soort en variëteit bevat er veel meer van dan een andere. In Nederland verbouwen we naast de wilde klaproos de slaapbol, die niet honderden maar duizenden zaadjes per bloem produceert (foto). En klaproos zaadjes zijn niets anders dan maanzaad. Een andere variëteit van dezelfde slaapbolsoort die in Afghanistan wordt gebruikt, produceert veel sap waar daar opium van wordt gewonnen. Ook van de slaapbol en de wilde klaproos kan dit gewonnen worden (inzet). Alleen kost het nog 100-1000 keer zoveel moeite als het in Afghanistan al kost. Maar het is wel leuk om met kinderen

in hun groentetuin het principe uit te legen en ze het intens bittere sap te laten proeven. Dan zijn ze meteen genezen van mogelijk ongezonde intenties.

Alle klaprozen hebben een ingenieus zaadsysteem. De zaaddozen hebben deurtjes die pas open gaan als de zaadjes rijp zijn. En verder is elk zaadje voorzien van een suikerkorreltje: Om dat ‘mierenbroodje’ slepen insecten vele meters met die zaadjes.

Waar

Klaprozen zijn pioniersoorten van tijdelijk kale gronden. Zowel op rijke als op arme gronden komen ze voor. Indien niet door kunstmatig ploegen en/of frezen de kale akkeromstandigheden elk jaar opnieuw worden gecreëerd is in het tweede seizoen al 80% van de exemplaren weg en na 2 jaar vrijwel alles. En dat doen we daarom elk jaar in onze akkerkruiden weiden in Overbos, Floriande, Houtwijkerveld en De Heimanshof. De komende weken loont het de moeite om daar eens langs te fietsen en te wandelen, naast de klaprozen bloeien er nog 10 - 20 andere soorten uitbundig: eigen aan hun pioniersbestaan. De slaapbol is een gekweekte klaproos die ook op akkers in de Haarlemmermeer wordt verbouwd.

 plantenKlaproos (1)9 jun 2013juni

Klaproos (1), 9 jun 2013

 klaproos1

Als deze column verschijnt zijn overal de klaprozen massaal in bloei gegaan.

Bijv. in de 6 ha bloemen weides in Overbos, Floriande, Haarlemmermeerse Bos, Houtwijkerveld en het Groene Carré, die sinds 2009 door de Heimanshof /Stichting MEERGroen i.s.m. de gemeente en Recreatieschap Spaarnwoude ingezaaid zijn. En natuurlijk ook in De Heimanshof zelf.

Er komen wereldwijd ca 60 soorten voor, waarvan een vijftal in Nederland. De grote klaproos is het meest bekend is (foto). Daarnaast bestaan er ook de kleine, de ruige, de bleke en de bastaard klaproos en de slaapbol.

In de natuur kunnen planten en dieren alleen voortbestaan als ze onder bepaalde condities sterker zijn dan alle andere. Bij planten is een van de strategieën daarbij of je een ‘sprinter’ of een ‘stayer’

bent.

Een stayer is een plant die langzaam maar onstuitbaar groeit en iedereen er uitdrukt. Kweekgras of het beruchte zevenblad zijn bij uitstek soorten met een stayeraanpak.

De klaproos is bij uitstek een voorbeeld van de sprinters. De plant groeit uit een minuscuul zaadje, vooral op (door de mens) kaal gemaakte plekken waar de concurrentie van andere soorten is weggeploegd of -gefreesd. Een klaproos kan op vruchtbare grond 1 x 1 x 1 m groot worden en krijgt daarbij honderden bloemen die allemaal honderden zaden maken. Deze zaden kunnen tientallen jaren in de grond blijven (omdat ze veel olie bevatten) om bij geschikte omstandigheden weer in groei te exploderen.

De klaproos is mijn favoriete voorbeeld om aan te tonen dat er geen onkruid bestaat in de natuur. Onkruid is nl. een denigrerende term vanuit menselijk nutsdenken. En elke plant die bestaat heeft net zo goed zijn plek onder de zon verdiend als wij mensen zelf. Dat neemt niet weg dat we in een groentetuintje van 1.5 bij 4 m niet 10.000 klaprozen willen. Eentje is leuk en vrolijk en de andere 9999 zijn daarom ongewenst. Maar op een andere plek kunnen zij wel degelijk een rol vervullen en daarom zijn zij geen onkruid. Volgende week verder.

 plantenTripmadam1 jun 2013juni

Tripmadam, 1 jun 2013

 tripmadam

Achter de intrigerende naam tripmadam schuilt een vetplant uit het geslacht van de sedums of vetkruiden. Dit geslacht kent nog meer illustere leden, zoals de hemelsleutel, wit vetkruid, huislook en muurpeper. De naam tripmadam is een verbastering van de Franse naam Triquemadame. Deze naam en ook de Latijnse naam ‘reflexum’ refereren aan het feit dat het nog niet bloeiende plantje een kenmerkende knik in het topgedeelte heeft(hoofdfoto) . Zodra tripmadam bloeit met heldergele bloemen richt deze knikkende top zich op (inzet). Ik kwam dit plantje tegen op de sedum daken die in de ‘antroposofisch’ gebouwde wijk in Toolenburg veel voorkomen (bv Rosa Spiers straat).

Bijzonder

Tripmadam is een laag liggend vetplantje, waarvan de opgerichte bloeistengels

35-40 cm hoog kunnen worden. Het is in het wild uiterst zeldzaam in Nederland, omdat het een voorkeur heeft voor voedselarme kalkrijke stenige terreinen. En in ons modderige delta land zijn die dun gezaaid. Net als andere Sedums, zoals muurpeper, is Tripmadam eetbaar zolang het niet bloeit en dat is het grootste deel van het jaar, want het is een vorstbestendige altijd groene plant die het hele jaar doorgroeit. Bloeien doet het alleen tijdens de (hele) zomer. Het wordt in salades verwerkt en heeft net als muurpeper een peperachtige smaak.

Waar

De Duitse naam rotsmuurpeper geeft aan dat tripmadam houdt van stenige voedselarme groeiplakken (inzet foto). Bij rijkere grond kan deze soort niet concurreren tegen hoger opgaande grassen en kruiden. Ook op schrale zandgronden kan het een mooie grondbedekker zijn. Zoals reeds aangegeven wordt de soort toegepast op groene daken en in rotstuinen. Ook op De Heimanshof kan tripmadam het hele jaar door aangetroffen worden in muurvegetaties en op natuurmuren. Het verspreidingsgebied loopt van Zuid-Noorwegen en Ierland tot in Rusland en in Zuid-Europa tot het zuiden van Italië en Griekenland.

 vogelsOeverloper25 mei 2013mei

Oeverloper, 25 mei 2013

 oeverloper

Vorige week hebben we de kluut besproken. Dit is een van de grotere soorten steltlopers. Deze week liep ik een aantal keren tegen een oeverloper op. Dat is een van de kleinere soorten. De oeverloper heet niet voor niets zo. Hij fourageert langs de oevers van sloten , meren en plassen. Ik zag een aantal langs het kanaal achter het Groene Carré en voor het eerst een achter mijn huis langs de Geniedijk in Hoofddorp.

Veel onervaren vogelaars verbazen zich erover hoe een ervaren vogelaar op grote afstand zo trefzeker soorten kan herkennen. De oeverloper is een soort waarbij dat op grote afstand kan. Ten eerste maakt hij een zeer karakteristiek ‘tjiewiewie’ geluid en verder vliegt hij altijd op een zeer kenmerkende manier weg: namelijk laag over het water in bochtjes langs de oever met karakteristiek laaggehouden trillende vleugels. Er is geen

andere vogel die dit zo doet. Als je hem ergens foeragerend aantreft, doet hij dat ook heel karakteristiek, met een permanent nerveus wippend achterlijf.

Bijzonder

De oeverloper zoekt zijn voedsel aan de rand van kleine modderpoelen, waterplassen en meren waar hij kleine insecten uit de bodem haalt. Hij vangt soms kleine insecten uit de lucht. De oeverloper nestelt op de grond in de buurt van zoetwater. Als er een dreiging is, klimmen de jongen op de rug zodat ze in veiligheid gebracht kunnen worden doordat de moeder ze naar een andere plek vliegt.

Waar

De oeverloper zoekt zijn broedseizoen altijd langs beken, rivieren en meren, meestal met rotsachtige oevers. Op trek is hij op veel plekken aan te treffen. De oeverloper broedt vooral in Scandinavië en Oost-Europa en slechts bij hoge uitzondering in Nederland. Op weg naar het overwintergebied rond het Middellandse zee gebied trekken veel vogels door Nederland, een klein aantal vogels blijft in Nederland overwinteren. In de Haarlemmermeer is de soort regelmatig aan te treffen langs sloten en vaarten met ondiepe oevers zoals langs het Groene Carré Zuid.

 vogelsKluut19 mei 2013mei

Kluut, 19 mei 2013

 kluut

Steltlopers zijn vogels met relatief lange poten en lange snavels die als voorkeurs leefgebied (vochtige) weilanden, slikken en wadden hebben. Er zijn tientallen soorten steltlopers. Een aantal soorten zijn ook in onze polder regelmatig te zien, zoals de kievit en de scholekster. Onze Haarlemmermeerse klei is voor de meeste soorten echter meestal te hard om er hun voedsel te kunnen vinden. Toch trekken er veel soorten door met name in het voorjaar en nazomer. En in bepaalde speciale terreinen blijven ze nog wel eens hangen en broeden. Zo ligt er vlak bij de A4 op het Groene Carré Zuid een ondiepe plas, waar vogels met lange poten net kunnen waden. Op die plek zitten elk jaar groepen kluten, die op de eilandjes waar mogelijk ook broeden.

Bijzonder

De kluut is in een aantal opzichten een bijzondere verschijning. Zijn smetteloos zwart

met witte veren kleed is bijzonder fraai, en contrasteert mooi met bijna blauwe poten en zijn snavel heeft een bijzonder vorm (zie foto). Met deze omhoog gebogen snavel foerageren ze het liefst in water met een fijne sliblaag, waar ze met deze snavel op een kiertje open, doorheen maaien. Zodra er een garnaaltje of iets dergelijks naar binnen zwemt, klapt de kluut haar snavel direct dicht. De kluut jaagt zowel op zicht als op gevoel.

Waar

In Nederland is de kluut tijdens het broedseizoen voornamelijk langs de waddengebieden zoals het Lauwersmeer aanwezig. De soort overwintert langs de kust van de Middellandse Zee en de Atlantische kust van Frankrijk en Portugal en een deel in de Westerschelde. Buiten broedseizoen tref je ze ook aan bij ondiepe open waterplekken met modderige bodems in het binnenland. De kluut broedt in kolonies, meestal op zanderige vlaktes, moerassige weilanden, opspuitterreinen, etc., meestal bij water (ook brak en zout). De grootste kans om kluten te zien in de Haarlemmermeer is bij de ondiepe poelen van het Groene Carré (de ‘bulten’ in het akkerland tussen de A4 en het Haarlemmermeerse Bos langs de rondweg Hoofddorp).

 bomenIepenzaad12 mei 2013mei

Iepenzaad, 12 mei 2013

 iepenzaad

Deze week vraag ik niet uw aandacht voor een soort, maar voor een verschijnsel. Half tot eind mei zijn we allemaal in voorjaarstemming en dan dwarrelen er opeens kruiwagers vol aan ‘dode’ bladeren van de bomen. Veel mensen schrikken daarvan. Indien je goed kijkt en weet wat er speelt, hoeft dat niet. In vele gevallen is dit ‘bruine’ blad namelijk van de zaden van iepen (zie foto) . Alle soorten iepen (veldiep, Hollandse iep, gladde iep, bergiep, goudiep, etc) kennen dit verschijnsel. Iepen bloeien namelijk al in maart met vrij onopvallende rode bloemetjes. In de loop van april en mei lijkt de iep dan in blad te komen, maar dit zijn de groene vliesjes die om de zaden zitten. Deze vliesjes geven de zaden ‘vleugels’ zodat ze verder mee waaien met de wind. De iep heeft dus nog geen blad, maar zit wel vol met zaden. Zo omstreeks half mei rijpen de zaden af, worden

bruin en vallen af. In een goed jaar kunnen de zaden zo massaal geproduceerd worden dat de hele straat vol waait met grote hopen. Pas dan gaat de iep blad maken.

Bijzonder

Het kenmerk van alle iepenbladeren is, dat ze een scheve bladvoet hebben en een gezaagde rand die eindigt in een punt. Een scheve bladvoet betekent dat links en rechts van het steeltje het blad niet op dezelfde plek begint. En verder hebben alle iepen een karakteristieke ‘visgraat’ manier om zowel hun bladeren en hun jonge takken te plaatsen. D.w.z. zowel de takken als de bladeren staan in hetzelfde vlak strak in een regelmatig patroon.

Waar

Vroeger groeiden iepen in dichte bossen in Europa op vruchtbare grond. Die bossen zijn er niet meer omdat die grond ingenomen is door landbouw. De iep is een majestueuze boom met hele gunstige eigenschappen voor een stedelijk omgeving. Zijn takken breken niet bij storm (autolak!), zijn wortels zijn oppervlakkig en wrikken geen rioolpijpen open. Daarom vinden we heel veel iepen in steden. Jammer dat sinds 1919 tot 3x toe een iepenziekte plaag 90 % van de iepen heeft uitgeroeid.

 plantenKievitsbloem5 mei 2013mei

Kievitsbloem, 5 mei 2013

 kievitsbloem

De kievitsbloem is een in het wild in Nederland zeer zeldzaam voorkomend bolgewas. De bloem komt voor met paars geblokte of witte bloemblaadjes. De planten doen er 4-8 jaar over om in bloei te komen. De zaden zijn relatief groot en verspreiden zich drijvend op het water. De plant heet voor z′n verspreiding van de zaden volledig afhankelijk te zijn van overstromingen en een hoge waterstand in de winter. Echter in en om De Heimanshof verschijnen kievitsbloemen vaak spontaan op allerlei plekken in bos en bosranden. Misschien slepen mieren ook met zaad. De kievitsbloem kwam veel voor in voedselarme blauwgraslanden in het Groene Hart en werd daar ook wel veentulp genoemd. De naam kievitsbloem komt van de overeenkomst van de paarse bloem variant met de kleur van kievitseieren. Men kwam de kievitsbloemen in het weiland

tegen als men naar kievitseieren zocht.

Bijzonder

De kievitsbloem werd als bloemgewas al vroeg gewaardeerd. Rond 1820- 1830 werden er zoveel ‘veentulpen’ geplukt dat mensen zich gingen realiseren dat deze gewaardeerde wilde plant wel eens zou kunnen uitsterven. De allereerste natuurwet die in Nederland werd uitgevaardigd ging dan ook over de bescherming van de kievitsbloem. Nog steeds is deze plant bedreigd. Nu niet meer zozeer vanwege overmatige pluk, maar vanwege overmatige mest toediening. De kievitsbloem richt i.t.t. de meeste bloemen zijn bloem hoofdje niet naar de zon, maar hangt als een klokje naar beneden, Voor zijn bestuiving is deze soort vooral afhankelijk van grote hommelsoorten zoals de aardhommel (Zie foto).

Waar

De belangrijkste groeiplaats van de wilde kievitsbloem is langs de oevers van de Vecht en het Zwarte Water in Zwolle. Van oudsher kwam de kievitsbloem voor in gebieden met klei-op-veen en dan vooral de gebieden die ′s winters onder water stonden. De plant kan slecht tegen aanpassingen aan het grondwaterpeil en is op de meeste plaatsen al voor de Tweede Wereldoorlog uitgestorven. In De Heimanshof staat een bloeiende populatie.

 kleine dierenRegenworm (4)28 apr 2013april

Regenworm (4), 28 apr 2013

 regenworm4

Regenwormen danken hun naam aan het feit dat ze vooral te zien zijn als het regent en alleen dan over het bodemoppervlak kruipen. Ze kunnen een regenbui waarnemen door de trillingen in de bodem, die veroorzaakt worden door de vallende regendruppels.

Een ander bekend misverstand over regenwormen is, dat ze proberen te ontsnappen aan de regen omdat ze kunnen verdrinken als hun holletje volloopt. De regenworm leeft vaak in waterige omstandigheden zoals onder de grondwaterspiegel. Ze nemen zuurstof op door hun dunne huid, wat ook onder water werkt. Aangezien regenwater rijk is aan zuurstof, hebben regenwormen niet veel te vrezen van een bui. Als echter zuurstofarm grondwater omhoog komt, kan een regenworm verdrinken en zal naar de oppervlakte kruipen.

Ze komen wel bovengronds tijdens een bui omdat ze regen verwarren met de trillingen van een vijand, zoals een gravende mol of om te paren. Deze trillingen kunnen worden nagebootst door een stok in de grond

te steken en deze te laten trillen. De regenwormen zullen dan massaal naar boven kruipen, ongeacht de weersomstandigheden.

Waar

Regenwormen komen voor in Noord-Amerika , Eurazië en het Midden-Oosten. Wereldwijd zijn er ongeveer 670 soorten regenwormen bekend die in lengte variëren van enkele centimeters tot decimeters.

In Nederland komen 22 soorten voor. Regenwormen leven niet allemaal ondergronds, veel soorten zijn diepgravers die lange verticale gangen maken zoals de veel voorkomende dauwpier of gewone regenworm die 9 tot 30 cm lang wordt en de rode worm die tot 15 cm lang wordt.

Er zijn er ook die in de strooisellaag leven zoals de mestpier die 6 tot 13 cm lang wordt en door zijn rode kleur en soms oranje dwarsbanden wel tijgerworm wordt genoemd. Ook veel voorkomend is een grijsblauwe soort die geen Nederlandse naam heeft. De mest- of tijgerworm en de blauwe regenworm staan op de foto.

 regenworm4a

 kleine dierenRegenworm (3)22 apr 2013april

Regenworm (3), 22 apr 2013

 regenworm3

De regenworm heeft een verdikking aan de voorzijde van het lichaam, die vaak lichter van kleur is ten opzichte van de rest van het lijf. Deze band wordt het zadel genoemd. Vaak wordt gedacht dat het verdikte zadel de geslachtsorganen of eieren bevat maar dit is niet juist.

Het zadel is een groep van slijmproducerende cellen. Het slijm dat wordt afgescheiden dient als ′reageerbuis′ waarin de eitjes en het sperma samenkomen en droogt later in tot een cocon dat de eieren beschermd tegen uitdroging.

Onder vochtige omstandigheden kruipen de dieren naar boven en komen uit hun gang op zoek naar een partner. Omdat ze gevoelig zijn voor uitdroging, gebeurt dit meestal in de schemering of na een regenbui.

Regenwormen bevruchten elkaar niet tijdens de paring maar wisselen

alleen zaadcellen uit. Als eieren voldoende zijn ontwikkeld, vindt de uiteindelijk de bevruchting plaats. Hierbij wordt een slijmlaag rond het zadel gevormd, dat als een gordel om de worm zit. In het slijm zitten voedingsstoffen voor de zich ontwikkelende embryo′s. Zodra de slijmband is gevormd, ‘wurmt’ de worm deze band naar voren tot over de vrouwelijke geslachtopening. Daar worden de eieren afgezet in het slijm. Nadat de slijmkoker van (nog onbevruchte) eieren is voorzien wordt deze verder afgestroopt tot de blaasjes waar het sperma bewaard wordt. Met het bewaarde sperma uit zakjes worden de eieren bevrucht. Dan stroopt de worm de slijmkoker volledig van het lichaam en verdroogt deze tot een harde cocon ter grootte van een erwt met een kenmerkende citroenvorm (Zie foto).

Hoewel de cocon meerdere levensvatbare eieren bevat, kruipt uit de meeste cocons maar één jonge worm. De gewone regenworm kruipt na 1-5 maanden uit de cocon, afhankelijk van de omstandigheden. 0.5-1.5 jaar later is de worm geslachtsrijp. De levensduur van de gewone regenworm in het wild is enkele jaren, maar weinig exemplaren leven lang genoeg om de maximale lengte van 30 centimeter te bereiken. Ze kunnen 6 jaar oud worden.

 kleine dierenRegenworm (2)15 apr 2013april

Regenworm (2), 15 apr 2013

 regenworm2

Bijna alle lichaamssegmenten van regenwormen hebben kleine borstels, die grip geven bij graven.
Regenwormen worden op basis van hun levenswijze ingedeeld in 3 groepen.

Soorten die leven in de strooisellaag blijven klein en graven geen gangen. Deze soorten verkleinen bladafval.

Andere soorten leven in de toplaag van de bodem en graven horizontale tunnels. Deze wormen breken bladafval af en zorgen voor beluchting.

De 3e groep graaft diepe, verticale tunnels. Deze soorten hebben kleuren en worden het grootst. Door hun tunnels wordt de bodem beter belucht en kan water worden afgevoerd. Bij het graven van gangen wordt veel materiaal opgenomen, maar grond bevat maar een deel van het benodigde voedsel. Een ander deel bestaat uit plantendelen die in het hol worden getrokken en vervolgens worden voorverteerd in de mond en door bacteriën.

Regenwormen staan aan de basis van vele voedselketens en dienen als voedsel voor veel vogels, zoogdieren, insecten, naaktslakken en platwormen . Vooral (spits)muizen en mollen eten veel regenwormen.

Bijzonder

Regenwormen kunnen niet overleven in te zure grond, zoals veen. Hierdoor worden plantenresten niet op grote schaal omgezet in mineralen, en kan turf ontstaan.

De gewone regenworm kan een totale lichaamslengte van 30 cm bereiken. De reuzenregenworm uit Australië wel 3 m. De regenworm speelt een zeer belangrijke rol in het verbeteren van de bodemstructuur. Hij graaft lange tunnels waardoor de bodem wordt belucht. Dit heeft als gevolg dat bacteriën dieper in de bodem kunnen leven, die de afbraak van organische stoffen verder versnellen. Door de tunnels van regenwormen kunnen plantenwortels makkelijker en dieper de bodem in. Daarnaast wordt de waterhuishouding van de grond beter, omdat water door de tunnels beter in en uit de bodem en vastgehouden kan worden, al naar de omstandigheden. Ook de omzetting van bladafval in mineralen is belangrijk voor de bodem en plantengroei. Door wormen is (onbetreden) bosgrond los en luchtig.

 kleine dierenRegenwormen (1)7 apr 2013april

Regenwormen (1), 7 apr 2013

 regenworm1

Iedereen kent regenwormen. Maar ze zijn zo interessant en er bestaan zoveel misconcepties over, dat er 4 columns nodig zijn voor een redelijke behandeling.

Regenwormen behoren tot de ringwormen. Dit is zijn wormen die de zee verlaten hebben en in zoetwater maar ook op het land kunnen leven. Regenwormen zijn meestal in grote aantallen te vinden. Het lichaam van regenwormen is net als bij alle ringwormen opgebouwd uit segmenten of ringen. De segmenten zijn binnen in het lichaam gescheiden door een wand. Door deze segmentwanden heen lopen de spijsverteringskolom, de aderen, de zenuwstreng en bepaalde klieren. Deze klieren werken als nieren, waarmee stoffen als urinezuur, zouten en ammoniak worden afgevoerd en water wordt teruggewonnen uit afvalstoffen.

Het lichaam van de regenworm kan bestaan uit 100-150

segmenten. Verharde structuren zoals tanden of kaken ontbreken. Een regenworm heeft geen ogen of oren maar kan wel trillingen en geschikte voedingsbronnen waarnemen. De lichaamsholten zijn met een vloeistof gevuld en staan onder druk, wat de worm stevigheid geeft.

Net als andere ongewervelde dieren hebben ze geen hersenen maar een aantal knooppunten waar de zenuwen samenkomen, bv in de mondflap. De mondflap is een belangrijk lichaamsdeel omdat het dient als een tastzintuig bij het zoeken naar voedsel. Deze ‘bovenlip’ dient ook als grijporgaan. Regenwormen hebben geen ogen, maar zijn wel gevoelig voor licht. De regenworm heeft geen speciale ademhalingsorganen, maar wel een gesloten bloedvatensysteem, waarmee door de huid zuurstof opgenomen wordt en uit de darm opgenomen voedingsstoffen worden getransporteerd.

De gewone regenworm heeft vijf paar harten en dus tien harten in totaal. Om het lichaam van zuurstof te voorzien, hebben regenwormen net als gewervelde dieren rood bloed, maar geen rode bloedcellen. Omdat regenwormen soms in zuurstofarme omstandigheden belanden, zoals bij langdurige overstromingen van het land, kan hun bloed veel zuurstof opnemen.